De „officiëele brief” van Jasper Jodocus lag op de schrijftafel
van Koenraad Vechters, den onlangs uit Italië en Duitschland met een
lintje teruggekeerden schilder. De inhoud was zoo stijf mogelijk.
Mijnheer en mevrouw Caspar Janssen van der Comme wenschen hunne
twaalf-en-een-halfjarige echtvereeniging met eene feestviering te
herdenken, waartoe de heer Koenraad Vechters wordt uitgenoodigd. Er
wordt gunstig antwoord verwacht met vijf letters van gelijkluidende
Fransche woorden, enz. enz.
Vechters had gunstig geantwoord, en thans, nu de feestdag was
aangebroken, vindt men hem diep mijmerend in 't kleine vertrekje,
't welk zijne goede moeder zijne „studeerkamer” pleegt te noemen. En
wel niet volkomen onjuist, want Vechters wijdt zich met kloeken ijver
aan veel ernstiger studie, dan menigeen zijner broeders in de kunst
dit noodig zou achten, schoon hij hier toch het meest komt, om zich
eenvoudiglijk een oogenblik te verpoozen van ingespannen arbeid op
zijn ~atelier~. Heden inzonderheid wilde zijn werk hem niet vlotten,
zijne gedachten zwierven telkens af, zijn penseel maakte gedurig eene
doellooze kennis met al de kleuren van zijn palet. Zuchtend had hij den
ezel verlaten, en, toen hij zijn leescelletje binnentrad, plooide er
zich dieper rimpel in zijn voorhoofd, sprak er feller smarte uit de
saamgeknepen lippen, dan dat het vooruitzicht der koperen bruiloft des
heeren Van der Comme er ooit de eenige oorzaak van zijn konde.
Toch kwelde en pijnigde hem de gedachte aan dat feest. Men zal een
rasschen blik op zijn verleden moeten slaan, om die bekommering recht te
doen. Koenraad Vechters was de oudste zoon van een braaf hoofdofficier.
't Was dezen wel gelukt door verdienste en beleid eene aardige
verzameling ridderkruisen te winnen, maar, toen zijne wankelende
gezondheid hem minder bruikbaar maakte voor den dienst, had men den in
elk opzicht uitmuntenden krijgsman, nauwelijks vijftiger, op pensioen
gesteld en zedelijk gedood. Toen hij een jaar later stierf, liet hij
eene weduwe en vier kinderen achter, zonder eenige middelen van bestaan,
dan een sober jaargeld, persoonlijk eigendom zijner echtgenoote.
Koenraad was de oudste, en de eenige zoon. Majoor Vechters had hem lust
voor den krijgsdienst pogen in te boezemen. 't Was volkomen mislukt.
Lang worstelde de natuurlijke aanleg des zoons tegen den vasten wil
des vaders. Eindelijk had Majoor Vechters toegegeven, Koenraad mocht
schilderen zooveel hem gelustte: zelfs werd er voor zijn onderwijs en
ontwikkeling groote zorg gedragen.
Toen zijn vader overleed, had Koenraad zijn achttiende jaar bereikt.
Reeds was hij algemeen bekend door zijn duidelijk sprekenden aanleg, en
werden sommige zijner stukken bijzonder geprezen. Thans kwam eene zware
taak op zijne schouders rusten. Hij moest zijne moeder en drie zusters
moediglijk steunen in den zwaren strijd des levens. Hij doorzag in een
oogwenk den toestand zijner familie. Ridderlijk trad hij voorwaarts,
en nam hij op zich het verweesde gezin bij te staan met al zijne
kracht, met al zijn talent en al zijn tijd. Lessen geven in de muziek
en teekenen werd zijne daaglijksche taak, en alleen steelsgewijze sloop
hij naar zijn ~atelier~, om er de kwalijk verdrongen, maar heimlijk
gloeiende liefde voor zijne kunst eenige oogenblikken naar hartewensch
te boeten.
In dit tijdperk bezocht hij van tijd tot tijd de schitterende
feesten van Caspar Janssen. Hij werd er algemeen bemind om zekere
onuitputtelijke, vroolijke luim, om de geestdrift, waarmee hij
elks feestelijke stemming wist aan te vuren, om de onvermoeide
welbespraaktheid, waarmee hij ieder wist te onderhouden, te boeien, te
vermaken. Op zekeren avond bevond zich daar eene gast, eene blondine,
half verborgen onder de schitterende, bont gedoste menigte—maar
aanstonds opgemerkt door Vechters. Argeloos had de jonge kunstenaar haar
bespied, argeloos haar gesproken en bewonderd, toen hij zich plotseling
betrapte op heeterdaad van verliefdheid, als de fraaie wereld het noemt,
van vurige vereering en geheele wijding des harten, als hij het bij zich
zelven heette.
Pauline van Someren was de dochter van een zeer vermogend rentenier,
die weleer op Java door geluk en vlijt en.... eenige welbestierde
suikerfabrieken zich vrij aanzienlijken rijkdom verworven had. Van
tijd tot tijd zag Vechters haar weer. Zwijgen en wanhopen lag niet in
eene krachtige, voortvarende natuur als de zijne. Dat Pauline zijne
eerbiedige, zijne teedere en schuchtere hulde aangenomen had, dat zij
den wensch van zijn hart kende, goedkeurde en aanmoedigde, was hem
zekerheid uit ieder woord, iedere daad, iederen blik—zoodra hij aan
hare zijde stond, en haar met onuitsprekelijke bewondering mocht
aanstaren.
Kloek en vastberaden meldde Vechters zich op eens bij den heer Van
Someren aan. 't Zou der moeite waard geweest zijn, u bij het onderhoud
tusschen den jongen, verliefden, openhartigen, talentvollen kunstenaar
en den bejaarden, trotschen, koudbloedigen, zelfzuchtigen oud-gast
tegenwoordig te doen zijn. Thans slechts dit. De heer Van Someren
luisterde met een gezicht zonder uitdrukking naar het lange verhaal, dat
Vechters zich verplicht waande den vader zijner Pauline omtrent zijne
familie, zijne maatschappelijke betrekking en zijne vooruitzichten
mee te deelen. Toen deze daarna zich van zijn zetel ophief, en grof
glimlachend, zijne verwondering te kennen gaf over den moed, welken de
jonge muziek- en teekenonderwijzer in zijne tegenwoordigheid had aan
den dag gelegd—toen hij met een enkel brutaal woord en een enkel even
brutaal gebaar den jonkman alle hoop op zijne goedkeuring en toestemming
had ontzegd—toen hij eindelijk schouderophalend den verslagen en
hoogblozenden kunstenaar geraden had, later wat beter na te denken,
en hem zonder groet den rug had toegewend, toen kroop er een bittere
wrok in Vechters' diep gekrenkt gemoed, en ving er een zware strijd
aan tusschen de oprechte, reine liefde, die zijne ziel met jubel en
zonnegloed had vervuld, en de pijnigende herinnering aan de onbeschofte
beleediging, die hem tranen van verkropte spijt en woede had doen
weenen.
Vechters had een fieren ridderlijken aard. Onverdiende krenking griefde
hem bitter, maar allerbitterst viel het hem de laatdunkende minachting
van zijn persoon, zijn stand, zijn talent te dragen. Van dit oogenblik
af besloot hij Pauline van Someren nimmer weder te zien. Hij hield
woord. Wel openbaarde zich het inwendig lijden door zichtbare teekenen
in zijn uiterlijk, maar hij verdubbelde in vlijt en werkzaamheid,
maar hij wijdde zich met koortsachtigen ijver aan zijne kunst, aan
haar alleen—en de zorgende, liefderijke genegenheid zijner moeder
meewerkende, kwam hij allengs tot kalmer stemming, tot berusting en
weemoedige tevredenheid.
Eensklaps werd hij nu door het blijde bericht verrast, dat zijn jongste
schilderwerk, zonder groote verwachting ter tentoonstelling gebracht,
met de gouden rijksmedaille was bekroond. Dit feit hief den gedrukte
werkelijk omhoog. Lang reeds had men zijne geestige teekening geprezen,
maar nu men eene frissche, aantrekkelijke en geheel oorspronkelijke
kleur hoe langer hoe meer als een hoogst opmerkelijk kenteeken van
zijn talent moest waardeeren, nu vielen hem alle kunstrechters toe,
en aarzelde de Jury niet den veelbelovenden jonkman het eermetaal aan
te bieden. 't Was of hij thans voor goed zijne wijding tot kunstenaar
ontvangen had, met dubbelen ijver keerde hij tot zijn atelier terug,
en alras begon zijn penseel op betere wijze in de behoefte van zijne
familie te voorzien, dan zijn moedig les geven ooit had kunnen doen.
Dagelijks blonk het talent van Vechters op schitterender wijze uit.
Niemand twijfelde meer, hem als uitstekend schilder te huldigen, zijne
kunstbroeders onderkenden in hem een machtigen mededinger, zijne
beschermers en bewonderaars eene star van de eerste grootte. Weldra
had men hem fondsen toegeschikt, tot het doen eener kunstreis naar
Italië—en welk gebruik hij van deze heerlijke gelegenheid gemaakt
had, kon het ordelint getuigen, hem door den smaakvollen Koning van
Beieren gegeven. Bij zijne terugkomst was hij allerwege met open armen
ontvangen, ieder had hem om strijd geprezen en gelukgewenscht. Meer
en meer had hij nu met onbekrompenheid zich kunnen kwijten van zijne
plichten als dankbaar zoon en liefhebbend broeder. Alles lachte hem
aan in de toekomst, toen eensklaps de doodonschuldige uitnoodiging tot
de koperen bruiloft des heeren Van der Comme hem het verleden op 't
pijnlijkst herinnerd had. Want nog was de wonde niet geheeld, en dikwerf
nog huiverde hij van weedom bij 't herdenken van dien eersten smaad en
die eerste liefde. En nu, op den morgen van het feest, nu bedacht hij
bij zich zelven wat er geschieden kon, zoo hij zijns ondanks zich
plotseling geplaatst vond in de tegenwoordigheid van Pauline van
Someren.