En even met de hand wuivend vloog de thesaurier der Rederijkerkamer:
~Sic itur ad astra~ de stoep van een aanzienlijk huis op, en schelde
driftig.
Daar woonde zijn broeder, de WelEdelgeb. Heer Caspar Janssen van der
Comme, Aannemer van Publieke Werken, een man van grooten invloed en
buitengewone bekendheid om.... zijn geld. Als de heer Caspar van
der Comme in 't publiek verscheen, ontving hij meestal eene kleine
hulde—daar was hij aan gewoon. Ter Beurze glimlachte menigeen zeer
welwillend, als hij zijn hoed voor den rijken aannemer mocht afnemen—in
't Park stond een wolk van netjes afgeschuierde heeren om de stoel van
mevrouw Van der Comme—in ~Artis~ namen de knechts zoo eerbiedig
mogelijk hunne petten af, en als hij maar even opzag, kwamen er vijf
of zes aanhollen, om zijne bevelen diep buigend op te vangen.
Dat was niet altijd zoo geweest. Caspar Janssen had een tijd gekend,
toen niemand den hoed voor hem afnam, toen nog geen enkel fraai gedoste
Parkpronker zijne vrouw kwam begroeten, toen niet één knecht in ~Artis~
zijn pet voor hem afnam—eenvoudig, omdat hij onbekend en arm was,
en dus geen lid van eene dier hoogst fatsoenlijke sociëteiten. Er
was een tijd geweest, toen Caspar Janssen in eene akelige achterbuurt
woonde—toen zijn hoed zoo lange jaren dienst deed, dat de rand er
wanhopig van werd, en dreigde te sterven aan verval van kracht—toen
mevrouw Van der Comme zich met één loopmeisje behielp en zelve de
uitvoerigste redeneeringen hield met Hein den groenman, om een bosje
wortelen of asperges machtig te worden—als 't seizoen voorbij was, en
de groenten goedkoop werden.
Toen, onverwacht en buiten alle hoop, had Caspar op zekeren dag de
blijde tijding ontvangen, dat hij erfgenaam geworden was van een zedig
sommetje, hem door een verren, onbekenden neef in Indië nagelaten.
Dit legaat was de eerste stap tot zijn fortuin. Langzaam en zeer
voorzichtig had hij verbeteringen in den meer dan armoedigen vorm van
zijn dagelijksch leven gebracht. Voorzichtig ook waagde hij het nu en
dan eene inschrijving te doen bij aanbestedingen—reeds werd zijn naam
wat minder onbekend en vergeten—soms zelfs kwamen ambtgenooten hem
raadplegen en aanmoedigen, om met vereende kracht eenig werk te
ondernemen.
Want Caspar was wel arm en weinig geëerd geweest, maar nooit had iemand
durven volhouden, dat het hem aan fijne loosheid of practisch overleg
schortte. Langs een tal van trappen klom hij, voorzichtig steeds
omziende, naar boven, en eer men het vermoedde, stond hij plotseling
aan 't hoofd eener aanzienlijke onderneming—laagste inschrijver voor
een groot stadsgebouw, tot welks oprichting men bij tonnen gouds
cijferde. Zoo was Caspar, na tien jaren van onverpoosden arbeid,
door zijne schranderheid en zijn beleid rijk geworden en—merkwaardig
wonder!—niemand had ooit eene boosaardige tong hooren fluisteren, dat
de oorsprong van zijn fortuin in een geheimzinnig, ongenaakbaar duister
verborgen lag.
Wat Caspar veel moeite en hoofdbrekens kostte, was de juiste harmonie
te treffen tusschen zijn huiselijk en openbaar leven, en den steeds
stijgenden bloei zijner kas. Caspar Janssen was uit eene zeer eenvoudige
burgerfamilie gesproten, en droeg er dagelijks alle overleveringen van
met zich om. Zijne hoogste glorie bestond in de hoop om eenmaal tot
aanzienlijke kringen te worden toegelaten, mannen van rang en naam de
hand te drukken, lid te worden van den Gemeenteraad, en wie weet wat
meer, als alles eens eene gelukkige wending ging nemen—doch, schoon
hij deze zoete verwachting, naar hij waande, in 't innigst geheim zijns
harten verborgen hield, was er bijna geen woord of daad, waarmee hij
haar niet telkens onwillig deed doorschemeren.
Vandaar, dat zijn huis beroemd was, om de talrijke feesten en
maaltijden, welke hij onbekrompen en gaarne ontwierp, zoo dikwijls er
zich maar de geringste aanleiding toe voordeed. Maar hij miste tact
en smaak, om zijne gasten met waardigheid te ontvangen. Daar was een
groot verschil tusschen de prachtige meubelen en den platburgerlijken
gastheer, tusschen den fijnen wijn en den vormloozen, ploertigen toon
van het onderhoud. Want Caspar was en bleef een ~parvenu~, en wel een
der zoodanigen, die gevatheid, en schranderheid te over hebben in de
maatschappelijke betrekking, welke hen tot rijkdom verhief, maar geen
zweempje beschaving of vernuft, om het gezellig leven met die tint van
bevalligheid en sierlijkheid te kleuren, waarvan het geheim alleen door
fijne en wel verzorgde ontwikkeling wordt verkregen.
Treed de stoep zijner weidsche woning op, en ga binnen, om er u van te
overtuigen. Wat denkt ge van het salon en de aangrenzende vertrekken?
Zeker, het is den bewoner volkomen gelukt u een juist denkbeeld omtrent
zijne welgegoedheid in te boezemen. Al wat moderne weelde kostbaars en
prachtigs kan aanbieden is er vereenigd, en hier en daar—ge merkt het
met blijdschap op—zijn sporen van goeden smaak. Het kwistig gebruik
van verguldsel en marmer wordt door den stillen zilvergrijzen toon van
behang en gordijnen aangenaam getemperd. Gravures naar de meesterwerken
der Nederlandsche schilderschool doen kleine, bonte knutselarijen
van onbekende grootheden en eenige zeer belachlijk geschilderde
familieportretten in 't niet verdwijnen. Er is strijd wederom bij die
prachtige voorwerpen tusschen sierlijkheid en platheid—welk deel komt
hiervan den eigenaar toe?
Enkel bij feestelijke gelegenheden zult ge hem, in eigen schatrijken
persoon, ter dezer plaatse aantreffen. Anders sluit hij zich met zijne
cijfers in een klein kantoortje op, dat zoo eenvoudig en gemakkelijk
mogelijk is ingericht. Caspar Janssen is een veertiger van kloeken bouw,
met een wat gebogen rug en een kaal hoofd. Zijn gelaat vertoont meest
eene ernstige, peinzende uitdrukking of een onverschilligen, botten
glimlach, die geen den minsten indruk maakt. Zijne grijze oogen liggen
diep verborgen in de kassen, de benedenste helft van zijn gelaat is
verweerd en verbruind als van een zeeman.
Zoo spoedig Caspar zijn salon binnentreedt, sluipt hij stil naar
een hoek, verbergt zijne grove, knobbelige, roode handen onder zijne
rokspanden of in zijne zakken, en staat of zit dan rustig, totdat een
zijner gasten hem komt begroeten. Zonderling is de schuwheid, waarmee
hij zijn eigen kostbaar tapijt betreedt, en voet voor voet zich beweegt,
als vreesde hij te zullen uitglijden. Zonderling is de voorzichtigheid,
waarmee hij op zijne eigene prachtige stoelen plaats neemt, en let er
op, hij kiest nooit den een of ander der met blauw fluweel bekleede
leunstoelen. Zoo spoedig er iemand binnenkomt, waarvan het slechts in de
verte zou kunnen blijken, dat hij in betrekking stond met de voorname
wereld zijner hoop, vermeerderen deze zonderlingheden tot belachelijk
wordens toe, en geeft hij zich ongelooflijke moeite, om, terwijl hij
zich zooveel mogelijk verschuilt, eene zeer deftige en gewichtige
uitdrukking op zijn gelaat te voorschijn te roepen.
Mevrouw Van der Comme pleegt met vrij wat meer drukte in hare
receptiezalen te verschijnen. Terwijl haar schroomvallige man zijn
uiterste best doet, om zacht en zoetelijk te spreken, klinkt hare diepe
altstem driftig en luid door het vertrek, zoodat niemand behoeft te
vragen, waar ze zich bevindt. Zij is eene kleine, levendige dame met
roodblond hair en nog fraaie blauwe oogen. De kleur van haar gelaat en
handen is echter niet zoo zuiver blank, als men wellicht bij den eersten
oogopslag mocht vermoeden. Voor wie in de geheimen van haar ~toilet~ was
ingewijd, kon het niet verborgen blijven, dat ze er in hare binnenkamer
des morgens onbehaaglijk geel placht uit te zien, en al wie smaak had,
kon dikwerf eene neiging tot schaterlachen niet bedwingen, zoodra hij
de reusachtige zeegroene linten van hare allerzonderlingste muts en de
zwartfluweelen arabesken van haren steenrooden zijden japon had in 't
oog gekregen.
Tot de familie Van der Comme behoorde nog een knaap van tien jaren en
twee meisjes van acht en vijf. De knaap heette naar Oom Jasper, was even
smakeloos, ruw en brutaal, maar ruim zoo lastig en ondeugend als deze.
De beide meisjes waren zachte, gehoorzame kinderen, niet bevallig en
aangenaam van uiterlijk, maar frisch en sterk, schoon grof van trekken
en geel van wezen. De opvoeding van deze beiden was toevertrouwd
aan Mlle de Tourzel, eene Zwitsersche van aanzienlijke geboorte,
opmerkelijke schoonheid en uitstekende talenten, door familierampen
verplicht in afhankelijken staat te leven. Indien er iets smaakvols
te bewonderen was in het huis der Van der Commes, zoo mocht men zich
overtuigd houden, dat zij er de oorzaak van was.