IV

Dienzelfden voormiddag verliet een ongelukkig huisgezin het dorp van

Bolderhout.

Mie-Wanna, de moedige vrouw van den baanwachter, stapte vooruit in den

aardeweg, met het kleine Barbeltje op den arm. Driesken liep aan hare

zijde. Achter haar kwam de blinde grootmoeder, door haren kleinzoon,

door haren vriend Sander, geleid. Allen waren met pakken beladen, als

ondernamen zij eene langdurige reis.

Ongetwijfeld hadden zij nu sedert zeven lange doodsche dagen zooveel

geweend en geklaagd, dat de bron hunner tranen was opgedroogd. Zij

gingen wel onder de smart gebogen, doch hunne oogen waren droog en zij

sukkelden, in sombere stilzwijgendheid voort.

Mie-Wanna alleen keerde bijwijlen nog het hoofd om naar het dorp en

scheen in die richting met den ontstelden blik eene betreurde plaatste

zoeken.... Daar, bij den ijzeren weg, stond de waggon, de wieg van

haar Barbeltje!... het paradijs waar zij de schoonste jaren van haar

leven in zielevrede en in onzeglijk geluk had doorgebracht! Verloren,

verloren voor altijd!

Inderdaad, het Bestuur der spoorbaan had eenen anderen wachter

aangesteld. Alhoewel deze insgelijks getrouwd was, had hij de vrouw

van Jan Verhelst uit medelijden aangeboden, haar met hare kinderen in

den waggon te laten wonen, totdat zij iets stelligs omtrent het lot

van haren man zou vernemen. Zij had zijn edelmoedig voorstel in den

eerste met dankbaarheid aanvaard; maar welhaast was het haar blijkbaar

geworden, dat zij te Bolderhout niet langer mocht blijven. Zij kon

toch zich nergens vertoonen, zonder dat zij door de inwoners werd

beleedigd. Haar goede zoon Sander moest hooren, hoe zijne vorige

schoolmakkers hem den scheldnaam "Moordenaar! moordenaar!" achterna

riepen, en de arme jongen had sedert drie dagen den waggon niet meer

durven verlaten. Zijn onderwijzer alleen was goed en vriendelijk voor

hem gebleven. Om bij hem eenigen raad en eenigen troost te halen,

moest Sander de duisternis afwachten en langs afgelegene wegen ten

zijnent gaan.

In de gedachte dat de notaris zou sterven en Jan Verhelst door

plichtverzuim zijnen dood had veroorzaakt, vonden de dorpelingen eene

schijnbaar gegronde reden om zijne vrouw en zijne kinderen te haten;

maar zij zouden hen toch niet zoo meedoogenloos gevolgd hebben, indien

de oudste zoon van den notaris door zijne onophoudende beschuldigingen

en wraakkreten ook de besten niet tot wreedheid had aangehitst.

Mie-Wanna had dus besloten, Bolderhout te verlaten en met haar

huisgezin naar de stad te trekken. Wat ze daar ging doen, wist ze niet

wel. Misschien dreef eene onbestemde zucht om nader bij haren man te

zijn, haar aan tot het nemen van zulk gewichtig besluit? Zij zou een

klein huisje of een paar kamers in een voorgeborcht huren, haar weinig

goud en eenig overtollig huisraad verkoopen en--moest het later ook

geschieden--uit werken gaan en door slaven en sparen hare oude

schoonmoeder en hare kinderen het dagelijksche brood bezorgen ... tot

betere tijden!

Want dat haar man welhaast in vrijheid zou worden gesteld, dit

geloofde zij niet meer. De nuttelooze pogingen door haar aangewend om

hem te mogen bezoeken of iets van hem te vernemen; zijne onmiddellijke

vervanging als baanwachter; de haat, de zegevierende bedreigingen der

lieden van Bolderhout, dit alles had haar de overtuiging ingedrukt,

dat haar ongelukkige man niet tegenstaande zijne onschuld zou

veroordeeld worden tot eene langdurige gevangenis.

Stilzwijgende stapte zij nu in den glibberigen veldweg voort.

De grootmoeder en de kinderen, die hare hopelooze overtuiging niet

deelden, drukten nu en dan eene troostende overweging uit; maar

Mie-Wanna, uit schrik van hen diep te bedroeven, antwoordde zeer

zelden, en dan nog door een kort gezegde.

Zij hadden een goed eind weegs in zulke doodsche stilte afgelegd, toen

Sander met teruggehoudene stem tot de blinde zeide:

"Meken lief, gij lacht zoo vroolijk! Wat denkt gij dan?"

De oude vrouw vertraagde haren stap en antwoordde hem:

"Sanderken, blijf wat achter met mij. Uwe moeder ziet alles in het

zwart. Zij gelooft mij niet; maar ik ben wel zeker, dat mijn schoone

droom mij van God werd gezonden."

"Ach, Meken, denk dit niet; het kan niet zijn."

"Hoe, het kan niet zijn? Zoo jong nog, en reeds zoo ongeloovig! De

wereld is bedorven; zij zal niet lang meer staan, kind! Zie, ik zal

het u nog eens vertellen.... Ik lag te bed in onzen waggon; al biddend

en met de handen nog te zamen was ik in slaap gevallen. Ik begon te

droomen, dat ik in eene groote kerk op eenen stoel zat. Er was muziek;

het orgel speelde, en men zong zoo schoon op het doxaal, dat ik mijn

hart van ontroering voelde kloppen. Ik weet niet wat er dan in mij

omging, maar ik viel geknield op den grond, en met tranen in de oogen

en de handen ten hemel riep ik uit; "O God, o zoete Jezus, bij uwe

bittere passie en uw heilig bloed, verhoor het gebed eener arme blinde

moeder! Heb medelijden met haren onschuldigen zoon! Verlos, verlos hem

uit de gevangenis, opdat de rechtvaardigheid niet bezwijke! Gezegend

zij uw naam in der eeuwigheid!"--Daar zag ik eensklaps in de wolken

wierook, die bij het altaar opstegen ... ja, Sanderken, wanneer ik

droom, dan zie ik met klare oogen als in mijne jonkheid ... ik zag

eenen hevigen glans en te midden daarin eenen engel met lange

vleugelen. Hij kwam met eenen hemelschen glimlach op den mond tot mij;

ik beefde van ontzag en hoop. De schoone engel nam mij bij de hand en

zeide: "Sta op en wees getroost. God heeft uw gebed verhoord; binnen

drie dagen zult gij uwen vrijgesproken zoon in de armen drukken."--Ik

liet eenen schreeuw van blijdschap en schoot wakker.... Welnu, Sander,

meent gij nog met uwe moeder, dat dit gelukkig nachtgezicht niets was

dan eene ijdele begoocheling mijner ontstelde zinnen? Gelooft gij

niet, dat het waarheid zou kunnen worden?"

"Ach, Meken lief, ik zou het zoo gaarne gelooven, het is toch zoo

schoon!" antwoordde het jongsken treurig; "maar wat de schoolmeester

mij heeft gezegd, doet mij er anders over denken."

"En wat heeft de schoolmeester u gezegd?"

"Volgens zijne uitleggingen, Meken, kan vader niet vrijkomen dan nadat

het tribunaal bijeen is geweest en een vonnis heeft uitgesproken. Eer

dat het tribunaal daarover vergadert, zullen er nog weken verloopen,

maanden misschien, en mijn arme vader zal zoolang in het kot blijven.

Ach, dat wij toch niets van hem vernemen! God weet, Meken lief, is

vader niet ziek van verdriet!"

"Gaat gij nu weder krijschen, Sander?"

"Ik krijsch niet, Meken, maar het is toch te wreed!"

"Ja, kind, het is onmensenschelijk en wreed. Ze zien uwen vader dus

aan voor eenen schrikkelijken booswicht? Ons zoo onmeedoogend

beletten, hem te bezoeken en te troosten; zelfs niet toelaten, dat wij

vernemen of hij gezond of ziek is! Eilaas, kind, ik begin somwijlen

ook te denken, dat hij onrechtvaardig zou kunnen veroordeeld

worden.... Gij krijscht weder, Sander? Dan spreek ik niet meer."

Mie-Wanna had haren stap vertraagd en zeide nu verwijtend tot de

blinde:

"Moeder, moeder, waarom laat gij onzen Sander niet gerust? Heeft het

kind dan niet genoeg aan zijn eigen verdriet? Komt beiden voort en

zwijgt liever: wij hebben toch niets troostends te zeggen."

"Nu, nu, ik zal wat spoediger gaan," antwoordde de oude vrouw; "maar

ik kan toch zoo stom mijn bitter wee niet verkroppen. Spreken ontlast

het hart."

"Ween niet langer, Sander lief," zeide Mie-Wanna. "Zoohaast wij in de

stad een huis om in te slapen hebben gevonden, zal ik op den loop

gaan. De meestergast van het smidswerkhuis, die uwen vader altijd een

vriend was, zal mij helpen. Wij zullen niet rusten, voordat men mij

toelate, uwen vader te bezoeken. Vond ik hem gezond, kon ik hem

troosten, ach, dit ware nog een groot geluk in ons bitter verdriet! Ik

ken ook nog eenen heer die tegenwoordig was, toen uw vader uit

opoffering zijne linkerhand verloor. Deze heeft hem alsdan hoog

geprezen en hem zijne bescherming beloofd. Ik zal tot hem en tot nog

anderen gaan, en hemel en aarde verroeren om bij uwen vader te

geraken. Laat de hoop, dat ik zal gelukken, u troosten, en kom nu maar

goed door zonder veel te spreken. En gij, Meken, houd u wat stil; het

helpt er toch niet aan, dat gij de kinderen doet krijschen. God is

meester, en, legt Hij ons een kruis op de schouders, hoe zwaar en hoe

pijnlijk ook, wij moeten het met onderwerping dragen. Onze klachten

kunnen ons droevig lot niet veranderen; van Zijnen heiligen wil alleen

hangt het af. Zwijgen en in stilte bidden is nog het beste, dat wij

kunnen doen."

Van dan af spraken zij zeer weinig meer en stapten met zooveel spoed

voort als de onzekere gang der blinde grootmoeder het toeliet.

Toen zij den steenweg hadden bereikt en eene groote hofstede naderden,

zeide Mie-Wanna:

"Laat ons hier eens binnengaan om wat melk voor ons Barbeltje te

vragen. De kinderen zullen er wat kunnen rusten."

Met een gevoel van schuchterheid traden allen op den voorhof en zeiden

de pachteresse wat zij verlangden.

Deze, door het gezicht der blinde vrouw en der kinderen tot medelijden

gestemd, deed hen in huis treden, gaf hun stoelen om te rusten en

bracht onder het uiten van vriendelijke woorden hun eene kan warme

melk.

Maar daar kwam de pachter in huis, en deze bezag het arm huisgezin met

eenen strengen, verstoorden blik.

"Zijt gij niet de vrouw van Jan Verhelst, den baanwachter?" vroeg hij.

"Eilaas, ja, om u te dienen, pachter," antwoordde Mie-Wanna met eenen

zucht.

"Zoo, zoo, gij zijt de vrouw van den schuldigen bediende, die den

notaris van Bolderhout en zijnen koetsier heeft doen verpletteren?"

gromde hij met eene grijns van afschuw. "Ik beklaag u en uwe kinderen,

gij kunt er niet aan doen; maar uw man zal wel zeker gestraft worden,

zooals het behoort. Het is gelijk, hoe men menschen vermoordt, of door

plichtverzuim of door opgezetten wil. Zoo zou men wel eenen geheelen

trein met honderden reizigers kunnen doen verongelukken.... Mijne

woorden bedroeven u, vrouw, ik begrijp het; maar het lag mij op het

hart en het moest eraf! Vaarwel, eet en drink; maar blijf niet langer

in mijn huis dan het noodig is."

En onder het morren dezer laatste woorden ging hij op den voorhof en

verdween in den stal.

Zijn zuur onthaal en ontmoedigende voorzegging hadden de grootmoeder

en de kinderen tranen uit de oogen gerukt. Mie-Wanna alleen verkropte

hare schaamte. Alhoewel de vrouw haar poogde te troosten en gerust te

stellen, stond zij op en zeide:

"Wij zijn u dankbaar voor uwe goedheid, pachteresse.... Komt,

kinderen, vervorderen wij onzen bitteren kruisweg. Weent niet en heft

uw hoofd op. Zijn de menschen wreed en onrechtvaardig jegens uwen

armen vader, God daarboven weet toch wel, dat hij onschuldig is."

Ofschoon zij moed en fierheid veinsde, moest haar hart echter met wee

overkropt zijn; want nauwelijks was zij weder op den steenweg geraakt,

of zij wreef zich meer dan eens de oogen, en de krampachtige rillingen

harer wangen getuigden genoeg, dat zij met pijnlijk geweld tegen hare

tranen worstelde.

Eenige minuten later zag zij in de verte een open rijtuig aankomen.

Zij hield met eene bijzondere aandacht de oogen er op gevestigd.

Waarom? Dit wist ze niet wel; haar dacht, dat zij den heer, welke er

in zat, nog meer in haar leven had ontmoet.

Het rijtuig bleef eensklaps staan, toen het op een boogschot van haar

genaderd was; de heer sprong er uit en kwam tot haar. Hij scheen nog

jong te zijn, en op zijn schoon gelaat zweefde een glimlach van blijde

verrassing.

"Gij zijt des baanwachters vrouw van Bolderhout, niet waar?" vroeg

hij.

"Ja, mijnheer, om u te dienen," was het antwoord.

"Komt gij van het dorp?"

"Wij hebben het dezen morgen verlaten."

"Zeg, vrouw, hoe gaat het met den notaris?"

"Slecht, mijnheer, zeer slecht. Hij is sedert het ongeluk altijd

zonder kennis of spraak gebleven. Gisterenavond scheen hij een beetje

tot zijn verstand te komen. De dokters meenden zeker daarom, dat hij

ging sterven; want de Berechting is seffens geroepen geworden."

"Die noodlottige dood is diep te betreuren."

"Eilaas ja, mijnheer."

"Voor uwen man bovenal. Ware de notaris genezen, dan had hij kunnen

verklaren, hoe de tilbury op de spoorbaan is geraakt, en wellicht zou

daaruit zijne onschuld gebleken zijn."

"En nu, mijnheer, zal mijn arme zoon veroordeeld worden?" kreet de

blinde grootmoeder.

"Ik weet het niet, vrouw. De zaak maakt zooveel gerucht, dat de

procureur des konings ze voor zich zelven heeft behouden. Ik ben zijn

substituut; gij kent mij wel; ik heb op den dag van het ongeluk

gepoogd u en uwe kinderen te troosten."

"Inderdaad, goede heer, daarvoor zegene u God. O, gij zijt van het

gerecht! Is er dan toch geen middel hoegenaamd, om mijnen ongelukkigen

man te zien? Heb medelijden met ons!"

"Ik reed juist naar Bolderhout, vrouw, en meende u daar te gaan

zeggen, dat gij uwen man in zijne gevangenis moogt bezoeken."

Mie-Wanna aanschouwde hem met ongeloof, evenwel gereed om in

blijdschap los te barsten, indien hare hoop werd bevestigd.

"Wij zouden hem mogen bezoeken ... in zijne gevangenis?" mompelde zij.

"Zeker, vrouw, in volle vrijheid. Ga naar de gevangenis, en men zal u

bij hem toelaten. Ik heb den bestierder gesproken; de portier heeft

bevel om u met welwillendheid te onthalen."

Onder allerlei verwarde vreugdekreten drukte Mie-Wanna hare kinderen

op haar hart en juichte als eene uitgelatene over het onverwachte

geluk, dat de hemel in zijne barmhartigheid hun toezond. Zij zouden

hunnen vader zien, hem omhelzen, hem kussen en zoo door de uitstorting

hunner liefde troost en sterkte in zijnen bedrukten boezem gieten.

Den substituut overlaadde zij met zegeningen en noemde hem een

weldoener, een redder, een engel. "Mijnheer, vergeef eene bedrukte

echtgenoote," zeide zij na eene wijl. "Wij mogen mijnen man bezoeken.

Wanneer, wanneer, als 't u belieft?"

"Vandaag nog, indien gij wilt."

"Ach, geve God dat ik hem gezond vinde!"

"Hij is gezond, vrouw."

"Hebt gij hem gezien, Mijnheer?"

"Ja, dezen morgen."

"Moeder, kinderen, die heer heeft vader gezien, dezen morgen! Hij is

gezond! O, welk goed nieuws! Wat geluk, wat geluk!"

De substituut had intusschen zijne brieventasch uitgehaald en schreef

iets daarin met een potlood. Hij reikte welhaast een kaartje tot de

vrouw en zeide:

"Weet gij waar het gevangenhuis is?"

"Ja, mijnheer, ik ben in de stad geboren en heb er lang gewoond."

"Welnu, gij trekt de bel aan de poort en toont dit kaartje aan den

man, die zal openen. Onmiddellijk zal hij andere bedienden roepen, om

u tot uwen man te leiden. Blijf dus getroost en hoop, dat uw man,

indien hij--zooals ik geneigd ben het te gelooven--onschuldig is, door

het gerechtshof zal vrijgesproken worden."

Hij wenkte zijn rijtuig en stapte er in. Terwijl hij vele handen

dankend tot zich uitgestrekt zag en de arme lieden nog een

aanmoedigend teeken deed, riep hij tot den koetsier:

"De zweep op de paarden! Naar Bolderhout met allen spoed! Zet mij af

bij het kasteel van mevrouw Van den Heuvel."

Lang bleef hij denkend. Waarschijnlijk overwoog hij, hoe het gerecht,

om de schuldigen te kunnen treffen, ook nu en dan onschuldigen moet

doen lijden. Meer en meer groeide in hem het vermoeden, dat Jan

Verhelst de waarheid verklaarde en de barreelen had gesloten ... maar

wie kon het bewijzen? Geene andere getuigen bestonden er dan de

slachtoffers alleen. De koetsier was op den slag dood gebleven, en de

notaris zou misschien nu insgelijks bezweken zijn. In dezen droevigen

toestand der zaken kon het wel gebeuren, dat de arme baanwachter,

schuldig of onschuldig, door het gerechtshof veroordeeld werd.

Die gedachte pijnigde hem; zijn gelaat versomberde, en een diepe

zucht ontsnapte zijne borst.

Welhaast echter schudde hij het hoofd, terwijl een lichte spotlach op

zijne lippen kwam zweven.

"Een substituut, die lijdt en treurt om het lot van eenen verdachte!"

mompelde hij. "Moest men het gemeen gevoelen aannemen, dan zouden wij

voor zulke dingen geen hart hebben. Zijn wij dan in ons lastig ambt

geen menschen gebleven? Ha, wel dikwijls is de strenge plicht ons

bitter!... Ik weet niet waarom ik zulke toeneiging voor den

baanwachter gevoel.... Zijne blinde moeder, zijne kinderen, zijne

moedige daad van opoffering misschien? Hoe het zij, mij dunkt, dat ik

met geluk zijne vrijspraak zou vernemen; maar alles zegt dat...."

Daar kwam bij den ommekeer der baan eene tilbury aangereden.

Groetende, deed de substituut een teeken tot den persoon, welke er in

gezeten was.

Beide rijtuigen bleven staan.

"Goeden dag, burgemeester," zeide de substituut. "En de notaris? Leeft

hij nog?"

"Zeker, heer substituut," was het antwoord; "hij is beter sedert dezen

morgen."

"Beter!"

"Ja, veel beter."

"Is hij bij zijn verstand?"

"Het schijnt, want hij heeft reeds gesproken en zijne vrouw en

kinderen herkend."

"God zij er om geloofd! Wij zullen dus weten, hoe het ongeluk is

geschied. Burgemeester, heeft men hem daarover geene uitleggingen

gevraagd?"

"Dit zou ik niet kunnen zeggen."

"Ha, ik zal het straks weten!... Goede reis, burgemeester."

De beide rijtuigen hernamen hunne onderbrokene vaart.

"Recht naar het huis van den notaris Vereecken!" gebood de substituut

zijnen koetsier.

Een half uur later stapte hij af vóór de schoone woning van den

notaris en vroeg den knecht, die hem opende, of hij Mr. Frederic niet

zou kunnen spreken.

De substituut moest hier wel bekend zijn; misschien was hij een vriend

des huizes, want de knecht leidde hem zonder andere plichtplegingen in

den tuin en zeide hem:

"Ginder verre, onder den treuresch, zult gij Mr. Frederic vinden; ten

minste hij zat daar nog op de rustbank, nu pas vijf minuten geleden."

Inderdaad, toen de substituut ten einde van een lang kronkelpad was

geraakt, zag hij den oudsten zoon van den notaris in het lommer zitten

onder de neerhangende twijgen van eenen esscheboom.

De jongeling scheen in gedachten verslonden; doch niet zoohaast

ontwaarde hij het gerucht der stappen van eenen naderenden persoon, of

hij stond op. Met eenen minzamen glimlach reikte hij de hand tot den

substituut en riep verblijd:

"Goeden dag, heer Masmans; er is gelukkig nieuws vandaag!"

"Men heeft mij dus de waarheid gezegd? Uw vader is beter?"

"Veel beter, God zij dank! Hij zal genezen, zegt de dokter.... Kom,

heer substituut, zet u wat neder in het lommer; wij zullen dus op ons

gemak kunnen kouten. Mijn vader slaapt nu."

Nevens den jongeling op de bank gezeten, vroeg de substituut:

"Mij is gezegd geworden, dat men gisterenavond in allerhaast den

priester bij uw vader heeft geroepen. Dit was een valsch gerucht?"

"Toch niet, substituut. Sedert het schrikkelijk ongeluk had mijn vader

zonder beweging gelegen. De dokter meende, dat hij in de hersens was

getroffen en zachtjes zou sterven, zonder uit zijnen loomen slaap op

te rijzen. Gisterenavond scheen mijn vader eensklaps te ontwaken. Hij

keek in het ronde en aanschouwde ons met verbaasdheid als iemand, die

tot bewustzijn terugkeert. De dokter sprak van eene opperste _crisis_

en deed den priester halen. Wij verlieten de kamer. Langen tijd daarna

mochten wij weder het ziekbed naderen. Mijn vader lag met de oogen

open, en, alhoewel zijn blik nog verdwaasd was, lichtte van tijd tot

tijd daarin iets als eene genster van verstand. Eindelijk begon hij

insgelijks onduidelijke woorden te morren; mij dacht zelfs eens, dat

hij mijnen naam stamelde. Maar de dokter had ons verboden te spreken

of eenig gerucht te maken. Wij konden wel bemerken, dat mijn vader nog

immer zwaar van hoofd en zeer sluimerig was. Ook viel hij te midden

van den nacht in eenen diepen slaap, welke nog immer voortduurt. De

dokter is lang wakend bij zijn bed gebleven en heeft ons met

blijdschap gezegd, dat dit sedert de ramp nu mijns vaders eerste

natuurlijke slaap is. Hij verzekerde ons, dat mijn vader bij zijn

ontwaken veel klaarder van geest zal zijn en ons allen ongetwijfeld

zal herkennen."

"Alzoo heeft uw vader nog niet duidelijk gesproken?" mompelde de

substituut in gedachten. "En gij hebt hem nog niets kunnen vragen?"

"Wat zou ik hem vragen? Gij zegt het zoo zonderling!"

"Ja, Frederic, hij is de eenige nog levende getuige van het ongeluk op

de spoorbaan. Hij alleen kan verklaren, hoe het is gebeurd."

"Maar, substituut, het is klaar als de dag!" riep de jongeling. "De

baanwachter heeft verzuimd de barreelen te sluiten."

"Dit is niet zeker."

"Hoe niet zeker?"

"Overweeg, Frederic, dat hier de eer en de vrijheid van eenen armen

huisvader op het spel staan. Men mag niet oordeelen zonder stellige

bewijzen."

Deze bemerking scheen den jongeling spijtig te maken en te kwetsen;

verwonderd viel hij uit:

"Gij verdedigt den schuldigen bediende, die een moord beging door

zijne verzuimenis, die mijnen vader op den boord van het graf heeft

gebracht en hem gedurende acht dagen als een martelaar deed lijden?"

"Ik verdedig hem niet; maar ik ben niet overtuigd van zijne

plichtigheid."

"Had hij de barreelen gesloten, zooals hij het beweert, hoe kon dan

het ongeluk gebeuren?"

"En indien iemand de barreelen had geopend?"

"Dit is niet mogelijk, substituut. De baanwachter is gehouden, de

barreelen toe te schuiven eenige minuten slechts vóór den doortocht

van den trein. Het was een ijselijk weder; het donderde en hagelde,

als zou de wereld vergaan. Alle menschen hielden zich met angst

verscholen. Wie zou dan uit enkel vermaak den storm getrotst hebben om

de barreelen te gaan openen? Jan Verhelst had geenen enkelen vijand.

Vóór het ongeluk was hij door iedereen geacht en bemind. Neen, neen,

hij is schuldig. Ter oorzake van het schrikkelijk weder is hij in

zijnen waggon gebleven en heeft door zijne laffe nalatigheid mijnen

vader en onzen koetsier doen verongelukken."

"Laat ons hopen, Frederic, dat uw vader zal genezen. Hij alleen kan

uitspraak doen over het lot van den armen baanwachter."

"Maar, substituut, mijn vader zal niets weten te zeggen dan dat de

barreelen open waren. Gij begrijpt het immers wel? Anders toch zou

onze koetsier de tilbury niet over de spoorbaan gevoerd hebben. Ik ben

wel overtuigd, dat de rechters den trouweloozen baanwachter zullen

veroordeelen."

"Misschien! Bij gebrek aan getuigen blijft er immer twijfel."

"Ha, dit zou ik willen zien, dat men zulke schuldige nalatigheid

ongestraft liet! En om zeker te zijn, dat men de plichtigheid naar

behooren zal pleiten, wil ik mij tot burgerlijke partij opwerpen en

eenen beroemden advocaat aanstellen om wraak te eischen tegen hem,

wiens verzuimenis de oorzaak is van het bloedig ongeluk."

"Dit zou ik waarlijk niet doen, Frederic," zeide de substituut, het

hoofd treurig schuddende. "Indien de rechters den baanwachter

vrijspreken, zal het ongetwijfeld zijn, omdat zijne plichtigheid niet

genoeg is bewezen. Verschrikt u de gedachte niet, dat gij eenen

onschuldige zoudt kunnen doen veroordeelen?"

"Maar ik acht mij overtuigd, dat hij de barreelen heeft opengelaten!"

"Heb toch eenig medelijden met zijne blinde moeder en met zijne

ongelukkige kinderkens! Ach, haddet gij als ik die arme lieden gezien,

hopeloos, weenend, klagend...."

"Ik heb ze gezien, substituut. In het geheim heb ik mij tranen uit de

oogen geveegd, tranen van medelijden met het lot van zijn onschuldig

huisgezin, bovenal met het lot van zijnen zoon Sander, een goed en

verstandig kind, dat wij allen liefhadden. Maar ik heb de deernis in

mijn hart versmacht en geweld op mij zelven gedaan, om een baanwachter

te kunnen haten. Heb ik niet eenen onverbiddelijken plicht te

vervullen jegens mijnen vader, jegens onzen dooden knecht, jegens de

gansche samenleving? Zou men zulke moorddadige verzuimenis ongestraft

laten en dus medewerken om de rampen op de spoorbanen talrijker te

maken?..."

Hij werd in zijne bitsige rede onderbroken door de komst eener

dienstmeid, die hem met blijdschap zeide:

"Mijnheer Frederic, uw vader is ontwaakt; hij is veel, veel beter! Hij

zoekt u met de oogen en murmelt uwen naam."

"God zij gezegend!" juichte de jongeling. "Ik kom, ik kom!... Heer

substituut, gij begrijpt, niet waar? Ik moet u verlaten."

"Mag ik hier wachten op eene goede tijding?" vroeg de substituut. "O,

mij verblijdt het meer dan ik u zeggen kan, te mogen gelooven dat uw

vader zal genezen!"

"Blijf, blijf," riep Frederic, "heb geduld, laat de tijd u niet

vervelen; ik zelf zal u komen zeggen, hoe het met mijnen vader gaat!"

En bij het uitspreken dezer laatste woorden verdween hij achter eene

looverrijke bocht van het kronkelpad.

Gedurende tamelijk langen tijd bleef de substituut in den tuin

rondwandelen.

Eindelijk zag hij Frederic komen, die reeds uit de verte hem met de

hand wenkte.

"Welnu, hoe is de toestand uws vaders?" vroeg hij, toen hij hem

genaderd was.

"Goed, goed," kreeg hij ten antwoord, "mijn vader is bij zijn

verstand!"

"En hebt gij hem niet van het ongeluk gesproken?"

[Illustratie: Hield hem in den benedengang staan, greep zijne hand.]

"Neen, wij durfden niet; het mocht hem te zeer ontstellen, indien wij

hem den schrikkelijken dood van den koetsier bekend maakten."

"Maar dien hoeft men hem niet te melden."

"Het is gelijk, substituut, wij hebben besloten vóór de komst des

dokters van niets te gewagen. Ik heb mijnen vader gezegd, dat gij naar

zijne gezondheid zijt komen vragen en in den tuin op tijding wacht.

Mij dacht, dat hij het verlangen betuigde u te zien. Wilt gij mij

volgen?"

"Zeker, zeker!" riep de substituut met onverborgene blijdschap.

"Maar gij zult hem het ongeluk niet herinneren?"

"Neen, tenzij hij zelf er van sprak. Men kan het niet weten."

"Kom dan, substituut, ik zal u tot hem leiden."

Toen zij de deur der ziekenkamer openden, werd hun door een teeken de

stilte aangeraden. Op eenigen afstand van het bed zat mevrouw

Vereecken met eene ziekendienster. De notaris lag op den rug met opene

oogen en den blik strak en glasachtig in de hoogte gericht. Hij scheen

nog te dwalen of althans weinig bewustheid van zijnen toestand te

hebben.

Frederic naderde hem en zeide met zachte stem:

"Vader, hier is de heer Masmans, onze vriend, die u komt bezoeken."

Eerst scheen de zieke deze woorden niet te hebben gehoord; doch alsof

zijne ziel allengs ontwaakte, kwam er licht en leven in zijnen blik.

Hij liet het hoofd een weinig ter zijde hellen, bekeek den substituut

eerst vragend, dan met eenen schier onzichtbaren glimlach en poogde

zelfs de hand tot hem op te heffen.

"Goeden dag, substituut," murmelde hij. "Ach, wat ben ik ziek geweest,

zoolang, zoolang!"

"Inderdaad, notaris, gij zijt erg ziek geweest en hebt ongetwijfeld

schrikkelijk geleden," zeide de substituut; "maar, God dank, nu is het

gedaan. Gij gaat genezen. Nog eenige dagen en gij wandelt reeds in den

tuin onder de milde zon."

Bij deze troostende voorzegging glimlachte de notaris weder; doch er

liep even ras eene pijnlijke uitdrukking over zijn gelaat. Hij bracht

de waggelende hand aan de linkerzijde van zijn hoofd en mompelde

zuchtend:

"Het is nog niet gedaan! Daar heb ik pijn; mijn hoofd is aan stukken.

Ik kreeg eenen slag, eenen ijselijken slag ... Hoe?... Waar?"

Zijne huisgenooten beefden van vrees, dat de schrikkelijke herinnering

plotselijk in hem ging oprijzen. De substituut was niet min ontroerd;

maar hem klopte het hart van blijde verwachting, en hij luisterde met

gespannen aandacht.

De zieke zweeg intusschen en blikte weder in de hoogte; maar het was

zichtbaar aan den zonderlingen glans zijner oogen en het rimpelen

zijns voorhoofds, dat hij door eene onduidelijke gedachte was

aangegrepen en moeite deed om eenige klaarte in zijnen geest op te

wekken.

Eensklaps legde hij weder het hoofd ter zijde en vroeg:

"Waar is Jozef, de koetsier?"

Allen verbleekten bij deze verrassende vraag.

Frederic naderde haastig en antwoordde in schijn onverschillig:

"De koetsier is in den stal bij de paarden, vader."

"Gij moet hem wegzenden," morde de zieke.

"Hem wegzenden!"

"Onder mijne oogen mag hij niet meer komen."

"Het is wel, vader, ik zal het hem zeggen."

"Waarom zijt gij dus op uwen koetsier verstoord?" vroeg de substituut

met een geheim inzicht.

"Hij is de schuld van mijne ziekte," zeide de notaris met meer

helderheid en kracht. "Ha, nu weet ik: de donder, de hagel, de

sneltrein...."

"Uw knecht heeft de barreelen geopend?" vroeg weder de substituut.

"Ja, geopend."

"Met uwe toestemming?"

"Ik had het hem verboden; hij had gedronken, het weder was

vervaarlijk...."

"Uw knecht is dus afgestapt om de barreelen te openen?"

"Eilaas ja, ondanks mijne kreten."

"En gij zijt wel zeker, dat de barreelen gesloten waren?"

"Geheel zeker."

De substituut naderde tot Frederic en zeide hem met teruggehoudene

stem:

"Gij hebt het gehoord, niet waar? Jan Verhelst is onschuldig. Laat mij

nu toe, eenen plicht van menschenliefde en van rechtvaardigheid te

gaan vervullen. Ik verlaat u, dubbel verblijd over de genezing van den

goeden heer Vereecken en over de verlossing van een eerlijk werkman."

Frederic stond verbluft over deze onverwachte openbaring. Hij hield

den blik ten gronde gericht en antwoordde niet anders dan door een

langzaam schudden des hoofds.

Met eenen stillen groet ging de substituut ter kamer uit en daalde de

trappen af; maar Frederic liep hem achterna, hield hem in den

benedengang staan, greep zijne hand, trok hem in eene zaal en zeide

hem met de tranen in de oogen:

"Substituut, gij beschuldigt mij in uw hart van boosheid, niet waar?

Inderdaad, ik ben grootendeels de oorzaak van al wat Jan Verhelst en

zijn arm huisgezin hebben geleden. Ik heb de lieden tegen hem

opgehitst, ik heb op zijne onmiddellijke gevangenzetting aangedrongen,

ik heb hem zijne plaats van baanwachter doen ontnemen. En nogtans vóór

het ongeluk achtte ik hem en wenschte niets meer dan hem en zijne

kinderen goed te doen! Ik kan eene verontschuldiging zoeken in mijne

overtuiging, dat Jan Verhelst plichtig was ... en toch knaagt mijn

geweten, toch ben ik ontsteld, bedroefd en beschaamd, en ik wenschte

dat het mij mogelijk ware, tot welken prijs ook, het kwaad te

herstellen, dat ik deze onnoozele lieden heb aangedaan."

"Laat u dit niet zoozeer bekommeren, Frederic," antwoordde de

substituut. "Het is gemakkelijk. Zoohaast de rechter de getuigenis uws

vaders verneemt, zal hij Jan Verhelst in vrijheid doen stellen. Met

een weinig geld kunt gij hem de geledene schade vergoeden en hem zijne

smarten doen vergeten. Zoek eenen anderen post voor hem en beschut hem

onderwijl tegen allen nood. Deze lieden zijn uit natuur goed en

dankbaar; zij zullen u nog als hunnen weldoener zegenen."

"Ha, gij vertroost mij en geeft mij moed! Maar zoo ondadig wil ik niet

blijven. Ik heb wel zesmaal naar de stad kunnen loopen, om wraak tegen

Jan Verhelst te eischen. Hij was zoo gelukkig in zijnen waggon, de

eenvoudige, brave man! Kan hij zijnen post te Bolderhout niet

terugbekomen, dan zal hij er lang om treuren, wat men hem ook anders

bezorge.--Gij keert terug naar de stad, substituut?"

"Dit laat zich begrijpen."

"Onmiddellijk?"

"Zonder uitstel, Frederic. Ik begeef mij naar den onderzoekingsrechter

om een bevel van vrijstelling voor Jan Verhelst te bekomen.

Ongelukkiglijk zal de rechter op zijn buitengoed zijn. Het ligt aan de

andere zijde der stad, buiten het voorgeborcht; maar ik zal mij

haasten."

"Welnu, substituut, er is plaats in uw rijtuig. Zoo reis ik in uw

vriendelijk gezelschap. Gij zult de goedheid hebben, mij bij de

standplaats van den ijzeren weg af te zetten. Ik wil den bestuurder de

herstelling van Jan Verhelst als baanwachter gaan afsmeeken. Hij is

mijns vaders vriend en zal niet weigeren."

"Maar de nieuwe baanwachter?"

"Och, al moesten wij dien jaren lang onderhouden, totdat hij eenen

anderen goeden post heeft, wat beteekent dit in vergelijking van den

smaad en de smart, welke ik onschuldige lieden heb aangedaan?"

"Het is waar, Frederic. Wat gij zegt, komt uit een edel hart."

"Ziehier mijn voornemen, substituut. Gij zult mij een bewijs van

toegang tot de gevangenis geven. Ik zal mij haasten, en kan ik de

eerste zijn, die Jan Verhelst de goede tijding breng, het zal mij

gelukkig maken. Rijdt gij intusschen naar den onderzoekingsrechter en

kom met de vrijstelling naar de gevangenis. Vindt gij mij daar niet,

wacht op mij; want ik wil deel hebben in de verlossing van het

slachtoffer mijner noodlottige dwaling. Ga nu, substituut, doe nu in

allerhaast uw rijtuig inspannen en kom mij hier halen. Ik zal dan de

noodige voorzorgen genomen hebben om eenige uren afwezig te kunnen

zijn."

Dus sprekende, leidde hij den subtituut door den hof tot vóór het hek.

Bij zijn terugkeer ontmoette hij den hovenier en zeide hem met eene

soort van geestdrift:

"Jacob, jongen, wat ik u zeggen ga, zal u verblijden. Gij waart een

goed vriend van Jan Verhelst en gij hebt nooit willen gelooven, dat

hij schuld had aan de ramp op den ijzeren weg...."

"Ik geloof het nog niet, mijnheer," mompelde de hovenier.

"Welnu, gij hadt gelijk; mijn vader heeft gesproken. Het is Jozef, de

koetsier, die de barreelen heeft geopend. Hij had te veel gedronken en

wilde naar het verbod mijns vaders niet luisteren."

"Hoezee, hoera! Leve Jan Verhelst!" riep de hovenier, ten teeken van

blijdschap zijne muts in de hoogte werpende.

"Wees stil en luister," zeide Frederic. "De lieden van Bolderhout

hebben Jan Verhelst veel smaad aangedaan. Hij zal morgen hier

terugkeeren. Ga in het dorp rond, maak zijne onschuld bekend, opdat

hij met vriendschap en eer onthaald worde, zooals het behoort."

"Mijnheer, mijnheer, mag ik mijne goesting eens doen?" vroeg de

hovenier.

"Ja, ik wensch dat men Jan Verhelst zijn ongeluk doe vergeten."

"En indien het al eenige franken moest kosten, mijnheer?"

"Daar moogt gij niet op zien; ik geef u volle vrijheid."

"Ha, ha, het zal er stuiven, morgen!" juichte da hovenier. "Hoera,

hoera, leve Jan Verhelst!"

En met de handen in de lucht wemelende, liep hij vol blijdschap het

dorp in.

V

Het was wel elf uren in den morgen, als Mie-Wanna met de blinde

grootmoeder en met de kinderen de stad bereikte.

Zij hadden gedraafd, gehuppeld, gezweet; het rood der vermoeidheid

gloeide op hunne wangen; zij hijgden naar adem, maar toch waren zij

vroolijk en glinsterde in hunne oogen de vonk der gelukkige

verwachting.

Zelfs het gezicht der sombere muren van het eeuwenoud gevangenhuis, de

ijzeren traliën aan zijne benedenvensters, de huiveringwekkende

schietgaten in zijnen gevel vermochten het niet, hunne blijdschap te

verminderen. Slechts ééne gedachte hield hen gansch verslonden: nog

eenige minuten, en zij zouden den welbeminden vader, den zoon, den

echtgenoot aan den hals hangen!

Verstout door het bezit der toegangkaart, haar door den substituut ter

hand gesteld, trok Mie-Wanna zonder aarzelen aan de bel.

De poort werd half geopend.

"Wat moet gij hebben?" vroeg de portier droogweg en het arm huisgezin

met mistrouwen bekijkende.

Maar zoohaast hij het kaartje had gezien, opende hij de poort geheel

en zeide even kort:

"Komt binnen. Ga daar in die kamer en wacht."

Zij traden in het aangewezen vertrek. Hun hart klopte fel, want zij

meenden, dat de portier den gevangene was gaan halen.--De kinderen en

de grootmoeder staken reeds, zonder het te weten, de armen tot de

vurigste omhelzing uit.

Daar hoorden zij het geklingel van sleutels; een ander bediende opende

de deur.

"Wie is hier de vrouw van den genaamden Jan Verhelst?" vroeg hij.

"Ik, mijnheer, om u te dienen," antwoordde Mie-Wanna.

"Ik heb bevel u tot uwen man te leiden; volg mij."

"Komt, kinderen; kom, grootmoeder," riep Mie-Wanna; "wij gaan

vader...."

"Ho, ho, zoo niet," onderbrak de sleuteldrager, met de armen open hen

terughoudende. "Gij alleen, echtgenoote Verhelst, moogt mij volgen."

"En mijne arme kinderen, o hemel?"

"Die blijven hier in deze kamer, totdat gij wederkeert."

"En ik, zijne blinde moeder? Heb medelijden, om Gods wil!"

"Mijn bevel is zoo. Staakt die nuttelooze klachten."

Allen stonden verbaasd, verbluft en bleek; zij lieten het hoofd

zuchtend op de borst vallen: een donderslag hadde hen niet geweldiger

getroffen dan deze wreede teleurstelling.

Mie-Wanna bedwong eerst hare wanhoop en smeekte met saamgevoegde

handen:

"Ach, vriend, gij zijt toch ook een christenmensch. Denk eens, die

arme Jan Verhelst! Hij zou weten, dat zijne blinde moeder en zijne

kinderen--die hij liefheeft als het licht zijner oogen--zoo dicht bij

hem zijn, en hij zou ze niet mogen omhelzen! Wel, wel, het was genoeg

om zijn hart van verdriet te doen barsten. Zie die ongelukkige

schaapkens in tranen smelten! Zijne oude blinde moeder zal kwalijk

vallen.... Wees barmhartig: God zal het u loonen in Zijnen hemel!"

"Medelijden, o medelijden!" kreet de grootmoeder.

Maar wat ze ook baden en smeekten, de sleuteldrager, alhoewel schier

minzaam in zijne woorden, bleef koel en onverbiddelijk. Hij had bevel

ontvangen om vrouw Verhelst bij haren man te brengen, en onder geen

voorwendsel hoegenaamd mocht hij dit bevel te buiten gaan.

"Moeder, kinderen lief, weent zoo bitter niet," zeide Mie-Wanna met

verkropte stem. "Ons lot is wreed, maar wij moeten ons onderwerpen aan

den wil des Heeren. Ik zal tot vader gaan, hem omhelzen voor ons

allen, hem troosten in uwen naam en u zijne zoete liefdewoorden

overbrengen. Ik mag hem niet langer laten wachten, den armen

gevangene! Heb moed en houdt u sterk. Sander, let wel op Barbeltje

totdat ik wederkeer."

Zij zette het kindje den jongen op den arm en riep met eene soort van

koortsige gelatenheid, terwijl zij ter deur uitstapte:

"Kom, kom, mijnheer, ik volg u."

Zij waren reeds een eind verre door eenen somberen gang gevorderd,

toen de sleuteldrager met medelijden haar zeide:

"Zoo, zoo, gij zijt de vrouw van Jan Verhelst, den baanwachter, die

den dood van twee menschen heeft veroorzaakt door verzuimenis van

zijnen plicht?"

"O, mijnheer, het is niet waar. Wees zeker, hij had de barreelen

gesloten."

"Natuurlijk, anders moogt gij niet spreken. Ik beklaag uw lot, vrouw.

Wat gaat gij doen met uwe arme kinderen en uwe blinde moeder?"

"Maar gij meent dus, dat mijn arme man zal veroordeeld worden?"

"Twijfel daar niet aan, vrouw; poog u aan de droeve gedachte te

gewennen; het zal u dan minder wreed zijn, als gij zijn vonnis hoort

uitspreken."

Mie-Wanna, gefolterd en diep gekwetst, meende in bittere klachten over

de onrechtvaardigheid der menschen uit te vallen; maar daar zag zij

haren geleider den sleutel op eene kleine zwarte deur steken. Hare

smart was verdwenen, hare oogen begonnen te glinsteren, haar hart

klopte hoorbaar ... en haar ontsnapte een schallende kreet--mengsel

van blijdschap en van angst--toen zij in de halve duisternis des

kerkers het vermagerde gelaat van haren man ontwaarde.

Zij sprong hem aan den hals en bezwijmde bijna van ontsteltenis op

zijne borst.

"Een half uur moogt gij te zamen zijn," zeide de sleuteldrager, "ik

blijf vóór het kijkgat de wacht houden en zal u komen halen, vijf

minuten vóór twaalf uren, zoo is mijn bevel."

De baanwachter drukte zijne echtgenoote eene wijl zwijgend in de

armen. Stille tranen ontvloten beider oogen, en toen hun de spraak

terugkwam, konden zij nog niets anders zeggen dan: "Goede Mie-Wanna,

beminde vrouw! Jan, Jan lief!"

Nadat zij in onduidelijke en afgebrokene woorden hunne blijdschap van

elkander weder te zien hadden uitgestort, leidde de gevangene zijne

vrouw naar het bankje, zette zich nevens haar en nam hare hand in de

zijne.

"Laat ons moed hebben, Mie-Wanna," zeide hij. "Ons is slechts een half

uur gegund, en wij hebben van zooveele, van zulke gewichtige dingen te

spreken! Gij bekijkt mij wel treurig? Gij vraagt mij, waarom ik zoo

vermagerd ben op die weinige dagen? Het is, omdat ik niets, niets van

u, noch van de kinderen mocht vernemen. Nu ben ik getroost en gevoel

mij sterk. Zeg mij eerst, ik bid u, hoe is het u gegaan in mijne

afwezigheid? Is moeder niet ziek geworden? En de kinderen? Zal de

notaris genezen? Wie bewaakt nu de barreelen?"

"Moeder en de kinderen zijn gezond," antwoordde Mie-Wanna, aarzelende.

"Zegt uw hart niet, Jan, dat ze dicht bij u zijn?"

"Hoe, dicht bij mij? Wat wilt gij zeggen?"

"Ze zitten in eene kamer bij de poort van het gevangenhuis te wachten

... en te weenen. Och, arme, zij waren gekomen met de hoop van u te

mogen omhelzen, en zij mogen u niet zien!"

Nieuwe tranen vloeiden haar over de wangen.

"O, God, mijne arme schaapkens van kinderen, wat hebben zij toch

misdaan!" morde Jan Verhelst. Maar hij beheerschte zijne smart en

zeide met besluit:

"Mie-Wanna, versmachten wij ons verdriet, bedwingen wij onze tranen

met geweld. De tijd vervliegt. Gauw, zeg mij, hoe gij zijt gevaren

sedert mijn vertrek; dan zal ik u van ernstige dingen spreken."

De bedrukte vrouw scheen hem te begrijpen; want zij schudde het hoofd

koortsig, als kwame zij in opstand tegen haar verdriet, en antwoordde

haastig:

"De notaris was gisterenavond zeer slecht. Men vreesde, dat hij den

nacht niet zou doorbrengen. Grootmoeder is niet ziek geworden. Ik heb

haar en de kinderen moed gegeven en getroost door de hoop, dat gij

zult vrijgesproken worden. Ik had zelve de koorts van schrik en

wanhoop; maar ik gevoelde wat ik als moeder te doen had, en veinsde

mij sterk om de anderen te troosten. Er is een nieuwe baanwachter

benoemd...."

"Eilaas!" zuchtte Jan Verhelst, "onze lieve waggon, ons hoveken, ons

land, de school van onzen Sander, verloren, verloren voor altijd! Wij

waren te gelukkig; het kon niet blijven duren.... Ga voort,

Mie-Wanna."

"De nieuwe baanwachter is een goedhartig man; hij wilde ons in den

waggon laten wonen tot na de uitspraak van het gerechtshof; maar de

lieden van Bolderhout vervolgden ons onmeedoogend en deden mij en onze

onnoozele kinderen zooveel smaad aan, dat wij besloten hebben, hier in

de stad een paar kamerkens te huren."

"Maar, o hemel, vrouw, hoe zijn de lieden van Bolderhout eensklaps zoo

boos en zoo wreed geworden, zij, die ik aanzag voor de beste menschen

der wereld?"

"Het is de schuld van Mr. Frederic Vereecken. Die loopt nu van den

morgen tot den avond rond om iedereen tegen u en tegen ons aan te

hitsen. Zie, Jan, ik heb het nooit gedacht; maar Mr. Frederic is een

slecht mensch, en zeker, de Heer van hierboven zal hem straffen voor

het kwaad, dat hij ons aandoet."

"Ach, Mie-Wanna," mompelde de baanwachter, "de arme jongeling ziet

zijn vader sterven. Hij meent, dat ik de oorzaak ben van zijnen dood.

Hij was altijd zoo goed en zoo minzaam voor ons. Waarlijk, de smart

doet hem dwalen; ik heb medelijden met hem."

"Slechts twee vrienden zijn ons op de wereld trouw gebleven in ons

ongeluk," hernam de vrouw. "En God heeft ons eenen edelmoedigen

beschermer gezonden om ons te troosten. Het zijn Jacob, de hovenier

van den notaris, de schoolmeester van Sander en de substituut van het

tribunaal. Wat is dit toch een goedhartig heer! Hij was het, die mij

eene kaart gaf om u te mogen bezoeken. Ik zal hem zegenen tot op mijn

doodbed. Hij heeft u insgelijks in de gevangenis getroost, niet waar?"

Jan Verhelst antwoordde niet en scheen zijne krachten tot eene

plechtige samenspraak te verzamelen.

Hij vatte weder hare hand en zeide met aangrijpende ernst:

"Mie-Wanna, ik ben verplicht u diep te bedroeven; maar

menschen--onmachtig en ellendig als wij--moeten opstaan tegen het

wreede lot en sterk blijven tot het einde. Vrouw lief, de wil van God

is ondoorgrondelijk; er onder bukken met gelatenheid is alwat wij

kunnen. Luister dus kalm en beraden op hetgeen ik u ga zeggen. Er zijn

geene getuigen om mijne onschuld te bewijzen: ik zal veroordeeld....

Ween niet, Mie-Wanna; het kan er niet aan helpen; gij zijt moeder,

denk aan onze kinderen...."

"Arme Jan," klaagde de vrouw, "gij goed, braaf mensch, gij zoudt in

het kot blijven, jaren en jaren!"

"Neen, slechts twee jaren. De almoezenier, die mij bezocht, heeft mij

uitgelegd, dat dit de straf is, door de wet voor een moord door

nalatigheid. Twee jaren zijn zoo gauw verloopen! Was het niet het

droevig lot onzer kinderen, het verlies van mijnen post te Bolderhout

en, eilaas, het verlies mijner eer, ik zou met verduldigheid mijn

vonnis aanvaarden.... Hebt gij reeds overwogen, Mie-Wanna, wat gij

gedurende den tijd mijner gevangenis zult doen?"

"Ik zal mij de vingers van de handen werken, Jan. En met Gods

hulp...."

"Werken, gij, goede engel?" riep de baanwachter met tranen van

bewondering in de oogen. "Werken? Maar al slaafdet gij u dood, gij

kunt toch den kost niet winnen voor u zelve, voor grootmoeder en voor

drie kinderen. Ik heb er dagen en nachten op nagedacht. Hier dient een

moedig besluit genomen te worden, hoe pijnlijk de droeve

noodzakelijkheid ook door uw liefderijk hart moet snijden. Ziehier wat

gij behoort te doen. Ik zal de hulp van den goeden heer substituut nog

inroepen, en de meestergast van het werkhuis in de standplaats zal

zich herinneren, dat hij vroeger mijn beste vriend was. Grootmoeder

zal naar een godshuis, totdat ik terugkeer...."

"O, dat is schrikkelijk, Jan, uwe blinde moeder naar een godshuis!"

"Het moet gebeuren, Mie-Wanna. Dit is evenwel het wreedste niet.

Sander zult gij bij u houden; maar Barbeltje moet gij naar mijne

zuster te Vilvoorden dragen. Zij zal uit medelijden het kind wel

gedurende twee jaren houden.... Gij weent, Mie-Wanna! Ik begrijp wel,

dat uw hart verscheurd wordt, maar de nood is onverbiddelijk....

Driesken moet gij bij uwen ouden oom, den wagenmaker, doen.--Sander

zal leerjongen worden in het groote werkhuis en al spoedig een beetje

geld winnen.... Zoo zult gij, zonder u ziek te maken en--en zonder te

moeten bedelen, zegevierend tegen het onrechtvaardig lot kunnen

worstelen, totdat ik wederkeer.... Kom, vrouw lief, schrei zoo bitter

niet en schep een beetje moed!"

Mie-Wanna zweeg; zij smolt in tranen, snikte luid en scheen door eene

zenuwkoorts aangegrepen. Haar man had haar in den arm genomen en

poogde door zoete woorden haar uit den afgrond der smart op te beuren.

"Denk dat de nood ons dwingt," murmelde hij.

"Anders, hoe zou ik kunnen toestemmen om u als een wreede beul te

martelen, u, die ik eer en bemin als het beeld der hoogste goedheid en

der zuiverste liefde! Uwe tranen doen mij het hart bloeden."

"O, Jan, Jan," kreet zij, "ik geloof dat ik zinneloos word.... Laat

mij weenen, laat mij snikken, of ik stik er in! Ben ik dan geene

moeder? Zoo van al mijne kinderen gescheiden? Elk zal weggaan met een

stuk van mijn leven. Zal ik dan niet bezwijken, niet sterven? O, God,

hebt Gij ons geheel verlaten? Is er geen medelijden meer in den hemel

voor rampzaligen als wij?"

De deur des kerkers werd geopend, en de sleuteldrager, die tot dan

vóór het kijkgat op wacht had gestaan, trad binnen.

"Het halfuur is verloopen," zeide hij. "Vrouw, kom, volg mij zonder

uitstel."

Een scheurende kreet bonsde op uit de angstige borst van Mie-Wanna.

"Hem verlaten, verlaten?" riep zij als krankzinnig. "Neen, neen! Ruk

mij de armen van het lijf. Ik geef om niets meer: ik smeek om den dood

als om eene opperste weldaad!"

De sleuteldrager vatte haar den arm, en terwijl hij haar poogde weg te

leiden, mompelde hij aan des baanwachters oor:

"Wees redelijk, vriend, en help mij. Er is niets aan te doen: mijn

bevel is zoo."

Jan Verhelst slaakte eenen doffen kreet en liet het hoofd als

verpletterd op de borst zakken. Geweld plegen om zijne ongelukkige

vrouw te verwijderen, ach, daartoe had hij geene kracht!

Mie-Wanna worstelde eene wijl tegen den sleuteldrager; doch op de

smeekingen van haren man verzaakte zij eindelijk allen weerstand,

borst in overvloedige tranen los en zuchtte:

"Leid mij weg; alles is mij onverschillig...."

Maar daar verscheen eensklaps tot aller verbaasdheid een heer in de

deur des kerkers, en Mie-Wanna deinsde schrikkend terug, terwijl zij

met afgrijzen in de oogen uitriep:

"Frederic! onze vervolger, onze beul!"

De jonge heer Vereecken trad nader en, zich tot den gevangene

keerende, zeide hij met diepe ontroering in de stem:

"Verhelst, gij hebt recht om mij te haten; ik heb u veel kwaad gedaan,

ik weet het; maar schenk mij uwe vergiffenis, want ik breng u geluk,

eer en vrijheid weder!"

De baanwachter en zijne vrouw bekeken hem met ongeloof; maar zij

beefden en waren bleek van angstige afwachting.

[Illustratie: Leve Sander! Leve Sander! hoera! hoera!]

"Mijn vader zal genezen," hernam Frederic. "Hij heeft gesproken en uwe

onschuld verklaard. Onze koetsier had tegen mijns vaders wil de

barreelen geopend. Nu is de heer substituut naar den rechter om een

bevel van vrijstelling voor u te bekomen. Twijfel niet langer: heden

nog verlaat gij de gevangenis!"

Dan eerst vielen de baanwachter en zijne vrouw met zinnelooze vreugd

in elkanders armen, en zij mompelden zegenend den naam van God, die in

Zijne goedheid zich hunner had erbarmd op het oogenblik zelf, dat alle

hoop hun was ontsnapt.

"Gelieft mij nu aan te hooren," zeide de jonge heer Vereecken. "Dat

gij eer en vrijheid terugbekomt, schijnt u het opperst geluk. Het is

niet genoeg voor mij. Ik heb slecht jegens u gehandeld, omdat ik u

schuldig waande; maar nu wil ik zooveel mogelijk het kwaad en de

schade herkoopen, welke gij door mij hebt geleden. Laat uw toekomend

lot u niet meer bekommeren. Ik ben reeds naar den bestuurder van den

ijzeren weg geweest, om u in uwen post te Bolderhout te doen

herstellen. Ongelukkiglijk was de bestuurder niet te huis; ik zal hem

evenwel vandaag nog spreken. Hoe het zij, ik wil u helpen, u steunen,

u beschermen, totdat gij zelf mij zegt: "Wij zijn voldaan." Voor de

toekomst van uw goeden zoon Sander blijf ik verantwoordelijk, en

mochten uwe andere kinderen ooit iets noodig hebben, ik zal mijn

gansch leven gereed staan om aan hen mijne schuld jegens hunnen braven

vader te betalen. Er woont een nieuwe bediende in uw wachthuis. Heden,

zoohaast gij uwe vrijstelling hebt bekomen, breng ik u allen naar eene

goede herberg in de stad, en daar zult gij blijven, totdat ik te

Bolderhout eene woning voor u heb doen bereiden."

Jan Verhelst en Mie-Wanna vlogen elkander meer dan eens in de armen en

mompelden woorden van vreugd en dankbaarheid.

"Ach, hoe kan het lot van een mensch zoo keeren!" zuchtte de vrouw.

"Een oogenblik is het geleden: mijn hart brak, ik weende over u en

over onze kinderen ... en daar zijn wij nu allen weer gelukkig als

engelen in den hemel!"

"Welnu, Verhelst, schenkt gij mij uwe vergiffenis?" vroeg de

jongeling.

"Maar, mijnheer Frederic, ik heb u nooit in mijn hart beschuldigd,"

antwoordde de baanwachter. "Integendeel, ik had medelijden met uw

ijselijk verdriet. Dat mijne vrouw het getuige!"

"Het is waar, mijnheer," bevestigde Mie-Wanna. "Ik heb u beschuldigd,

ik was tegen u verstoord; maar nu zie ik wel, dat ik mij heb bedrogen.

O, gij zijt nog altijd even goed!"

"Dank, dank," murmelde Frederic diep getroffen. "Geeft mij de hand,

goede lieden. Ik zal u een vriend zijn en blijven. Uw lot moet

verbeterd worden. Zeg, Jan Verhelst, wat wenscht gij?"

"De vrijheid, de vrijheid, mijnheer."

"Natuurlijk, maar dit wil ik niet zeggen."

"O, mocht ik in mijnen post te Bolderhout hersteld worden en met mijne

vrouw en kinderen terugkeeren naar mijn hoveken, naar mijn land!"

"Ik twijfel niet, of ik zal dien al te nederigen wensch kunnen

vervullen. Wat uwe vrijheid betreft, die zal u straks door den

substituut...."

Eenige verwarde stemmen lieten zich in den verren gang vernemen.

"Hemel, hemel, wat hoor ik?" kreet de baanwachter. "Mijne kinderen?

Mijne moeder?"

Die woorden waren hem nauwelijks ontvallen, of daar stormde zijn

huisgezin juichend en met de handen uitgereikt in den kerker.

"Vader, vader lief, vrij, vrij!" was alles wat hij hoorde, terwijl hij

schier bezweek onder de streelingen der twee kleine jongens, die,

uitgelaten van blijdschap, hem op armen en schouders klauterden. In de

koortsige, woeste omhelzing vermengden en verwarden zij zich allen--de

blinde moeder niet uitgesloten--tot eenen klomp, waarin de vurige

liefdekussen bij honderden werden gewisseld. De substituut, die de

kinderen en de blinde met zich had gebracht, toonde nu een papier en

zeide:

"Jan Verhelst, ziehier uwe vrijstelling. Ik ben gelukkig, te kunnen

bijdragen om de onschuld van een eerlijk en braaf werkman te doen

blijken."

Mie-Wanna rukte zich los en liet zich geknield vóór den substituut

nedervallen.

"Gij, mijnheer, gij zijt onze verlosser!" riep zij uit. "O, God zal u

eenen zoeten, zaligen dood laten sterven; want wij allen en mijne

kinderen, wij zullen voor u bidden, eiken dag, jaren en jaren!"

De grootmoeder trad vooruit en tastte in de ruimte. Met bevende stemme

smeekte zij:

"O, mijnheer, ik ben blind; mijne oogen kunnen u niet zien. Laat mij

toch de handen voelen van den edelen man, die ons, arme ellendige

lieden, als een broeder heeft geholpen."

De substituut reikte haar de hand; zij greep ze met koortsige

blijdschap en bracht ze aan hare lippen. Uit hare levenlooze oogen

viel een traan, die als een parel der dankbaarheid op zijne vingeren

bleef glinsteren.

"Gij zijt vrij, verlaat nu dezen kerker; niemand zal u tegenhouden,"

zeide de substituut. "Ik heb hier nog iets te verrichten en wensch u

allen vaarwel."

Hij ging ter deur uit, als hadde hij haast om aan de dankbetuigingen

dezer gelukkige lieden te ontsnappen.

"Komt nu met mij naar de herberg," zeide Frederic. "Daar wacht u een

goede maaltijd en eene flesch wijn, om uwe verlossing te vieren."

Allen volgden hem.

Toen de groote poort van het gevangenhuis voor hen werd geopend,

sprong Jan Verhelst er uit. Omringd van zijn juichend huisgezin,

hijgde hij eenige malen bij machtige teugen, als wilde hij zijne borst

met de zoete lucht der vrijheid opvullen. Dan hief hij de armen en

oogen ten hemel, mompelde eene bede, liep vooruit en riep:

"Vrij, ik ben vrij! hoera! hoera!"

"Hoera, hoera! Vader is vrij!" herhaalden zijne kinderen, en zij

huppelden hem achterna met kreten van blijdschap en zwaaiden jubelend

hunne mutsen in de lucht.

De baanwachter · 第 6 / 7 题