Reeds zeven dagen zat de baanwachter in de nauwe cel der gevangenis
opgesloten. Hij wist niets aangaande het lot zijner vrouw en kinderen
of aangaande den toestand van den gekwetsten notaris.
Eens had men hem in de geslotene dievenkoets naar het justitie-paleis
gevoerd, en hij was daar in het kabinet van den onderzoekingsrechter
gedurende meer dan een uur ondervraagd en bedreigd geworden op zulke
strenge en voor hem wreede wijze, dat de arme man in zijnen kerker was
teruggekeerd met de vaste overtuiging, dat hij niettegenstaande zijne
onschuld zou veroordeeld worden.
In het geloof dat de baanwachter plichtig was en hem door een
verdichtsel poogde te bedriegen, had de rechter bevolen, dat hij in
het volledigste _geheim_ zou gehouden worden. Diensvolgens was alle
betrekking met lieden van buiten hem ontzegd, en niemand mocht hem
eenige tijding brengen. Hij had in de gevangenis gedurende de eerste
dagen geen ander levend wezen gezien dan den sleuteldrager, een stom
en somber menschenbeeld, dat om zijn eten te brengen of hem te
bewaken, ging en kwam als een spook zonder gevoel of spraak.
Gisteren was de aalmoezenier hem wat godsdienstigen troost komen
brengen, doch uit hem had hij niets vernomen.
Wie zou het lijden, de zielsmarteling kunnen beschrijven van den
onschuldigen Jan Verhelst, die in het _geheim_ lag bedolven als in een
gesloten graf, terwijl zijne vrijheid en zijne eer, misschien het
leven van hem dierbare wezens waren bedreigd? Geen middel tot
verdediging, geene stem om hem moed te geven, geen vriendenhart om
zijne klachten met deernis aan te hooren! Wat doen zijne vrouw en
kinderen? Heeft men ze niet uit hunne nederige woning verdreven? Is
zijne blinde moeder ziek ... of dood?
Zijne hersens zijn door het zwoegend denken in de lange eenzaamheid
ontsteld; hij verbeeldt zich alles zwart en schrikkelijk; zijne
droomen zijn als eene voortdurende nachtmare geworden. Nu eens ziet
hij zijn snikkend huisgezin in den waggon rondom het sterfbed zijner
oude moeder geknield zitten, dan hoort hij de wanhoopskreten zijner
goede vrouw of leest op het stil en zoet gelaat van zijnen Sander, hoe
diep de schaamte het verstandige kind in het harte bijt.... Erger nog:
hij is veroordeeld, en van uit den kerker, waarin hij voortaan zal
leven, ziet hij zijn verlaten huisgezin in de straten dwalen en de
hand uitsteken--bedelen om wat brood!
Dit ijselijk lijden had Jan Verhelst als eene heete koorts vermagerd;
hij, de gezonde, de sterke smid, was nu bleek als een kranke, en zijne
ingevallen wangen en weggezonken oogen maakten hem schier onkennelijk.
De morgen van den zevenden dag was sedert een paar uren aangebroken.
Jan Verhelst zat op zijne bank met de handen vóór het aangezicht. Eene
akelige stilte omringde hem; men zou gezegd hebben, dat geen ander
levend wezen in het donkere gebouw ademde.
Hij evenwel wist in die doodsche stilte nog geruchten te
onderscheiden; want nu en dan keek hij op en luisterde met overspannen
aandacht; maar telkens liet hij weder onder het slaken van eenen zucht
het hoofd op de borst zinken. Eens zelfs sprong hij recht en deed
eenige stappen naar de deur, terwijl een glimlach van verlangen op
zijne lippen zweefde.
Waarschijnlijk verwachtte hij nu iemand anders dan zijnen gewonen
bewaker; want hij keerde teleurgesteld naar zijne bank weder en
klaagde luid:
"IJdele hoop, hij zal niet komen! Iedereen acht mij schuldig, iedereen
haat en vermaledijdt mij. Hij insgelijks misschien!... Zou de
aalmoezenier mijne boodschap wel overgebracht hebben? Barmhartige God,
hoelang zal die pijniging nog duren? Laat hen mij veroordeelen, indien
Uw heilige wil het zoo heeft besloten. Ik zal mij onderwerpen en
geduldig lijden, maar, o Heer, hef toch den steen van mijn akelig
graf! Dat ik weten moge, wat er van mijn ongelukkig huisgezin geworden
is."
Wel een gansch half uur bleef hij roerloos zitten en had ongetwijfeld
alle hoop opgegeven; want ofschoon nu en dan een ver gerucht in de
gevangenis zich liet vernemen, scheen hij daaraan onverschillig
geworden en bleef in zijne droeve gepeinzen bedolven. Eensklaps
krijschte er een sleutel in het slot zijner cel. Dan sprong hij op, en
toen hij bemerkte wie het was, die met den waker binnentrad, borsten
hem de tranen van blijde ontsteltenis over de wangen.
"Dank, heer substituut," riep hij snikkende, "o dank, dat gij het
gebed van eenen rampzalige als ik niet hebt verstooten! God zal u
loonen voor deze weldaad!"
"Bedaar toch," zeide de substituut op zachten toon. "Gij deedt mij
verzoeken tot u te komen. Hebt gij mij iets bijzonders te zeggen
aangaande uwe droeve zaak?"
"Och, mijnheer," kreet de baanwachter met gevouwen handen, "kan men
het _geheim_ niet opheffen? Wist gij, hoe ik hier, zoo de wereld
geheel afgescheiden, lig te sterven van angst en wanhoop! Ik weet nog
niets van mijne blinde moeder, van mijne vrouw, van mijne arme
kinderen. Geef mij tijding van hen, en ik zegen uwen naam tot op mijn
doodbed!"
"Het is mij onmogelijk, u eenig nieuws van hen te geven," antwoordde
de substituut, "aangezien ik sedert den dag der ramp op den ijzeren
weg niets van hen heb vernomen. Maar wees evenwel getroost: namiddag
moet ik juist om eene andere zaak naar Bolderhout, en ik zal
inlichtingen over uw huisgezin nemen. Dezen avond of morgen vroeg zult
gij hunnen toestand kennen."
"O, kondet gij gevoelen hoe gelukkig gij mij maakt!" kreet de
baanwachter. "Gij zijt als een troostengel, door God mij gezonden. Het
_geheim_, mijnheer, wanneer het op een onschuldigen huisvader drukt,
is eene wreede pijnbank, eene hel waarvan de gruwelijkheid niet is te
beschrijven. Welke onmenschelijke uitvinding, de ongelukkigen dus
levend te begraven! Gij zijt goed, mijnheer; maar heeft de rechter dan
geen hart?"
"De rechter doet zijn plicht," kreeg hij ten antwoord. "Het geheim is
zeer dikwijls het eenige middel om tot de kennis der waarheid te
geraken, en zonder deze strenge afzondering der verdachten zouden vele
misdadigers van de ergste soort ongestraft blijven. Het welzijn der
maatschappij is eene opperste, doch soms wreede wet."
"De rechter gelooft mij dus schuldig, mijnheer?"
"Waarschijnlijk."
"En gij, heer?" kreet de baanwachter met angst. De substituut haalde
schier onzichtbaar de schouders op.
"Hemel! gij, de goedhartige, de edelmoedige, gij twijfelt? Er is dus
geene genade meer voor mij? Veroordeeld zal ik worden? Mijn huisgezin
zal gebukt gaan onder de schande en verkwijnen in ellende?"
"Dit zeg ik niet. Ik hoop, dat het gerechtshof u zal vrijspreken; maar
ik mag over uwe zaak geen persoonlijk oordeel strijken, vooraleer ik
de stukken van het onderzoek met aandacht heb gelezen. Niemand toch
weet te verklaren, hoe het ongeluk voorgevallen is; het schijnt
iedereen onmogelijk, dat eene tilbury op den ijzeren weg komt, wanneer
de barreelen gesloten zijn. Er is een man van Bolderhout, die beweert,
dat hij eens de barreelen bij uw wachthuis heeft open gezien, terwijl
de trein voorbijreed...."
"Het is eene valschheid!" kreet Jan Verhelst.
"Een ander verklaart, dat gij nu en dan u aan den drank overgaaft."
"Welke snoodheid! Ik heb nooit meer dan een enkel glas bier, en zeer
zelden dan nog, op eenen zelfden dag gedronken!"
"Het is ijdel gepraat ongetwijfeld, en het gerecht zal daaraan weinig
gewicht toekennen. Men is op zoek naar ernstigere getuigen; dan, of
men zulke wel zal vinden?"
"Maar de notaris? Hij is mijn weldoener; hij zal mij niet laten
veroordeelen," riep de baanwachter.
"De notaris ligt nog immer in doodsgevaar, zooals men mij
gisterenavond zeide. Of hij reeds gesproken heeft, weet ik niet. In
alle geval zal hij uwe onschuld niet verkondigd hebben, want zijn zoon
dringt meer dan ooit op uwe vervolging aan en roept overal om wraak
tegen u. Dat u dit echter niet te zeer verschrikke; mij dunkt het
waarschijnlijk, dat het gerechtshof u vrij zal spreken, indien het
onderzoek geene nieuwe bezwaren tegen u aan den dag brengt."
De baanwachter liet zich verpletterd en moedeloos op de bank vallen.
"O mijn God," klaagde hij met bittere tranen, "hoe is het mogelijk? Ik
heb gedurende mijn gansche leven geslaafd en gezwoegd als een eerlijk
werkman; ik heb een lid verloren om een mensch het leven te redden;
nooit heb ik iets misdaan, en nu haat iedereen mij, als ware ik een
snoode booswicht? De lieden van Bolderhout hebben mij vermaledijd en
wilden mij met slijk werpen; nu betichten zij mij van dronkenschap; de
zoon van den notaris, die mij achting toedroeg en mij meer dan één
bewijs zijner goedheid gaf, eischt mijne veroordeeling! Ach, zou er
dan in het hart van den besten mensch zooveel onrecht en boosheid
verborgen liggen?"
"Integendeel," wedersprak hem de substituut, "het is eene hulde, door
hen aan de deugd gebracht. Zij achten u schuldig; zij betreuren het
lot van den notaris, dien gij zelf uwen weldoener noemt en zij haten
en vermaledijden niet uwen persoon, maar de noodlottige verzuimenis,
waardoor gij, volgens hunne meening, den dood van twee menschen hebt
veroorzaakt. Spreekt het gerechtshof u vrij, dan zullen zij
ongetwijfeld door meer vriendschap en achting u doen vergeten, dat zij
u onrechtvaardig hebben beschuldigd."
Jan Verhelst, verbluft en gansch ontmoedigd door den twijfel, dien de
substituut over zijne onschuld had laten blijken, bleef gevoelloos aan
den troost en vergoot overvloedige tranen.
Eene wijl beschouwde de substituut hem met medelijden en zeide dan:
"Kom, ik moet u nu verlaten; heb vertrouwen en wanhoop niet. Ik zal
tot den onderzoekingsrechter gaan en van hem pogen te verkrijgen, dat
uwe vrouw toegelaten worde u in de gevangenis te bezoeken."
Met eenen gil van blijdschap opspringende, greep de baanwachter de
hand van den substituut en kuste ze in zijne uitgelatenheid.
"Ik worde veroordeeld of niet, dat God u zegene!" mompelde hij. "Ja,
ja, mijnheer, poog eenen ongelukkige die onschatbare weldaad te
bewijzen! Ik val geknield ter aarde en zal bidden en den hemel om hulp
aanroepen, opdat hij uw edelmoedig woord eene onweerstaanbare kracht
verleene! Dank, o dank!"
En hij zonk werkelijk ten gronde en hief de armen in de hoogte.
Bij de deur der cel bleef de substituut nog staan en zeide:
"Ik meende slechts laat op den namiddag naar Bolderhout te rijden;
maar om zoo mogelijk uwe smart te verkorten, zal ik dezen morgen
vertrekken, onmiddellijk na mijn bezoek bij den rechter. Wees dus
getroost; in alle geval zult gij nog heden nieuws van uw huisgezin
bekomen."
De sleuteldrager sloot de cel toe, en de substituut verliet de
gevangenis met ware deernis in het hart.