de laatste der Hertogen, onder wien een groot getal Friezen zich, ten

gevolge van overbevolking, aan den Eider zou hebben nedergezet.

III. NEGEN KONINGEN.

RICHOLD UFFO. (392)

Wegens de uitbreiding van Friesland nam deze den titel van Koning aan.

Tegen de Denen en Franken zou hij dapper gestreden en te Stavoren en

elders lusthuizen gebouwd hebben.

ODILBALD, (435)

zijn zoon en opvolger, wordt geroemd als een goedertieren vorst, beleefd

jegens zijn volk en gevreesd door zijne vijanden. Hij trouwde eene

dochter des Konings van Denemarken. Zijn zoon

RICHOLD II (470)

verdreef de Franken uit Westfalen en de Denen uit de Eems, en was bij

het volk zeer bemind.

BEROALD (533)

volgde hem op, breidde de grenzen des lands uit en sneuvelde in een

gevecht tegen de Franken. Zijn zoon

ADGILD I (590)

was een vredelievend vorst, die de prediking van het Evangelie toeliet

en de belangen des volks, ook door het opwerpen van terpen en zeedijken,

zeer bevorderde.

RADBOUD I, (672)

zijn zoon en opvolger, wederstond even krachtig de invoering van de

christelijke godsdienst en de legers der Franken, als zijn vader

daaromtrent toegevend en vredelievend was geweest. Hij verwoestte de te

Utrecht reeds gestichte St. Thomaskerk, doch werd 12 jaren later door

Pepijn bij Dorestad geslagen. Na den dood van dezen versloeg hij het

Frankische leger bij Keulen, waarover Karel Martel zich wreekte, door

herhaaldelijk met eene vloot in Friesland te vallen.

ADGILD II (723)

was weder het tegengestelde van zijn vader. Hij regeerde in rust en

vrede, en liet de prediking van het Evangelie toe, ja zou zelf de

christelijke leer hebben aangenomen. Zijn zoon

GONDEBALD (737)

volgde zijn voorbeeld, zoodat het Christendom hier meer ingang vond.

Doch zijn broeder,

RADBOUD II, (749)

in het heidensche Denemarken opgevoed, herstelde hier de voorvaderlijke

eeredienst, liet Bonifacius ombrengen en mishandelde met wreedheid de

Christenen, waartoe hij de hulp inriep van de Saksers. Het hierdoor

verbitterde volk klaagde zijn nood aan Karel den groote, die den

Frankischen troon had beklommen. Op de komst van dezen, vlugtte

Radboud, namen de Friesche Koningen een einde en de Friezen het

Christendom aan, waarbij zij zich stelden onder de bescherming van den

Frankischen Koning, die eerlang mede Keizer van Duitschland werd.

TWEEDE TIJDVAK.

_Van Karel den groote tot Albert van Saksen._

Van omstreeks het Jaar 800 tot 1498.

~KAREL~ DE ~GROOTE~,

_Koning der Franken, Keizer van Duitschland, Beschermheer der Friezen._

IV. ZEVENTIEN LANDSHEEREN OF POTESTATEN.

MAGNUS FORTEMAN, (809)

der Friezen veldoverste op den togt naar Rome, wordt voor den eersten

Potestaat gehouden. Onder de vrijheden, door Keizer Karel den Friezen

gelaten, was ook deze, dat zij uit hunne eigene inboorlingen een Overste

zouden kiezen, om het land zoowel in oorlog als in vrede te besturen.

Welligt werden deze Potestaten enkel in hoogen nood en voor een jaar of

een bepaalden tijd verkoren, en was hun een raad van achttien ervarene

mannen toegevoegd. In een strijd tegen de Saracenen is hij gesneuveld,

te Rome begraven en daarna heilig verklaard.

FOCKO of TACO LUDIGMAN (819)

heeft het land trouw beschermd tegen de invallen der Deensche

zeeroovers, gelijk ook zijn opvolger

ADELBRIK ADÉLEN, (830)

van Sexbierum, die een hertog van Zweden in een slag bij Kollum zou

overwonnen hebben.

HESSEL HERMANA, (869)

van Minnertsga, wordt als een onversaagd krijgsman geroemd, die in den

strijd tegen de Noormannen zijn leven liet.

IGO GALEMA (overl. 886)

trachtte de kusten en havens tegen die vijandelijke aanvallen te

versterken.

GOSSE LUDIGMAN (989)

woonde te Stavoren, hetwelk destijds door handel en scheepvaart in

aanzien toenam.

SACO REINALDA (overl. 1167)

wordt geroemd als een braaf en vredelievend man, onder wiens bestuur

vele Friezen op nieuw naar het Heilige land trokken.

SICKO SJAARDAMA (1237)

wordt door sommigen voor den achtsten Potestaat gehouden, die omstreeks

1254 de aanbiedingen van Graaf Willem II, als hij hem de heerschappij

over Friesland mogt willen bezorgen, fier zou hebben afgeslagen.

REINDER CAMMINGHA (overl. 1306)

gaf vele blijken van dapperheid, ook in den strijd tegen de Noormannen,

waarbij hij sneuvelde.

HESSEL MARTENA (overl. 1313)

schroomde den strijd evenmin, vooral tegen de aanvallen van de

Hollandsche Graven, hoewel hij anders geacht was om zijne

vredelievendheid.

JUW JUWINGA, (1396)

van Bolsward, was door buitenlandsche togten als krijgsman beroemd, toen

hij, bij den grooten zeetogt van Albrecht van Beijeren tegen Friesland,

tot der Friezen Potestaat en Veldoverste werd verkozen. Dapper

strijdende, sneuvelde hij in den veldslag bij Schoterzijl.

SICKE DEKAMA, GALE HANIA en ODO BOTNIA, (1399)

de eersten de hoofden der Schieringers, gelijk de laatste der

Vetkoopers, waren sedert hunne verzoening den vrede toegedaan, en

moeijelijk te bewegen, om der Friezen aanvoerders te zijn ter

verdrijving van de Hollanders. Onder

SJOERD WIARDA, van Goutum, en HARING HARINXMA, van Heeg, (1404)

de eerste voor Oostergoo en de laatste voor Westergoo benoemd, gelukte

het den Friezen, zich van het Hollandsche gezag te ontslaan en de

Friesche vrijheid te herstellen. Doch nu ook begonnen de partijschappen

tusschen de Schieringers en Vetkoopers op nieuw te blaken. Tot het

benoemen van een nieuwen Potestaat was men niet te bewegen. Op raad van

den gezant des Keizers, Otto van Langen, werd eindelijk

JUW DEKAMA, van Baard, (1494)

verkozen en hem een raad van 24 personen toegevoegd. Doch te vergeefs

poogde hij in die onlusten vrede te stichten, daar ook de Vetkoopers

hem, den Schieringer, niet wilden erkennen. Daarom droeg de Keizer in

1498 het bestuur over Friesland op aan een vreemden Vorst, aan Albert,

Hertog van Saksen.

DERDE TIJDVAK.

_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._

_1498-1580._

V. ERFHEEREN VAN FRIESLAND EN HUNNE STADHOUDERS.

_A. De Saksische Regering._

~ALBERT~, _Hertog van Saksen-Meissen_, (1498)

geboren in 1443, was gedurende de voogdijschap van Keizer Maximiliaan

over zijn zoon Filips II, Graaf van Holland, tot Stadhouder van dat

gewest aangesteld. Hij had daar door krachtige middelen de tweespalt der

Hoekschen en Kabeljaauwschen en van het Kaas- en Broodsvolk weten te

dempen, toen hem, ter vergoeding der gemaakte kosten, door den Keizer

het bestuur over Friesland werd opgedragen. Nadat hij het met benden had

doen bezetten, kwam hij met zijn zoon in 1499 over, stelde orde op de

zaken en een Provincialen Raad te Franeker in, ontzette zijn zoon, in

1500 in die stad belegerd, en overleed kort daarna te Emden.

~HENDRIK~, _Hertog van Saksen_, (1499)

met zijn vader herwaarts gekomen, werd, ten gevolge zijner strenge

maatregelen, in Franeker door de Friezen belegerd, vertrok kort daarna

in bedevaart naar Spanje, hoewel hij later de eerste der Duitsche

Vorsten was, die de leer van Luther omhelsde. Hij was geb. in 1473 en

stierf in 1541. Van 1500 tot 1504 werd Friesland bestuurd op naam van

hem en zijn broeder

~GEORG~, _Hertog van Saksen_, (1504)

die, geb. in 1471, in 1504 zelf overkwam, te Leeuwarden een Geregtshof,

Munt enz. instelde, vele goede verordeningen invoerde, doch later door

zware schattingen en knevelarijen misnoegen verwekte, zoodat hij, door

den oorlog met Groningen en door den Graaf van Oost-Friesland en den

Hertog van Gelder in het naauw gebragt, Friesland in 1515 aan Karel van

Oostenrijk overdroeg.

_Stadhouders._

WILLEBRORD VAN SCHAUMBURG. (1498)

Als krijgsoverste vooruit gezonden, gelukte het hem Friesland

grootendeels te bezetten, en, na Leeuwarden twee malen belegerd te

hebben, daar een kasteel te bouwen.

HUGO, _Burggraaf_ VAN LEIJSENACH, (1500)

een Saksisch edelman, wist hier zijns Vorsten gezag te vestigen, doch

gaf door zijne strenge maatregelen weinig genoegen.

WILLEM TRUCHSES (1504)

schijnt korten tijd Stadhouder geweest te zijn tijdens de vestiging van

het Geregtshof te Leeuwarden.

HENDRIK, _Graaf van Stolberg en Heer van Wernigerrode_, (1506)

kwam welligt reeds in 1499 met de Hertogen in Friesland, zoodat hij veel

kennis van het land en den aard en de behoeften der inwoners had

opgedaan, toen hem, na het vertrek van Georg, het bewind werd

opgedragen. Als een verstandig man en braaf christen maakte hij die

kennis dienstbaar aan de bevordering van het heil des lands en van de

belangen der ingezetenen, die zijn ijver met liefde en dankbaarheid

beloonden, dewijl hij ramp in zegen deed verkeeren. Algemeen betreurd,

stierf hij te Keulen, 1509, doch werd, volgens zijne begeerte, te

Leeuwarden in de Jakobijner-kerk met luister begraven. De nagedachtenis

van dezen edelen landvoogd blijve hier duurzaam in zegening!

EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, (1509)

bedierf de zaak der Saksers hier door drukkende schattingen en geweldige

middelen, om zich staande te houden tegen de Vorsten, die de Friezen

hulp verleenden tot ondermijning van zijn gezag.

_B. De Bourgondische Regering._

~KAREL VAN OOSTENRIJK~, _Hertog van Bourgondië, Graaf van Holland, Heer

van Friesland_. (1515)

In 1500 geb. te Gent, aanvaarde hij in 1515 de regering van Holland en,

door overdragt, van Friesland, werd in 1517 Koning van Spanje, in 1519

Keizer van Duitschland en in 1543 Heer van alle Nederlandsche Gewesten.

Rijk in schatten, magt en bekwaamheden, was zijn leven een luisterrijk

tafereel van roemwaardige bedrijven, welke echter door strenge

geloofsvervolgingen werden ontsierd. Na de regering in 1555 aan zijn

zoon Filips te hebben overgedragen, stierf hij in 1558 in een klooster

in Spanje. Gedurende zijn bestuur waren Margaretha van Oostenrijk, van

1506-1530, Maria van Oostenrijk, Koningin van Hongarije, van 1530-1555,

en later Margaretha van Parma, van 1559-1567, Gouvernantes of Algemeene

Landvoogdessen, terwijl Friesland bestuurd werd door de volgende

_Stadhouders._

FLORIS VAN EGMOND, _Heer van IJsselstein_. (1515)

Toen hij hier kwam, om de hulde der ingezetenen te ontvangen, waren

slechts 3 steden en 8 grietenijen zijnen Heer getrouw gebleven. Al het

overige bevond zich in de magt der Gelderschen, tegen wie hij hevigen

krijg voerde, zonder veel te vorderen. Na twee jaren volgde

WILLEM, _Vrijheer van Roggendorf_, (1517)

een Oostenrijksch edelman, hem op. Hij was weinig geschikt om de

belangen van zijn Vorst in zulke tijden te bevorderen. Aldus bleven de

partijen een hevigen strijd voeren, totdat

GEORGE SCHENCK, _Vrijheer van Toutenburg enz._ (1521)

bij zijne komst krachtiger maatregelen nam, de Gelderschen verdreef en

Friesland in 1524 geheel onder Keizer Karel en in rust bragt, waardoor

de algemeene welvaart eerlang zeer toenam. De achting, welke hij

daardoor verwierf, werd echter verminderd door zijne strenge vervolging

van de Onroomschen.

MAXIMILIAAN VAN EGMOND, _Graaf van Buren enz._ (1540)

de zoon van bovenvermelden Floris, de vriend van Keizer Karel, mogt het

land in vrede en voorspoed gelukkig besturen.

JOHAN VAN LIGNE, _Graaf van Aremberg_. (1548)

Onder dezen ging de regering over aan Koning Filips, wiens strenge

plakkaten hij met wijze voorzigtigheid lang wist te matigen, zoodat

zijne deugden en bekwaamheden de achting der Friezen verwierven. Later

werd hij echter gedrongen de doorbrekende hervorming met kracht tegen te

werken, en het Nassausche leger bij Heiligerlee in Groningerland slag te

leveren, waarbij hij met 1800 der zijnen sneuvelde. Bij afwezigheid van

hem, gelijk ook van zijn opvolger, was

SEGHER, _Heer van Groesbeek_,

hier, als Luitenant-Stadhouder, met het bestuur der zaken belast.

_C. De Spaansche Regering._

~FILIPS~, _Koning van Spanje, Vorst der Nederlanden enz._

In 1526 geb. ontving hij in 1555 de regering over deze landen uit handen

van zijnen vader. Hoe hij ze liet besturen, hoe hij de hervorming

tegenstond en door de wreedste vervolgingen de Nederlanders onderdrukte,

is hier vóór en elders uitvoerig vermeld. In 1581 afgezworen, overleed

hij in 1598 onder de smartelijkste gevolgen van zijn schandelijk leven.

_Stadhouders._

KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_, (1568)

was reeds sinds 1559 Stadhouder van Gelderland, toen hij in dit jaar ook

als zoodanig over Friesland, Groningen, Overijssel en Lingen aangesteld

werd. Vandaar, dat hij zich weinig met dit gewest bemoeide, ofschoon de

harde maatregelen van Alva, de invoering van het Bisdom Leeuwarden, de

watervloeden van 1570 env. hier grooten nood en veel onrust en beweging

veroorzaakten. Hij overleed in 1572, en werd als Stadhouder over al de

genoemde provinciën vervangen door

GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, (1572)

onder wien de Geuzen zelfs Bolsward, Slooten, Dokkum, Sneek en Franeker

innamen. Deze had echter toenmaals als Onder-Stadhouder een man als

CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, (1572)

die eerst als Kolonel der Spaansche benden en daarna (1573) als

Stadhouder wel met kracht de belangen, des Konings voorstond, doch

tevens na genoemde watervloeden blijken gaf van menschlievendheid en

zorg tot herstel van de zeedijken, waartoe hij de onwilligen met

geweldige middelen dwong, en dus later voor de ingevoerde verbeteringen

grooten dank mogt behalen. Dit blijkt ook uit den Steenenman bij

Harlingen, een gedenkteeken ter zijner eere gesticht. Ook heeft hij het

Kolonelsdiep tusschen het Bergumermeer en Stroobos laten graven. In 1576

is hij door zijn eigen krijgsvolk te Groningen gevangen genomen, en

sneuvelde in 1585 bij het springen van de brug in het beleg van

Antwerpen.

* * * * *

Nadat Friesland en Groningen zich bij de Staatsgezinden gevoegd hadden,

zond Prins Willem I als Stadhouder herwaarts:

GEORG VAN LALAING, _Graaf van Rennenberg_; (1577)

doch in 1580 bragt hij Groningen verraderlijk weder aan de Spaansche

zijde.

FRANÇOIS VERDUGO, _Heer van Schengen_, (1580)

was de laatste Spaansche Stadhouder, die vooral Groningen bezet hield,

dikwijls in Friesland viel en de pogingen der Friezen en Staatschen, om

die stad te winnen, nog tot hare overgave in 1594 wist te verijdelen.

VIERDE TIJDVAK.

_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._

1580-1795.

VI. DE SOUVEREINE STATEN VAN FRIESLAND EN HUNNE STADHOUDERS.

~WILLEM~ I, _Prins van Oranje_, (1580)

de grondlegger van den Nederlandschen Staat, noemde zich Gouverneur

van Braband, Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht, Luitenant

en Stadhouder-Generaal van Prins Matthias en Gouverneur en

Kapitein-Generaal over de Nederlanden, toen hij, na de afwerping van het

Spaansche juk, ook door de Staten van Friesland tot Stadhouder en

Gouverneur van dit gewest werd benoemd. Hij was geb. den 14 April 1533,

en werd te Delft verraderlijk doorschoten den 10 Julij 1584. Hij had

BERNARD VAN MERODE, _Heer van Rummen_, (1580)

tot zijn Luitenant (plaatsvervanger) en Kapitein-Generaal in Friesland

aangesteld. Deze edele en dappere voorstander van de vrijheid deed vele

moeite, om in dien tijd van onrust en tweedragt de zaken des lands te

regelen; doch ook wegens hoogen ouderdom was hij daartoe te zwak en

verzocht drie jaren later zijn ontslag, waarna hij in 1591 overleed.

WILLEM LODEWIJK, _Graaf van Nassau_, (1584)

de oudste zoon van Prins Willem's broeder, Jan de Oude, geb. den 13

Maart 1560, was in 1581 met krijgsvolk Friesland te hulp gekomen en in

Dec. 1583 naauwelijks tot Luitenant in Merode's plaats verkozen, toen

hij, ten gevolge van Prins Willem's dood, den 16 October 1584 door de

Staten tot Stadhouder en Gouverneur van Friesland werd verkozen. Als

Staatsman wist hij met voorzigtige wijsheid de belangen des lands te

bevorderen en de twistende regeringsleden te bevredigen; als held heeft

hij door het wederstaan van de Spanjaarden en het belegeren en winnen

van Groningen, Koevorden, Steenwijk en omliggende sterkten veel

toegebragt, om de rust en veiligheid der ingezetenen te verzekeren. In

1587 huwde hij Prinses Anna, de dochter van zijn oom Prins Willem, die

echter reeds in het volgende jaar stierf. Deze voortreffelijke

Stadhouder, mede om zijne godsdienstige braafheid algemeen geacht en

bemind, stierf den 31 Mei 1620, en werd plegtig begraven in 't Koor der

Groote Kerk te Leeuwarden, waar de Staten eene marmeren Graftombe ter

zijner eere lieten oprigten. Hij werd opgevolgd door zijnen jongeren

broeder

ERNST CASIMIR, _Graaf van Nassau_, (1620)

geboren den 24 Dec. 1573 en in 1607 gehuwd met Sophia Hedwig Hertogin

van Brunswijk, was Luit. Gouverneur van Gelderland, Zutphen en Utrecht

en Veldmaarschalk van der Staten leger, toen hij den 3 Augustus 1620 tot

Stadhouder van Friesland werd aangesteld. In staatszaken werden hem

belangrijke zendingen opgedragen; in krijgsverrigtingen, veldslagen en

belegeringen was hij beroemd wegens heldenmoed en beleid. In het beleg

van Roermond liet hij het leven op den 2 Junij 1632. Hij had tot

opvolger zijn oudsten zoon

HENDRIK CASIMIR I, _Graaf van Nassau_, (1632)

die, geboren in 1611, slechts 21 jaren bereikt had, toen hij den 14 Dec.

1632 tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland, gelijk daarna

ook van Groningen en Drenthe aangesteld werd. Hoe jong ook nog, toonde

hij in de binnenlandsche geschillen veel standvastigheid en beleid,

doch, vooral op verschillende krijgstogten onder Frederik Hendrik, een

heldenmoed, waardoor hij evenveel eer verwierf als hij door zijne

vroomheid en deugden ieders hoogachting verdiende. Ten gevolge eener

wonde, bekomen in de bestorming van eene schans nabij Hulst in

Vlaanderen, stierf hij, algemeen betreurd, ongehuwd, den 13 Junij 1640.

Zijn jongere broeder

WILLEM FREDERIK, _Graaf_ en daarna _Vorst_ of _Prins van Nassau_, (1640)

den 7 Augustus 1613 geboren, werd zijn opvolger, bij voorraad alleen als

Stadhouder van Friesland, waartoe hij den 23 Julij 1640 werd verkozen;

terwijl Groningen en Drenthe Prins Frederik Hendrik en daarna Prins

Willem II aanstelden en eerst in 1650 hem als zoodanig verkozen. Hij

vergezelde zijn broeder op vele veldtogten, en gaf daarbij blijken van

ongemeenen moed en groote bekwaamheden in het krijgswezen. Vooral bij de

belegering van Sas van Gent in 1644 gedroeg hij zich als een held.

Willem II vertrouwde hem in 1647 den hagchelijken aanslag op Amsterdam

toe. In 1652 trad hij in het huwelijk met Albertina Agnes, de dochter

van Frederik Hendrik, die later, gedurende de minderjarigheid van haren

zoon, met veel roem als Voogdes 's lands zaken behartigde. Door zijn

braaf karakter en gematigd gedrag verwierf hij de genegenheid der Staten

en des volks, waarvan hij vele bewijzen mogt ontvangen. In het laatste

jaar zijns levens trok hij den Bisschop van Munster tegen en veroverde

op hem de Dijlerschans. Hij stierf den 31 October 1664, nadat hij eenige

dagen te voren zich zelven had gekwetst met een zadelpistool, hetwelk,

eerst weigerende, bij het uittrekken van den stamper onverwacht

losbrandde. Hij liet, nevens eene dochter, een zoon en opvolger na in

HENDRIK CASIMIR II, _Prins van Nassau_, (1679)

geboren den 18 Januarij 1657, in 1672 tot Stadhouder en

Kapitein-Generaal en in 1675 tot Erfstadhouder, mede door Groningen en

Drenthe, verkoren, aanvaardde hij in 1679 het bewind. De opvoeding van

zijne voortreffelijke moeder, het onderwijs aan 's lands Akademie te

Franeker (1671) en de opleiding en het voorbeeld van den Generaal van

Aylva vormden hem als staatsman en krijgsheld. Nog slechts 17 jaren oud

was hij in den slag van Senef (1674) onafscheidelijk aan de zijde van

Prins Willem III, hoewel een val met zijn paard daar zijne gezondheid

voor het leven knakte. In 1689 tot tweeden Veldmaarschalk benoemd,

handhaafde hij in de veldslagen van Fleurus, Steenkerke en Neerwinden

den roem van den Nassauschen naam. Deze edelmoedige en voortreffelijke

Vorst stierf in 1696, algemeen betreurd. In 1683 was hij in den echt

verbonden met Prinses Amalia van Anhalt-Dessau, welke hij zeven dochters

naliet, behalve een zoon en opvolger

JAN WILLEM FRISO, _Prins van Oranje en Nassau_. (1707)

Kort was het leven, doch roemvol de loopbaan van dezen jeugdigen held,

die het vaderland zooveel beloofde. Den 14 Augustus 1687 geboren en dus

bij het overlijden zijns doorluchtigen vaders slechts acht jaren oud,

vond hij een tweeden vader in Prins Willem III, die hem tevens tot

erfgenaam van het Prinsdom Oranje en van zijne nalatenschap verklaarde.

Het bewind werd intusschen door zijne moeder als Voogdes waargenomen,

tot dat hij in 1707 het Stadhouderschap over Friesland en in 1708 over

Groningen en Drenthe aanvaardde. Reeds had hij toen als vrijwilliger

eenige togten in den Successie-oorlog mede gemaakt, doch geene

gelegenheid gevonden om uit te munten. Nu tot Generaal verheven, toonde

hij bij de belegering van onderscheidene sterke vestingen, doch vooral

in de veldslagen bij Oudenaarden en Malplaquet, een beleid, eene

onverschrokkenheid, een heldenmoed, welke het gansche vaderland

verbaasden, en met vreugde deden zien, hoe roemrijk in den jeugdigen

Frieschen telg der Nassausche Vorsten de dapperheid van den uitgestorven

Oranjestam herleefde. Rouw, diepe rouw vervulde dus geheel Nederland en

het leger der bondgenooten, toen deze held van zooveel verwachting--niet

aan de spits zijner dapperen, maar op den 14 Julij 1711 bij het

overvaren van het Hollandsche diep, in de golven den dood vond. Op dat

oogenblik was er geene mannelijke spruit uit de huizen van Oranje en

Nassau in Nederland meer over. Doch twee jaren te voren (26 Febr. 1709)

was Prins Friso in het huwelijk getreden met de edele Prinses Maria

Louisa van Hessen-Kassel, die, zes weken na het verliezen van haren diep

betreurden gemaal, gelukkig van een zoon beviel, waarin de Vorstelijke

stam tot heden bewaard bleef.

WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, _Prins van Oranje en Nassau_, (1731)

werd op den 1 September 1711 te Leeuwarden geboren, en zag door zijne

brave moeder en voortreffelijke leermeesters aan zijne opvoeding de

meeste zorg besteed. Nadat die moeder het stadhouderlijk gezag gedurende

twintig jaren als Voogdes had gevoerd, aanvaardde hij den 12 September

1731 het Erf-stadhouderschap en trouwde den 25 Maart 1734 met Anna,

Kroonprinses van Groot-Brittanje. Na in 1718 tot Stadhouder van

Groningen en in 1722 van Drenthe en Gelderland verkozen te zijn, zag hij

zich in 1747 door de volksstem eensklaps tot Erfstadhouder van al de

overige provinciën uitgeroepen en als _Willem de vierde_ met

waardigheden overladen. Onder het wigt van zooveel staatszorg, bij

zooveel ijver om 's lands belang in alle opzigten te bevorderen, bezweek

de edele Prins reeds den 22 October 1751. Den 4 Februarij 1752 werd zijn

gebalsemd lijk te Delft bijgezet.

WILLEM _de vijfde, Prins van Oranje en Nassau_, (1766)

geboren te 's Gravenhage den 8 Maart 1748, aanvaardde het

Stadhouderschap over al de gewesten den 8 Maart 1766 en werd den 4

October 1767 in den echt verbonden met Frederika Sophia Wilhelmina,

Prinses van Pruissen. Na, ten gevolge der hooggestegen staatsgeschillen,

in 1787 door de Pruissische legermagt in zijn gezag hersteld te zijn,

was hij, bij het aanrukken van de Franschen, den 20 Januarij 1795

genoodzaakt, het vaderland te verlaten en de wijk te nemen naar

Engeland. Hij overleed te Brunswijk in 1806.

ZESDE TIJDVAK.

_De Koninklijke Regering._

1813-1851.

WILLEM I, of WILLEM FREDERIK,

_Prins van Oranje en Nassau enz._

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 40 / 41 段