Toen snelde hij naar de deur, opende deze, en— —

Met een schreeuw van ontzetting sprong hij achteruit, want op nog geen

tien passen afstands van de deur der kluis zag hij Baxter staan,

vergezeld door een twintigtal detectives, en naast den inspecteur van

Scotland Yard stond—Adrienne.

Slechts een enkel oogenblik had Lister naar buiten gekeken, te kort,

dan dat Baxter hem zou kunnen herkennen.

Maar de inspecteur had natuurlijk gezien, dat iemand op het punt stond,

de kluis te verlaten.

„Blijf staan, schurk, en geef je over”, brulde Baxter, terwijl hij zijn

revolver omhoog hief. „Als je niet de duivel in eigen persoon bent, dan

ben je Raffles, de meester-dief!”

Een schot klonk, maar de kogel sloeg tegen de stalen deur, die Lister

met geweld in het slot had geworpen, en viel op den grond neer.

„Doe de deur open”, hoorde Lister den tiran van Scotland Yard

uitroepen. „Wij hebben hem, ditmaal kan hij ons niet ontsnappen.”

„Wij hebben geen sleutel van de deur”, antwoorden een stem. „Niemand

heeft een sleutel van de deur, zelfs niet de directeur van de kluizen.”

„Dan moet de deur worden ingeslagen.”

„Dat is onmogelijk—deze stalen deuren zijn niet met geweld te

verbrijzelen. Dat is juist de betrouwbaarheid van onze safes.”

„Maar wij moeten hier toch binnen!”

„Ik zal u het systeem verklaren”, antwoordde de directeur op kalmen

toon.

„Deze deur gaat vanzelf open, maar eerst morgen vroeg om negen uur.

„Zoolang kan ik niet wachten”, sprak Baxter. „Maar weet je wat,

Brouwer, haal Hopkins, dien wij gisteren wegens zware inbraak

gearresteerd hebben. Het heet voor hem kinderwerk te zijn, deze

geldkast open te breken!”

„Hopkins!”

Lord Lister spitste de ooren.

De inbreker Hopkins was hem goed bekend. Hij had als Raffles vaak

genoeg met hem te doen gehad.

Een half uur verliep—de lucht in de stalen kluis werd bijna

onverdraaglijk. En Lister begreep, dat hij door gebrek aan zuurstof ten

doode was opgeschreven, als hij hier tot den volgenden morgen negen uur

moest blijven.

De stem van Hopkins, die hij buiten vernam, ontrukte hem aan zijn

somber gepeins.

„Hopkins, je moet deze deur openmaken”, zei Baxter tot den

tuchthuisboef, „en als het je lukt, zal ik je je vrijheid teruggeven”.

„Dat laat zich hooren”, zei de inbreker, „ik zal het boeltje eens gaan

onderzoeken”.

Hopkins klopte en hamerde tegen de deur en verklaarde ten slotte, dat

hij niets kon uitrichten.

Baxter werd razend.

„Ik geef je nog 200 pond bovendien”, beloofde hij, „als het je gelukt

binnen het uur de kluis te openen”.

„En heb ik niets anders te doen, dan die deur open te breken?” vroeg de

schelm met een eigenaardig, glimlachje.

„Niet anders”.

„Dan zal ik het doen. Ik ben namelijk van plan”—hij nam Baxter mee voor

de groote staande klok, „om met een soort tandmeesterstang den slinger

af te knijpen, zonder de klok te laten staan, zoodat deze dan met

fabelachtige snelheid af kan loopen, en binnen drie kwartier het zoover

gebracht heeft, dat ze het negende uur van den volgenden morgen

aanwijst.

„Dus gaat de deur open, en krijg ik mijn geld en mijn vrijheid.

„Geef me nu een smeltkroesje en den zak die ik heb meegebracht, daar

zitten mijn instrumenten in”.

„Uitstekend!” riep Baxter uit op vergenoegden toon, „dan zal Raffles

ons tòch niet ontsnappen!”

Hopkins aarzelde.

Hij onderdrukte een glimlachje.

„Ik stel nog een voorwaarde, inspecteur; alle personen moeten hier uit

de gang gaan; nu ja, ik wil me niet graag in de kaart laten kijken!”

Ook op deze voorwaarde ging Baxter in.

Een paar minuten later was Hopkins alleen in de gang en bliksemsnel

ging hij naar de deur der kluis.

„Raffles!” riep hij, „kunt ge me hooren?”

„Ja, Hopkins, ik hoor je!”

„Je kunt vluchten! Ik zal je den weg wijzen!

„Al een jaar ben ik bezig, om in deze kluis in te breken.

„Als een mol heb ik een gat gegraven tot aan den cementen vloer.

„Nog een weekje arbeid en alles was in orde geweest.

„Toen ben ik gisteren gearresteerd.

„Verbrijzel het cement, Raffles, je hebt er niet meer dan drie kwartier

werk aan, laat je dan in den kuil vallen, dien je zult zien.

„Je komt dan bij een oude kanaalgang, en als je steeds verder loopt,

belandt je in Greenwich Road, in een oud vat, dat op de binnenplaats

staat van Bob, den boevenwaard. Dan ben je gered—heb je mij begrepen,

Raffles?”

„Volkomen, Hopkins! Dank je wel, ik zal je rijkelijk beloonen!”

„Goeden dag, Raffles, wat zal die Baxter straks een gezicht trekken. Ik

lach me een ongeluk!”

Lord Lister werkte een half uur als een postpaard.

Maar toen ook was hij klaar.

Het was ook hoog tijd, want daar buiten hoorde hij Hopkins zeggen:

„Zie daar, heeren, de slinger is al afgeknipt.

„Nog tien minuten en de klok zal het uur aanwijzen, waarop de deur zich

opent”.

„Nog tien minuten”, juichte Baxter, dan zal „de wereld weten, wie de

Groote Onbekende is.”

„En dan zal ik gewroken zijn”, jubelde Adrienne.

In gespannen aandacht wachtte men op het voorbijgaan der minuten.

„Hoe lang nog, Hopkins?” vroeg Baxter ongeduldig

„Nog twee minuten!”

„Gelukkig!”

„Nog één minuut, nog dertig seconden—nog tien—nog vijf—en nu—”

Met een doffe kraak vloog de deur van de kluis open.

„Handen op, Raffles, of je bent een lijk,” donderde Baxter, „wij — —”

De woorden bestierven hem op de lippen.

En Hopkins beet zich de tong tot bloedens toe om niet in lachen uit te

barsten.

„Gevlucht!” krijschte hij met roodblauw gelaat. „Raffles is

gevlucht—door den vloer is hij ter helle gevaren—kijkt—kijkt met eigen

oogen!”

„Maar ik”, viel Hopkins in, „ik heb mijn plicht gedaan, inspecteur, ik

krijg toch eerlijk tweehonderd pond en mijn vrijheid!”

„De duivel zal je halen!

„Je krijgt wat je beloofd is, maar nog drieduizend pond bovendien, als

je mij nu Raffles ook nog brengt!”

„Neen, inspecteur”, antwoordde Hopkins schouderophalend, „dàt gaat

boven mijn macht—die doet wat hij wil en is niet te pakken, maar

daarvoor is hij ook Raffles, de meesterdief!”

„En wat nog veel erger is”, voegde Baxter er aan toe met bijna

schreiende stem, „hij is en blijft—de Groote Onbekende!”

— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — —

Acht dagen later waren er twee gelukkige menschen op de wereld.

De een was de melkslijter Bastien Cavour in het dorpje Belleville onder

den rook van Parijs, want hem werden anoniem honderdduizend francs

gezonden.

De ander was de Russische koopman Moskowitsch in Moskou, die

vijftigduizend roebel schadevergoeding kreeg, omdat hij een dag te laat

in Londen was aangekomen.

In beide gevallen was de afzender der enorme bedragen—de Groote

Onbekende.

Lord Lister No. 0013: De inbraak in den slaapwagen · 第 20 / 21 题