De stalen kluizen van de Engelsche Bank zijn misschien de volmaaktste
afdeelingen van deze instelling. Voor dat zij bestonden, was er
eigenlijk geen volmaakt veilige bewaarplaats voor kostbaarheden en
effecten. In Dacota was een safe, die men voor inbraak-vrij had
gehouden, door slimme dieven ondermijnd en uitgeplunderd. En in
Engeland was zoo’n safe door een valschen sleutel eenvoudig
opengesloten.
Tegen dergelijke verrassingen zijn de in het jaar 1887 vervaardigde
vuur- en watervrije kluizen in de „Bank of England” volkomen beveiligd.
Om deze kluizen te bereiken, gaat men eerst door een zware ijzeren
deur, en nadat men zijn naam in een boek heeft geschreven, gaat men per
lift 40 voet diep onder de aarde. De temperatuur is hier nooit onder 70
graden Fahrenheit.
Als men de lift heeft verlaten, loopt men een gang door.
Wederom moet men zijn naam in een boek schrijven, en dan eerst worden
de zware sloten van een massieve, stalen kluis geopend.
De klant treedt binnen, en het is dan aan hemzelf overgelaten om het
nummer van zijn safe te zoeken, en deze met zijn sleutel te openen.
De bezoekers worden alleen tusschen negen uur des morgens en vijf uur
des middags toegelaten.
Op ieder ander uur van den dag, en ook des Zaterdagsmiddags is het
onmogelijk een sleutel in een der sloten van de stalen kluizen om te
draaien.
Lord Lister bevond zich den volgenden morgen, even over negen, veertig
voeten onder de aarde, en stond voor de hooge stalen deur, waarop het
No. 77 prijkte.
„Eindelijk”, fluisterde Lister, en hij stak den sleutel in het slot. In
hetzelfde oogenblik bevond hij zich in een electrisch verlichte ruimte,
met een zoldering van blank staal. De vloer was van cement, want de
architect had aangenomen, dat uit de onderwereld geen geest naar boven
kon stijgen om in een der safes een visite af te steken.
Lord Lister keek eens om zich heen in de vierkante ruimte.
Het was hem, alsof hij zich in een gevangeniscel van de Inquisitie
bevond. Hij had den kostbaren sleutel uit het slot genomen, en liet de
stalen deur aan staan.
Bij het schijnsel der electrische lamp opende hij de verschillende
vakken, en goud en banknoten, briljanten en oude kostbare steenen,
waardevolle papieren en akten lagen voor hem, en hij berekende, dat
hier zeker 10 millioen francs aan waarden opgestapeld lagen.
Maar geld en goud was het ditmaal niet, dat hem in de eerste plaats
belang inboezemde. Hij zocht den brief, die zoo noodlottig voor hem had
kunnen worden, en die de bekentenis van, markies de Frontignac
behelsde.
Eindelijk, nadat hij een half uur gezocht had, zag hij een geel
geworden brief in een kastje liggen.
Met bevende hand opende hij het document.
Hoezee!!!
Hij had gevonden, wat hij zocht.
En nu weg van hier—wie weet, hoe spoedig de dwaling van Baxter was
opgehelderd. Iedere minuut was kostbaar.
Bliksemsnel borg hij den brief in zijn borstzak, vulde zijn zakken met
banknoten van hooge waarde.