Een schreeuw ontsnapte lord Listers borst.
Donderend vloog de auto op zij. Een gaslantaarn werd in de vaart
meegesleurd en tegelijkertijd weerklonken angstkreten.
Lord Lister had zich in zijn val zóó gedraaid, dat hij als een kat op
zijn voeten terecht kwam.
Hij stond oogenblikkelijk weer op en voelde, dat hem niets was
overkomen.
Maar uit de nauwe zijstraat kwamen reeds een half dozijn menschen
aansnellen om te kijken naar de verwoesting, door de auto aangericht.
Het voertuig was namelijk met volle kracht tegen een boerenwagen
aangebotst, die als versplinterd ter aarde lag.
Met één sprong stond lord Lister tusschen de ruïnes en lichtte een man
op, die hevig bloedde uit een wonde aan het hoofd en ook een beenbreuk
scheen te hebben opgeloopen.
„Hoe heet je?” vroeg, lord Lister, „gauw, je zult er geen schade bij
lijden!”
„Bastien Cavour, melkhandelaar uit Belleville bij Parijs”, stamelde de
ander—: „o, al mijn mooie spulletjes—pas vier weken getrouwd—en nu al—”
„Wees stil, je zult er wel bij varen, heb geduld!”
Toen was hij ook al verdwenen.
De stationsklok wees twee minuten voor negen.
Nog twee minuten!
Honderdtwintig seconden!
Lord Lister verdubbelde zijn schreden.
Geen mededinger naar den Marathon-prijs had die snelheid kunnen
verbeteren.
En voort stoof hij.
Achter zich hoorde lord Lister de joelende, menigte, die hem na wilde
hollen.
Maar met reuzenschreden duwde hij ieder op zij, slingerde een
spoorwegbeambte, die hem niet door wilde laten, omdat hij geen
plaatsbewijs had, terzijde en kwam op het perron, toen juist de
conducteurs de zwarte portieren dichtgooiden van den sneltrein, die om
negen uur naar Havre ging vertrekken en die zich juist in beweging
zette.
Gelukkig!
In een seconde was lord Lister op de treeplank en had hij met vasten
greep een coupé-deur omklemd.
Sneller, en sneller begon de locomotief te stoomen en voorzichtig,
uiterst voorzichtig tastte Lister langs de coupé-deuren, totdat hij een
langen waggon had bereikt, waarin zich de slaapcoupé’s bevonden.
Hij boog zich voorover en keek door een raampje naar binnen.
Inderdaad, hij had zich niet vergist, toen hij vermoedde, dat Adrienne
dienzelfden avond nog naar Londen zou reizen.
Daar zat zij!
Neen, ze had er geen gras over laten groeien!
Zoodra mogelijk was zij afgereisd naar Londen om het noodlottige
document te halen.
Maar zij had buiten den waard gerekend!
Voorzichtig tastte lord Lister verder naar den ingang van den coupé.
Dat was geen gemakkelijke taak, want de trein ging thans voort met
duizelingwekkende vaart, zoodat de groote onbekende ieder oogenblik
dacht, dat hij door den heftigen tegenwind van de treeplank zou worden
geslagen.
Maar, hoe grooter het gevaar, hoe grooter ook de zelfbeheersching van
lord Lister.
Nu had hij de deur bereikt, die voerde naar den slaapcoupé. Hij opende
haar en trad geruischloos binnen.
Hij was gered!
Maar nu was het zaak om in de ruimte, naast die, waarin Adrienne
vertoefde, den nacht te kunnen doorbrengen.
De conducteur van de slaapwagens naderde hem.
„Wat verlangt mijnheer?” vroeg hij, „alle plaatsen in den wagon zijn
bezet.”
„Luister eens”, antwoordde de groote onbekende, „hier zijn duizend
francs. Ik geef je die cadeau, maar ruim mij dan hier een plaatsje in”.
„Maar meneer...”
„Begrijp je dan niet, waarom het mij te doen is? Die mooie, jonge
vrouw!”
„Ha, juist!” De conducteur glimlachte, „die met die oudere dame reist!”
„Zóó, is er een oudere dame bij. Nu, dat hindert niet! Als ik vannacht
maar de afdeeling naast die mooie, jonge vrouw krijg!”
„Neen, dat gaat niet, meneer!”
„Wat zeg je?”
„Daar slaapt een Turk!”
„Breng dien man dan ergens anders onder dak!”
„Onmogelijk!”
„Niets is onmogelijk! Ruim dien Turk uw eigen slaapverblijf in, als het
niet anders gaat!”
„Goed! Ik wil het doen! Maar onder welk voorwendsel?”
„Laat dat maar aan mij over!”
„Hoe dat zoo, meneer?”
„Breng mij bij dien Turk!”
„Maar...”
„Kom, doe het!” En de Groote Onbekende drukte den conducteur het
beloofde bankbiljet in de hand.
Deze opende nu de deur van den coupé.
Een groote, breedgeschouderde Turk, die het zich juist een beetje
gemakkelijk had gemaakt, lag reeds te bed en snurkte.
„Maak hem wakker”, fluisterde Lister.
„Meneer! Wordt eens wakker! Hallo!” De conducteur schudde den slapende
heen en weer.
„Allah is Allah, wat is er?” bromde de snorker met slaperige stem.
„Pardon”, begon Lord Lister in het Turksch, „het spijt mij geweldig,
dat ik u moet lastig vallen.
„Maar daar er in uw coupé nog een tweede bed is—”
„Oho! Ik heb den heelen coupé gehuurd en betaald”, protesteerde de
Turk.
„Volkomen waar, en het is ook volstrekt mijn bedoeling niet geweest om
u lastig te vallen, maar ik ben in Parijs plotseling ziek geworden. De
doktoren constateerden, dat aanvallen van waanzin te wachten zijn en
daarom heeft men mij, feitelijk tegen mijn zin, naar dezen trein
gebracht, opdat ik zoodra mogelijk weer in Engeland, mijn geboorteland,
terug zal zijn!”
Nauwelijks had lord Lister deze woorden gesproken, of de Turk pakte
zijn boeltje bij elkaar en verliet zoo snel mogelijk den slaapcoupé.
Glimlachend volgde hem de conducteur en buiten hoorde lord Lister den
in zijn rust gestoorden man nog vele Turksche vloeken uitstooten.
Hij beweerde toen, dat hij er niet aan dacht, weer naar zijn coupé
terug te gaan en de conducteur beduidde hem, dat hij wel voor een
geschikt plaatsje zou zorgen.
Een minuut later werd het stil.
Lord Lister schoof nu den grendel voor de deur.
Nu was hij alleen. Nu kon hij ongehinderd de taak, die hij zichzelf had
opgelegd, volbrengen.