In suizelende vaart, met een snelheid waarvan de lezer zich nauwelijks
eenige voorstelling kan maken, vloog de auto van lord Lister door de
straten van Parijs.
Ontzettend, zooals de tuf voortsnelde!
Als een wervelwind!
En alle opmerkzaamheid was noodig, opdat, bij de heerschende duisternis
in de straten van Parijs, geen ongeluk mocht geschieden.
Maar, geen nood!
Er bestond geen chauffeur, die het in handigheid won van Lister.
Onophoudelijk liet hij het signaal hooren.
Alles stoof op zijde en menige vloek werd uitgestooten door koetsiers
en palfreniers en kooplieden; door wandelaars en boodschappers en
handelslieden.
Het werd een wilde jacht.
Want eenige bereden politie-agenten gaven onmiddellijk hun paard de
sporen en zetten den verwoeden automobilist achterna.
Naar het station!
Naar het Lyonsche station!
Dat was de eenige gedachte, die lord Lister in deze oogenblikken bezig
hield.
Hij wist immers, dat zijn vrijheid er van af hing.
Zooals hij daar zat, de jonge Engelsche Edelman, met het bleeke
gezicht, waarin alle trekken gespannen waren, maakte hij volkomen den
indruk van een man van ijzer en staal, wiens besluit door niets is te
veranderen, en die tot elken prijs zijn doel wil bereiken.
Gelukkig kende lord Lister Parijs op z’n duimpje.
Trouwens, hij was in alle wereldsteden volkomen thuis; niet alleen in
Londen, waar hij geboren was, maar ook in Parijs, Weenen, Berlijn,
Madrid, Rome en Napels, zelfs in Konstantinopel, in alle groote steden
van de Vereenigde Staten en zelfs in Teheran, de hoofdstad van Perzië,
zou hij midden in den nacht den weg hebben kunnen vinden.
„Nog een kwartier, dan ben ik aan het station”, fluisterde hij.
Een blik op de auto-klok overtuigde hem ervan, dat het nog kwartier
voor negen was.
Als het hem niet gelukte, den nog af te leggen weg in dertien minuten
door te vliegen, kwam hij te laat voor den sneltrein.
Sissend, puffend vloog de machine vooruit.
Daar was het station!
In het maanlicht doemden torens en daken reeds op.