Ik schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef
hem over, schreef hem nog eens.
Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld
stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór mijn oogen. Ik
schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop,
vol angst en vol van sterken hartstocht. Ik voelde in mij de kracht
om werelden te veroveren.
Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet
ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar ik werkte
niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er
plichten zijn welke nog sterker dringen dan het drukste werk.
Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken
en door straten; en er was in mij een soort van weerzin en van angst
om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik
dacht den ganschen dag door aan dien brief, en of het zoo wel goed was,
en of ik niets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter,
mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn
als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval
niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een nacht laten
overheen gaan, alvorens hem te verzenden?
Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe
van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer
frisch zijn.
Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het
licht aan.
Het eerste wat mij trof was 'n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief,
zooals er meer kwamen; een "mondaine" brief, als ik het zoo mag
uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.
Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.
Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet
goed.
Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem
weer op, en las, en spelde, woord voor woord.
Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige
gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen.