IX

Even vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico's

ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmeren gang

passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde

dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden

en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens

golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen

bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren,

exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels.

Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht

ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie

had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos

op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche

tanden schitterend; "Auntie" een en al pittige levens-uitstraling en

voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté;

en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in 't wit, met iets

van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig

in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.

Onze intrede verwekte eenige sensatie. Sommige gasten aan de tafeltjes

keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken

onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden

eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en

een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d'hôtel kwam naar

mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon

Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De

"bisque" werd opgediend.

De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en

vroolijke geluiden. Er waren "beauty's" en schitterende toiletten,

die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en

zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich

gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee

te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen.

Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht

veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch

al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaar

bekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een

roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste

verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer,

als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.

Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face

à main dan vork en mes; en "Auntie" zat van genoegen op haar stoel

te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af

en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en

't kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets

dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar

gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in

onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud

gingen vestigen, voelde ik Auntie's oogen op mij gepriemd en zag ik

haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat

was er toch? Wat wilde ze van mij!

Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te

voelen; hij strekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon

nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen

kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach

naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk

een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan 't groeten, met korte,

harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de

dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als 't ware

een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten

bleef en 't maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre

van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was,

terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de

dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was,

scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:

--U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de

hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die

jonge dame in 't mauve met haar prachtige parels en briljanten! Dat

is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is

op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje

zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt

voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen.

De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de

animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog

meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze

"waard waren;" en Mama en "Auntie" en ook Maud waren ten diepste mee

geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen

echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte "Auntie" plotseling een

soort verrassingskreet en zei:

--O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens;

kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als

in Saratoga!

Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren

eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette,

ernstig, plechtig bijna, met een volmaakt-correcte buiging. De dames

kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding

aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.

--Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is 'n aardig aantal

miljoen dollars "waard" en gaat door als de "arbitre des élégances" in

New York en eigenlijk ook wel in de "society" van heel Amerika. Sinds

jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets

anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als

hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee

van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een

speciale "farm" daar ergens in de Catskill's Mountains, van boeren die

hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij

verblijft, steeds komen zijn eieren uit diezelfde "farm." En ook hier,

in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op

zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze

daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo'n diner

van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....

Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij

voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij

't cijfer los:

--Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en 'n dollar fooi aan den garçon:

samen zes dollar voor 'n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is!

De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen

dat Papa de zuivere waarheid sprak.

Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren

bezig was. Wat 'n sinistere vlegel! Wat 'n sombere bruut! Wat 'n

boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde,

vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon

bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep

ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het

vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid

een akelige schaduw over al mijn vreugde.

Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend

en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe

kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!

Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn

toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen

glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.

In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij

groette "Auntie," hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer

tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:

--Goed nieuws van Reggy?

--Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.

--Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.

--Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud,

een lichte kleur krijgend.

Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met

een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.

Even keek ik naar "Auntie" op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd

en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in 't diepste van

mijn ziel drong.

Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over

haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er

toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd

had? Was dat Maud's gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of....

Opnieuw keek ik naar "Auntie" en 't werd kil in mij. Er was ineens

'n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte,

die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins

aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging.

't Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde

dat het tijd werd om de boot te halen.

Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d'hôtel om af

te rekenen. Hij knikte; en 't oogenblik daarna bracht hij mij, met

innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau,

als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.

Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde

maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik

hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den

vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de

rekening, op de schaal.

Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar

valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér

hartelijk. "Auntie" deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en

ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een

langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar

sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen

en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika,

ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat

idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was

mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.

Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten

tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de

bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en

keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den

gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit

mijn beurs wegspeelden.

Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den

ingang. Een lange file rijtuigen stond langs 't trottoir. Papa wenkte

er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie

stapte in.

Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de

electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag

ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont

om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden

afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....

X

Dien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap

te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis

in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart

klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.

Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een

"failure?" Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart

van Maud, of bleef dat nog steeds 't zelfde: onzeker, raadselachtig,

twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik

voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling

harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik

herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne

dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat,

die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij

goed nieuws van Reggy had.

Reggy!.... Reggy!.... Wie was die Reggy?.... Was dat de oudste zoon,

die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet

een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de

piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in 't hart, terwijl

ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag

Papa nog naar de foto wijzen en hoorde 't hem nog zeggen! Reggy was

dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende,

aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam

het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?

Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit

mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer

meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van

ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en

staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.

De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke

lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met vele stille lichten. De

stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend

leven. Men voelde als 't ware de levende rust der geweldige stad. Er

droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende

reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een

schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt

en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten

in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.

Wat deed ze nu, op 't zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open

venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige,

onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde

van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar

de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die

vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf

willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen:

Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of 'k sla je den dikken

kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had

hem levend kunnen villen, hem verscheuren!

Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken

meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New

York en ik reikhalsde naar 't donkergrijze westen, in de richting

waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar

zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen

van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu

nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van

mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht

zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook

maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien

toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en

slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met

den electrischen tram die, ik wist het, ook 's nachts nog om het half

uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of

ik aan haar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik

komen moest, of ze mij niet wachtte....?

Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte

ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik

mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte

de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok

en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna

liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht.

Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er

naartoe in stormpas om toch op 't uiterst oogenblik nog niet te laat

te komen.

--Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende,

toen hij mij buiten adem aan zag rukken.

--Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.

In 't schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.

--Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte

hij.

Ik ging in een hoek de veters van mijn laarzen aanrijgen en keek naar

de van binnen verlichte, wachtende tram.

Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met

hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat

dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en

peinzende oogen.

De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn

scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte

drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven

leefden en dat zij, na 't volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten

en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal

te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en

abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun

natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook,

ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het

onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na

te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van 't gekke mijner daad,

maar deed die toch.

De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de

donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische

draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een

bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen

en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd

en flikkerend naderde.

--Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een

donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht

en snel reed de electrische weg.

Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte

tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte

van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de

zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust

van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.

De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam

en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder

stopte hij weer; en op hun beurt verlieten de slaperige arbeiders

den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed

de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de

banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de

langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep,

als 't ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad,

met een geluid van zink.

De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere

die gereed stond, reed weer af.

Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik

zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de

duisternis opgezogen.

Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar

stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter

scheen te worden. De villa's schemerden achter de boomen en veel

schoone sterren blonken in den stillen hemel.

Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg,

grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daar geen

boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er

ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch

en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter

klopte en hamerde het hart.

Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen

redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan

in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. 't Was

mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht

keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van

mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust

der gansche streek. Ik schaamde mij als 't ware; voelde den diepen

wanklank met de rustige omgeving.

Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand,

eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek

alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest

moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar

liep. Al mijn gekke illuzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou,

dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht

beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der

werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór

haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een

soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil

en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en

dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals

alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.

Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik

daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld

is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden,

tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie,

in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven

als een landlooper in 't holle van den nacht, opgezweept door de

onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.

Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk

en zeeg alles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide

loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en

zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar

schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al

die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven

voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart.

Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en

eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen

zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou

ik wéten....

Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige

reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik

stapte in.

Aan 't oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel

piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.

De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.

De dag,--de groote dag--was aangebroken.

De roman van den schaatsenrijder · 第 23 / 27 题