Even vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico's
ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmeren gang
passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde
dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden
en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens
golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen
bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren,
exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels.
Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht
ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie
had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos
op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche
tanden schitterend; "Auntie" een en al pittige levens-uitstraling en
voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté;
en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in 't wit, met iets
van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig
in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.
Onze intrede verwekte eenige sensatie. Sommige gasten aan de tafeltjes
keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken
onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden
eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en
een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d'hôtel kwam naar
mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon
Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De
"bisque" werd opgediend.
De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en
vroolijke geluiden. Er waren "beauty's" en schitterende toiletten,
die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en
zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich
gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee
te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen.
Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht
veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch
al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaar
bekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een
roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste
verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer,
als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.
Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face
à main dan vork en mes; en "Auntie" zat van genoegen op haar stoel
te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af
en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en
't kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets
dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar
gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in
onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud
gingen vestigen, voelde ik Auntie's oogen op mij gepriemd en zag ik
haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat
was er toch? Wat wilde ze van mij!
Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te
voelen; hij strekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon
nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen
kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach
naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk
een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan 't groeten, met korte,
harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de
dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als 't ware
een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten
bleef en 't maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre
van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was,
terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de
dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was,
scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:
--U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de
hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die
jonge dame in 't mauve met haar prachtige parels en briljanten! Dat
is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is
op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje
zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt
voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen.
De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de
animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog
meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze
"waard waren;" en Mama en "Auntie" en ook Maud waren ten diepste mee
geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen
echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte "Auntie" plotseling een
soort verrassingskreet en zei:
--O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens;
kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als
in Saratoga!
Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren
eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette,
ernstig, plechtig bijna, met een volmaakt-correcte buiging. De dames
kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding
aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.
--Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is 'n aardig aantal
miljoen dollars "waard" en gaat door als de "arbitre des élégances" in
New York en eigenlijk ook wel in de "society" van heel Amerika. Sinds
jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets
anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als
hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee
van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een
speciale "farm" daar ergens in de Catskill's Mountains, van boeren die
hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij
verblijft, steeds komen zijn eieren uit diezelfde "farm." En ook hier,
in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op
zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze
daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo'n diner
van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....
Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij
voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij
't cijfer los:
--Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en 'n dollar fooi aan den garçon:
samen zes dollar voor 'n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is!
De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen
dat Papa de zuivere waarheid sprak.
Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren
bezig was. Wat 'n sinistere vlegel! Wat 'n sombere bruut! Wat 'n
boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde,
vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon
bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep
ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het
vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid
een akelige schaduw over al mijn vreugde.
Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend
en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe
kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!
Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn
toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen
glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.
In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij
groette "Auntie," hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer
tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:
--Goed nieuws van Reggy?
--Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.
--Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.
--Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud,
een lichte kleur krijgend.
Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met
een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.
Even keek ik naar "Auntie" op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd
en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in 't diepste van
mijn ziel drong.
Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over
haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er
toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd
had? Was dat Maud's gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of....
Opnieuw keek ik naar "Auntie" en 't werd kil in mij. Er was ineens
'n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte,
die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins
aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging.
't Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde
dat het tijd werd om de boot te halen.
Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d'hôtel om af
te rekenen. Hij knikte; en 't oogenblik daarna bracht hij mij, met
innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau,
als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.
Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde
maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik
hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den
vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de
rekening, op de schaal.
Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar
valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér
hartelijk. "Auntie" deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en
ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een
langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar
sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen
en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika,
ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat
idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was
mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.
Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten
tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de
bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en
keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den
gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit
mijn beurs wegspeelden.
Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den
ingang. Een lange file rijtuigen stond langs 't trottoir. Papa wenkte
er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie
stapte in.
Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de
electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag
ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont
om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden
afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....
X
Dien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap
te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis
in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart
klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.
Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een
"failure?" Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart
van Maud, of bleef dat nog steeds 't zelfde: onzeker, raadselachtig,
twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik
voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling
harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik
herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne
dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat,
die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij
goed nieuws van Reggy had.
Reggy!.... Reggy!.... Wie was die Reggy?.... Was dat de oudste zoon,
die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet
een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de
piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in 't hart, terwijl
ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag
Papa nog naar de foto wijzen en hoorde 't hem nog zeggen! Reggy was
dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende,
aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam
het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?
Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit
mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer
meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van
ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en
staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.
De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke
lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met vele stille lichten. De
stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend
leven. Men voelde als 't ware de levende rust der geweldige stad. Er
droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende
reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een
schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt
en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten
in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.
Wat deed ze nu, op 't zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open
venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige,
onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde
van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar
de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die
vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf
willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen:
Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of 'k sla je den dikken
kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had
hem levend kunnen villen, hem verscheuren!
Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken
meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New
York en ik reikhalsde naar 't donkergrijze westen, in de richting
waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar
zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen
van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu
nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van
mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht
zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook
maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien
toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en
slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met
den electrischen tram die, ik wist het, ook 's nachts nog om het half
uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of
ik aan haar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik
komen moest, of ze mij niet wachtte....?
Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte
ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik
mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte
de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok
en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna
liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht.
Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er
naartoe in stormpas om toch op 't uiterst oogenblik nog niet te laat
te komen.
--Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende,
toen hij mij buiten adem aan zag rukken.
--Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.
In 't schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.
--Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte
hij.
Ik ging in een hoek de veters van mijn laarzen aanrijgen en keek naar
de van binnen verlichte, wachtende tram.
Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met
hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat
dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en
peinzende oogen.
De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn
scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte
drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven
leefden en dat zij, na 't volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten
en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal
te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en
abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun
natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook,
ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het
onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na
te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van 't gekke mijner daad,
maar deed die toch.
De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de
donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische
draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een
bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen
en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd
en flikkerend naderde.
--Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een
donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht
en snel reed de electrische weg.
Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte
tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte
van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de
zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust
van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.
De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam
en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder
stopte hij weer; en op hun beurt verlieten de slaperige arbeiders
den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed
de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de
banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de
langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep,
als 't ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad,
met een geluid van zink.
De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere
die gereed stond, reed weer af.
Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik
zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de
duisternis opgezogen.
Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar
stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter
scheen te worden. De villa's schemerden achter de boomen en veel
schoone sterren blonken in den stillen hemel.
Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg,
grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daar geen
boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er
ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch
en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter
klopte en hamerde het hart.
Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen
redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan
in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. 't Was
mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht
keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van
mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust
der gansche streek. Ik schaamde mij als 't ware; voelde den diepen
wanklank met de rustige omgeving.
Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand,
eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek
alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest
moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar
liep. Al mijn gekke illuzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou,
dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht
beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der
werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór
haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een
soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil
en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en
dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals
alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.
Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik
daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld
is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden,
tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie,
in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven
als een landlooper in 't holle van den nacht, opgezweept door de
onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.
Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk
en zeeg alles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide
loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en
zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar
schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al
die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven
voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart.
Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en
eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen
zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou
ik wéten....
Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige
reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik
stapte in.
Aan 't oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel
piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.
De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.
De dag,--de groote dag--was aangebroken.