Kunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch
en verheft hem hoog en nobel boven de kleinzielige sleur van 't
alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde,
liefde in den schoonsten en den ruimsten zin van 't woord.
Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de
lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud's ouders volgden.
Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook
wel,--'t spreekt van zelf,--aan de Zuidpool en omgeving; en met angst
zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer
schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds zachter werd en de
sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt.
De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken
over de gladde oppervlakte lieten er,--schrijnende emblemen van alle
vergankelijkheid,--nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en 't
werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk hoe al die schoone
kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe
beschermengel over mij en naarmate de ijskunst in het niet verzwond,
ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,--en in ons beiden: in Maud
en mij,--de koesterende heerlijkheid van den breederen, blijvenden,
algemeenen kunstzin op.
Dat was aldus gekomen door 't bezichtigen van die monster-schilderijen
in Papa's huis en vooral door 't bezoek op Maud's boudoirtje en het
bewonderen van haar aquarellen-album.
Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en 't zich ontwikkelen
van het kunstgevoel in 't algemeen, van dien ontroerenden tijd
in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben
gezegd,--wàt al weet ik niet meer,--dingen, die het geloof in haar
levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat,
terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat ik, ondanks al mijn
verregaande bescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en
scherpen critischen kunstzin beschikte.
Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den
alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren en verdronken
was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel
integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname artistieke vrienden uit
de "old country;" van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en
zelfs van den Grooten Musicus; en die verhalen boeiden haar bovenmatig;
haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen
kennen; zij snakte naar een meer artistiek en intellectueel milieu;
en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in
Amerika haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had
de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome;
zij stelde zich wonderen voor van 't heerlijk leven der artisten in
die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls heentoog,
en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als
het ware aan die bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen.
Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken
in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel bezoek
bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux,
welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: dat van een
Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk's hoofdstad woonde
en mij eens op zijn atelier ontvangen had. Inderdaad had ik haar meer
pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie
Tieldeken van Meylegem en tot de mooie freule van 't Kasteel; maar,
vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan.
Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde
niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als ik tijd had,
een uurtje bij haar te komen doorbrengen.
Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als
van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, tot
het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en
er geregeld het middagmaal gebruikte.
Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche
familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot het groot
geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den
banalen huiskring en zij deed mee als ik in het banaal gesprek over
banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal,
waarin heerlijke werelden van geluk zich soms in één enkelen zwijgenden
blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest,
onze ziel, ons ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre
daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op
en noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen.
Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in
duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend
geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde
haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer naar buiten,
in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren
ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde gezelligheid van
't lichte boudoirtje, ofwel lange wandelingen door de velden en de
bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die,
zelfs tot in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws
en wilds behouden heeft.
Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde:
thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. En eigenlijk was
het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte
bezielde en vervulde mij geheel en al: mijn vurige liefde en hoe ik
haar die eindelijk verklaren zou.
Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn
brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; maar wanneer,
maar hoe: dat was de groote vraag!
Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige,
ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep in mij,
geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en
geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn arm, die naar haar
toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, hou
je stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele
stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En dan was er ook
nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks
zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die heimelijke stem deed mij
telkens denken aan 't gezicht van "Auntie" met haar felle spot-oogen;
en 'k was er banger voor dan voor de ernstig-waarschuwende stem, want
ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren:
"En vooral, maak je niet belachelijk!"
Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het
boudoir-uurtje of de wandeling in 't veld was afgeloopen. Dan was de
twijfelstrijd althans geëindigd en in 't gezelschap der gansche familie
voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die
ons daar beiden op een apart en als 't ware superieur plan stelde. Dan
zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan
voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we
werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel,
als het mogelijk was geweest, mijn arm om haar middel durven slaan
en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en
onbevangen; en alleen de oogen van "Auntie," die ik altijd, altijd
raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij
levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was.
Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche
smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche
toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die
verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en
die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden
steigeren. Zoo werd ik eens vergast op "oystersoup." Dat waren uit
hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde
stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen;
en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid
was, lag vol met groote, dikke, witte vellen.
Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel
proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetseld en dat
het alles langs mijn neus zou uitkomen.
--Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.
--Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan
gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.
--Laat u 't maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik
niet kòn.
--Neemt u 't mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.
De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden 't allen even
heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie's oogen flikkerden bijna
uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden
met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog
geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op
en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo "funny" die groote meneer,
die nog geen "oystersoup" kon eten!
Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een
likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een
zware dobber. Papa strekte zich met de sigaar tusschen de lippen
in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over
"business" te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte
hij over "business." Het woord "dollar" klonk aanhoudend als een
hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen
schenen zich als 't ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen,
terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich
heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen
was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen
was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste
heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken,
en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk,
dat slechts door ziekte of door 't einde van het leven meer verstoord
kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij
aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en
sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij
gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met
welwillende genadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er
wellicht ook zou komen.
--In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder;
maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende
geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets
meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika.
Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd
en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij
ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer
van gedempt licht en 't was voor mij als 't komen in een mooien tuin
met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa's gebusiness en
gedollar. Maud's oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen
glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama's grijze
haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht,
terwijl Auntie's wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur
zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met
minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij het einde van den
dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte
oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door 't kontrast, al de
frissche jeugd en schoonheid van 't jong meisje; en 't zong in mij, o,
't zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies;
en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke
rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.
Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich
alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes
te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te
vleien. 't Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik
op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en
angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek
en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop
volgende week af. "Auntie" herleefde even uit de schemering weer op
en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.
Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen "gewoon" aan en gaf
ze mij "gewoon" de hand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van
binnen verkilde en 't was alsof er diepe snikken naar mijn keel
opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand
iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw
genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken;
dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van
liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde
zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren.