IV

--Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op

mijn vraag, of er daar ook 's winters op den vijver schaatsgereden

werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd

en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den

avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we

krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de

vroolijkheid in, wees dat maar zeker.

De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud

en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het

was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en

'k durfde niet.

Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden

iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende,

oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in

kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke

dagen, ter verovering van den ellendigen dollar op de kantoorkruk

te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te

zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij

half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag,

stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit;

ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein,

om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te

X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe.

Ik merkte, of, beter gezegd, ik "voelde," zoodra ik buiten het

stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden

zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen

wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:

--The ball is up!

The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon

gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een

winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom

wat dat beduiden wilde.

The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de

glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als 't maar geen valsch

bericht is! Mijn oogen priemden in 't verschiet tusschen de villa's

en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend

hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast

het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op

den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer

en door elkander zwierden!

Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn

en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen

ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op 't ijs gaat komen. Het

kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde

vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje

was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op,

ademde diep, gleed over 't ijs en zwierde....

Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. 't Genot was

exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders,

dacht aan niets anders. 't Was als een soort van dronkenheid. Ik trok

een paar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink

en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan

had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.

Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik

merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders

oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou

zijn. Enkelen waren aan 't probeeren met figuren, doch 't ging maar

heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet

veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch

was 't gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig

gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals

dat altijd is op 't ijs.

Toen zag ik haar, háár, eensklaps!

Ik zag haar heel op 't uiterst eindje van den vijver, in al haar

schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong

meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij,

eenigszins beschermend, begeleidend bij de hand hield.

Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag

kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar

haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd

het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof

ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen

begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe.

Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met

het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat

lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar

komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag

alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus

iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook

haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels,

die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak

bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik

aarzelde, herkende haar, glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar

insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine

meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als

een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik

heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel,

dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich 'k

weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even 't wanhopig gevoel of

nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in

staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje,

struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik

had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.

Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet

meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf,

verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats

van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede

aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op 't ijs. Ik trok enkele

krullen. Het ging wel, maar onbewust als 't ware, machinaal, buiten

mij om. Het was alsof een ander werkte, met _mijn_ beenen. Ik voelde

mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de

mijne waren, die niet bij 't overige van mijn physiek wezen pasten.

Daar kwam ze weer terug, met 't kleine meisje. Ze reed wel elegant,

maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar

omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij

werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken

waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste

verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend,

ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten

nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár

in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde

haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging.

--Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.

Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij

gevestigd. En ik herkende 't bij-de-hand gezicht van "Auntie," die

mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast

haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer,

die ik als de ouders van Maud beschouwde.

Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de

beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den

rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar "Auntie" zich met haar

familieleden in 't heerlijk zonnetje zat te koesteren.

"Auntie" stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie

dingen wel geleerd had.

Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de "old country," in België,

waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.

--België.... is dat in "Germany?" vroeg "Auntie" met haar intelligente,

levendig-schitterende oogen.

--Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een

apart koninkrijk, dat niets met "Germany" te maken heeft.

Ik glimlachte en knikte, bevestigde dat inderdaad België niets met

"Germany" te maken had. "Auntie" vond dat wel eenigszins vreemd,

maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude,

deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te

bevestigen dat haar man gelijk had.

Maud en 't kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag

haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel

dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.

Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets

tot 't kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar

heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar

prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij

naar het kleintje wees:

--Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens

iets deed.

--Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen

toon, mij tot het kleintje wendend.

Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.

--Nou dan, zei ik.

Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze

niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven,

dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt

niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de

minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden

of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig

en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn

voorhoofd parelen. Ik voerde 'k weet niet welke kunsten en figuren uit.

--How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.

Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn

voorhoofd droog.

Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering

aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik

gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens

voor. Zij probeerde 't, struikelde, strekte een hand uit, die in _mijn_

bevende hand terecht kwam.

Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen

lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend

naar de bank toe:

--Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het!

Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te

rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol

te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over;

zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten.

--Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei "Auntie."

Ik gaf "Auntie" en de verdere familie de stellige verzekering, dat

Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met

't opgetogen kleintje rond.

Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de

bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul

gemaakt moest worden.

Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen

aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.

--Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.

Zij herbegon, maar het ging nog niet. "Auntie" mengde zich in de

les, riep, van op de bank: "naar achter, naar achter, het linkerbeen

naar achter."

--Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.

--Mag ik u soms even vasthouden? vroeg ik.

--Graag, antwoordde zij.

Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig

vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de

mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als

pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend

stutten en droegen.

--Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar

rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En

het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke

viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen

bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot,

zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!

Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen

rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw rondom den

vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen

van het roode eikenbosch gansch purper werden en dat de ramen van het

hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op

den vijver nam zienderoogen af; op de bank waar zij nog steeds zaten,

schenen Maud's familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te

houden; en eensklaps stond de oude heer stram overeind, wenkte mij

tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee

te gaan gebruiken.

Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten

huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik zou gaan

zeggen: "O, 't is te veel, meneer; 't is heusch te schitterend wat

u mij daar voorstelt!" Ik zei evenwel iets anders, wàt weet ik niet

meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af,

hielp Maud en Violet de hare afbinden en enkele minuten later zaten

wij allen gezellig om een tafeltje in 't lekkerwarm restaurant,

bij een der groote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode

winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan.

Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds

onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo

rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog

eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal zoo,

en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De

Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. Hij wil heel

graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen

weten waarmee hij omgaat; en op de weinig bewimpelde vragen van mijn

gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht,

en wat mijn naaste toekomstplannen waren. De oude heer keurde dat goed,

knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet

direkt meer in zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte

en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week

op zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen

was overgegaan. Zijn "line" was de houthandel geweest, zei hij; hij

was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker

ook nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk

op had aangedrongen, "that he should sell out his business" om rustig

buiten te gaan leven.

Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in 't gesprek.

--Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van 's ochtends tot 's

avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar theater,

nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in

"society" brengen.

Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude

heer was een "self-made man," dat zei hij zelf, en misschien wel een

tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij

niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: het bracht mij

nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar

wel schrikten mij af de woorden van de moeder: "dat zij de kinderen

in "society" moest brengen. Society!.... dat waren diners, soupers,

bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet

ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, de huwelijksbeurs; en

hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt

tegen de met het terrein bekende en flink tot den strijd toegeruste

Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in "society"

uit; en sinds wanneer? Het brandde op mijn lippen om het te vragen,

maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd,

zoo droef, zoo machteloos!

Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij,

niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, jongen

Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen

blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige bezigheden af;

het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een

gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als hij netjes gekleed gaat en

net-gepoetste laarzen draagt, dan _is_ hij ook een gentleman. Meer

hoeft hij aan "society-life" niet te besteden.

--O, vader! vader! riepen de dames verbolgen. Het kwam mij voor dat

Maud een lichte kleur kreeg en 't kleintje kronkelde zich lachend

op den schoot van "Auntie," gansch opgewonden door de prikkelende

discussie.

Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen

op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was in zijn

manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. 't Is 'n

proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij die gedachte troostend

en welkom, omdat ik voelde dat 't mij nader en gemakkelijker bracht

tot het prachtig voorwerp mijner dolle liefde. Ik voelde mijzelf,

in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn

uitvallen, blijkbaar in maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg

mij, hoe de society-toestanden in de "old country" waren. "Pas nu

op! dacht ik in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de

Papa, maar denk ook aan de Mama." Ik keek, als geïnspireerd, door

't breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder

ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en zei:

--Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen

daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche,

nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls

verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige

artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten

achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets van

Europa's artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker

zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika's fut,

en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.

Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden

begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk der wereld

verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer

aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting tusschen

de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met

een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche stelling

te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een

Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Dit zeide ik natuurlijk niet

in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van

mijn betoog.

Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn

woorden beaamde en Mama en "Auntie" jubelden, terwijl een zachte

gloed van geestdrift even in Maud's prachtige oogen schitterde. Het

gesprek werd intiemer, "Auntie" had het nog eens over België en

stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk

niet in "Germany" lag. Papa werd bijna giftig en zei dat zulke

halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid

grensde. Maar "Auntie" liet zich dat maar zoo niet zeggen. Zij keek

mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij

met nadruk of ik er wel heel, héél zeker van was, dat België niet

in "Germany" lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik

beweren dat België wèl in "Germany" lag, dan was ik voorgoed verloren

in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud;

durfde ik beweren dat België niet in "Germany" lag, dan verbeurde ik de

sympathie van "Auntie," en, dit voelde ik héél sterk en instinctmatig,

"Auntie" met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad

doen bij Maud. De liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats

van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de

pot, zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan

zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje als België

op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de

eerste maal was dat België's bestaan als eigen koninkrijk in twijfel

werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin,

de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde om mijn woorden en het als

een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een

wispelturig gebaar, haar kopje omgooide en mij van de heup tot de

knie met warme thee besproeide.

Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij

niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar toen werd

er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van

onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. Papa viel mij dadelijk

in de rede en zei, genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich

ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid,

eenige mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond

even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd dat

ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn

bereidheid om die wonderen te aanschouwen.

--U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien,

glimlachte Papa met vaderlijken trots.

Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om.

--O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik.

--Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en

richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde.

Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie

verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) maar

den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten

en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen.

Of ik ook tijd had! In werkelijkheid had ik geen tijd, moest er mijn

ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa

bromde wel, dat men mij niet van mijn "business" mocht afhouden, daar

ik een flink "American" moest zien te worden; maar ik stelde Papa

gerust, gaf hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig

dien dag absoluut niets uit te voeren had.

De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen,

als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten vijver kreeg

vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten

nacht versomberde tegen het strakke wit der sneeuw.

Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht.

--Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij.

Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in

de hand stapte ik naast de familie heen.

De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien

nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, als het eens niet

meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou

invallen; dat hij niet komen zou alvorens mijn liefde, alvorens _onze_

liefde vast aan elkaar geklonken was.

Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en "Auntie." De boomen

van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel over

ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster,

heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; rechts, in

't rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als

een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte hoog, met fijne,

schrille kreten het glanzend westen in.

Wij keuvelden over diverse dingen. "Auntie," die nog steeds

veel belang in de "old country" stelde, wilde o. a. weten hoe de

welgestelde menschen aldaar 's zomers leefden. Ik vertelde haar van

de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen.

--Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende "Auntie." En zij deelde mij

mede dat zij 's zomers meestal voor een poosje naar Newport gingen,

en dan naar Saratoga in de bergen en in den herfst naar Lennox,

allemaal plaatsen waar het heel aardig en "smart" was.

"Society" sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: "Als we nu maar

stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi invalt!"

Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij

de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, die met

Violet aangekuierd kwamen.

Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken

die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts aanleidingen

tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen.

Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik

keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en 't kwam mij voor of

in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van

zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield die eventjes, héél

eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en 't kwam mij voor

alsof zij deze drukking ook heel eventjes met een extra-drukkingje

beantwoordde, alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door

mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat

langs mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde

en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween.

Het stoomde als 't ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende

gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was geworden

en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren

reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór mij uit, heuvel

op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik,

dat ik èn de aanlegplaats der "ferry's" èn het station van de West

Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in

een stemming om ergens te gaan zitten of te wachten; ik had behoefte

aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken,

en hardop praten in de nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds

verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar

New York terug, niet meetellend mijn moeheid en den afstand, ik liep

als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn

hartstochtelijke liefde.

Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook,

het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk den

moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik

nooit meer in 't lieve Vlaanderen gaan leven? Zou ik nooit meer de

bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie,

kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule van 't kasteel, en mijn

oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de

eenmaal diep-gehate Groote Musicus terugzien! Het suisde en woelde

pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan

als een soort gistkuip waarin, onder mysterieuze en folterende werking,

mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve

wel in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan

was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, in

al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land,

bij al wie mij kende! Wat een triomf om met haar over de Leie te

gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het

kasteel, het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die

ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule,

en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor

al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd of bejegend

hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn

taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens met alles-overweldigenden

aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend

en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, eenzamen weg onder de

stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in

't verschiet de eerste lichtjes der geweldige wereldstad zag flikkeren.

Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn;

en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het begin of het eind

van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming

van uit, die alle romantisme en ideaal terstond op 't tweede

plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten

op den geheimsten bodem mijns harten neer. De buurt was vuil en

banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn

begint of eindigt; maar op den hoek was er toch nog een "bar" van

niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen

en bestelde er een cocktail. Ik vroeg den "barkeeper" of hij mij wel

een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden.

--Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste

lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een

merkwaardige gelegenheid als de zijne, de fijnste "drinks" werden

klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook

wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had.

Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen

gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone wereld

glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een

zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Had ik nu maar een mooi

rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht

ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! Mijn huis was verre, verre,

in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de

keel toe en ik kreeg tranen in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier

geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij

had wèl een thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien;

en ik droomde dat dat heerlijk home nu ook _mijn_ home was en dat

haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van 't kroegje stond,

om mij bij haar, in haar schoone armen, naar huis te voeren. Voor de

deur van 't kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar 't was de zeer

prozaïsche electrische tram, waarvan de wattman en de conducteur den

beugel omsloegen.

Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram.

V

De dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud's familie,

was aangebroken.

't Was stralend mooi weer, nog mooier dan al de vorige dagen. De

winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs-

en blauwwazige lucht was prikkelend zuiver en sonoor van geluiden

op den hard-bevroren grond. 't Was als een winterfeestdag in de

reine lucht.

Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel

bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best zouden

staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen,

hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins kan opsieren. Mijn

teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden

dat daarbij paste. Ik probeerde 't eerst met een donkergrijs pak en een

steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar 't maakte mij wat dik;

't voldeed mij niet.

Ik trok een zwart pak aan, met blauwe

das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! 'k Zag er net uit als een burgerman

op zijn zondagsch. Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik

gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee

tevreden. Het stond wat streng, wat dor, maar 't miste niet een

zekere, sobere distinctie. Een paarlen speld fleurde het trouwens

nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar

ik viel me toch nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek.

Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond

Irish Stew op 't menu en daar hield ik heel veel van, maar ik dacht

er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn

als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat maakt lichter, ideëeler,

spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en

loom en zwaar; een mensch, die een enkelen maaltijd laat voorbijgaan,

krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook

nog, en die is zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk

besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou "iets" krijgen en

mijn superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor 't eerste

in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige "lobster-salad"

en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee

trok ik op.

De familie was reeds druk aan 't schaatsenrijden, toen ik op het

ijs aankwam. Maud was met inspanning de krul aan 't instudeeren,

die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en 't kleintje, Violet,

kwam naar mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend

dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan

't knoeien en aan 't zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk

heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste triomfen:

ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan 't werk van Maud

ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat gedaan moest worden om

't figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even

bij de hand mocht nemen; en daar ging het ineens: zij snapte 't,

zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal

na elkaar; en zij keek mij met zulk een stralende dankbaarheid, met

zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde

in haar mooie oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even

van emotie naast Papa en Mama en "Auntie" op de bank moest gaan zitten.

Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo

van die dagen, waar alles meewerkt, evenals er andere dagen zijn,

waarop alles tegenvalt. Er hing als 't ware geluk en voorspoed in de

atmosfeer; alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk

en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong kind in

juveniel geluk van 't kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij

en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder en een held, als

een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had.

Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder

op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden was het, voor

mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden;

wij reden en wij bleven rijden; en ik weet niet wanneer wij er wel

mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel

was verdwenen, wat voor onmiddellijk gevolg had, dat Papa en Mama en

"Auntie" eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van

de bank opstonden, en verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu

naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was.

Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die

laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee langs den

besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen

het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was zóó verrukkelijk schoon

in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als

een soort godin, bij vergissing op de aarde neergedaald. Ik had haar,

als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor

haar in de sneeuw willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen

van geluk schreien aan haar voeten.

Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den

heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik bij elke

villa, die wij langs kwamen. Maar 't liep een heel eind verre: het

liep tot boven op den heuvel, tot op een punt waar heel alleen een

laatste, groote villa stond die, ik voelde 't instinctmatig, hààr

"home" wezen moest.

Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen

glimlach aan en zei:

--We zijn er.

Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de

sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; een pad was

tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom

't huis liep.

Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik

juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, om dat

te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede

te genieten.

In 't Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over

een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De sneeuw

was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten

kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch donkerde, dicht en zwart,

als een rouwkleed op 't glinsterend wit van een verderen heuvel. Een

paar fabrieksschoorsteenen staken hun rechte pijpen in de hoogte,

zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen.

Naar de oosterkim was 't schouwspel gansch verschillend. Daar lag in

de diepte de prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen 't

wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche

vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar

de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de groote, machtige

"ferries" die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen

tintelden van lichtjes aan de overzijde; en gansch aan 't einde van

den horizont, naar 't Zuiden toe, was 't of daar ergens een vulkaan

in werking was: lichtschichten flikkerden, rookkolken somberden

en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre

aangewaaid: de grootsche stem van New York met al zijn duizenden,

en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als

een noodkreet, de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt,

klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk.

Ik stond daar, en 'k had er uren kunnen blijven om te zien en te

genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden van die

geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig

als de overweldigende, bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem

voor haar bruisde. Maar "Auntie" kreeg het koud, "Auntie" was bang

voor "chills" en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de

zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen.

Hij draaide aan een knopje en in de "hall" ging electrisch licht

op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van groen,

rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen

indruk, als in een oostersch paleis of in een kerk. Zware kasten

stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een

donkerroode looper liep langs een monumentale trap naar boven. Links

hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er

recht op af, om alvast te bewonderen; maar Papa hield mij tegen,

zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te

beteekenen had. Hij hielp mij mijn jas uittrekken en haakte die aan

een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend

duwde hij een zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan.

Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd.

Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed

in 't Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. 't

Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. 't Was om

er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte van

een gedempt-gloeiende vulkachel vulde 't vertrek met een egale,

koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in een serre,

of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen

van al 't schoone dat daarbuiten lag, zonder de onaangename scherpheid

van de koude te voelen.

--O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik.

Maar Papa deed zenuwachtig en als 't ware eenigszins gehinderd. Laat

ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; anders kunnen

wij de schilderijen niet goed zien.

De schilderijen! 't Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn

schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten, zoo diep had

mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid.

Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap

op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch dienstmeisje

kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en

theewater te brengen.

Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als 't ware

uitgewischt. 't Was of een groote, ruwe, schennende hand ze met

doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld

verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar lichten op;

en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend:

--Look now! zei hij.

Ik keek....

Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast

had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik was op alles

voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op 't eerste

gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik mij had voorgesteld.

Het waren in de eerste plaats portretten; en ik herkende Papa en Mama

en "Auntie" en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door

een dolle neger, iets zóó geweldig onartistieks en leelijks, dat ik

de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde

poppen uit een panopticum of kermis-kraam, van die dingen welke de

handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men

's nachts van droomt, in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd,

dood, gedrochtelijk. 't Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik

terstond besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen

gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings en

onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met

een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige lafheid van den

smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam.

Papa zette 'n hooge borst op, kuchte, kreunde als 't ware van

trotsch genoegen, terwijl Auntie's felle oogen flikkerden en Mama

met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde:

--Oh yes, they are very lovely, indeed.

Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te

genieten.

Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig "sous-bois"

konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil plagiaat van

Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes

dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, als geklopte room op

chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij 'n kleiner schilderijtje

in een hoek en zei, terwijl zijn stem even van emotie hikte:

--En dit is 't fijnste wat ik heb.

Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes

langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, met de

visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht

op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes en banaal geschilderd

als een chromo; 't was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar

ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; ik zei dat het precies zoo

was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij

vertellen, en vroegen naar allerlei bijzonderheden uit die streek

en zeiden dat zij 't vaste voornemen hadden een of anderen dag dat

verrukkelijke land te gaan bezoeken.

Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O,

zou ze toch werkelijk.... in de "old country", zoo heel dichtbij mijn

eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij

er niet zou willen blijven, met mij.... met mij.... als mijn beminde,

als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè

heerlijk, ik mocht mij niet zoo in vervoering laten meeslepen. Verder

liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den

vleugel staan, waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar

zag ik weer Papa, en Mama, en "Auntie" en ook Maud, doch nu in al

hare verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd,

als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch van,

wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik

voelde 't heete bloed naar mijn wangen opgolven, terwijl een zwoele

hartstochtsnevel vóór mijn oogen schemerde. Meer andere, meestal

knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van

wie die waren: Isabel, zijn oudste dochter en Violet's moeder, die in

California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was

en verder nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud's

portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en

donkere snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. "Is dat

ook een zoon van u?" vroeg ik aan Papa. "No, a friend," antwoordde

hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor 't oogenblik een

lange reis maakte voor handelszaken in Australia.

Op een schrijftafeltje bij 't raam stond een kleine aquarel en ik

voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit iets was,

dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen,

bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, kalm, met ernstige,

als 't ware beheerschte bewondering:

--Dit is 'n aardig dingetje, zei ik.

Ik zag het vuur over Maud's wangen komen en 'k dacht dat Papa van

overmoed ging omvallen.

--Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte 't, zwellend

van vaderlijken trots.

Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis

werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat het besef

ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe,

bekeek de aquarel met uiterst ingespannen aandacht, richtte mij op,

staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken,

het jong meisje aan.

--'t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken.

Papa jubelde:

--En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar

boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud.

--Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend.

Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende

woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, op mij

gerichte oogen van "Auntie" even met een eigenaardige uitdrukking

zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop

thee wilde drinken.

Ik weet ook niet, of ik voor dan na 't bezoek op het boudoir die kop

gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over nagedacht en

ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik

een kop gedronken heb, vóór of na 't bezoek op het boudoir.

Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de

"hall" kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche hanglamp

van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper

met haar de trap op ging.

't Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik

had geen de minste moeite om mij in te denken in 't geval dat ik

met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze

slaapkamer gingen. Op 't eerste trapportaal duwde zij een witte deur

open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden.

Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en 't

geurde er bedwelmend naar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke,

lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als

een bed.

Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even

sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in mijn armen

te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En

'k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu komen zou, alsof het vanzelf

zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet

anders kon.

Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een

lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, schoof

twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten.

Ik nam plaats, machinaal, als in een droom.

Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag

haar langzaam, een voor een, de bladen van het album omkeeren en had

niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn

bewondering moesten getuigen, maar kende geen verschil tusschen een

landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op felle vlakken,

die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen

troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, in een hemelschen

tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde.

Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb

weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden hartstocht

haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu

nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar het is niet

gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het

album dicht, stond op en ging het weer op zijn plaats, achter de

rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar

kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, bevredigd of onbevredigd,

ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote

kilheid in mij doordrong en dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het

was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel

dat ik tusschen twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en

een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijke ramp

ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd

ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon gewoon weer als

een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik

met haar naar beneden kwam en ontweek machinaal den fel-vorschenden

blik van "Auntie;" maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn

waardeering en bewondering uiten en die zelfs met eenige consequentie

en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij;

zij keek mij aan, met dankbaarheid en sympathie.

Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet

meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee dronk vóór

ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer

beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel duidelijk. Ik dronk

thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te

lang voor dat eerste bezoek; ik wist heel goed mijn tijd te kiezen;

ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet.

Bij 't afscheidnemen drukten wij elkaar de hand. Onze oogen

keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne,

misschien een halve seconde langer, dan volstrekt noodig was. Trok

zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig

los? Ik weet het niet meer. Maar die halve seconde voelde ik in mij,

als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur,

door Papa begeleid; en 't oogenblik daarna stond ik, in den scherpen

vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg.

Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al

de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen hemel schenen

voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot

en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak een sigaret op en voelde

mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef

dat mijn bestaan heel waardevol en dierbaar was geworden en dat ik

heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe

en uitgeput, maar toch zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan,

dien dag; ik had het maximum bereikt van wat ik kon verwerken; en in

plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was,

trok ik huiverig den kraag van mijn jas op en ging doodstil en kalm

in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten.

De gansche wereld woelde als 't ware in mij om en de menschen liepen

langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van 't bestaan

geworden. Even sprak ik hardop in 't stille van de wachtkamer en

merkte niet eens dat de overige reizigers mij vreemd aankeken. Toen

de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur

later in het Pennsylvania Depot stilhield, stapte ik er machinaal uit,

zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had.

't Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn

maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. Ik kocht

een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op

en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. Was ik nu

heelemaal overstuur en gek?

Ik trad een "bar" binnen. Ik was er nauwelijks of reeds speet het

mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik

hoorde een kort hoongelach van den barkeeper.

Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes

aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog naar iets te

kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer

toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens en gewaarwordingen op.

Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen

in het onbestemde vóór mij heen gevestigd.

Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij

heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan 't schoone Vlaanderen,

aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van

't Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam over mijn

wangen vloeiden....

Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik

wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed.

De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur.

Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen.

De roman van den schaatsenrijder · 第 19 / 27 题