Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid
der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur op
zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen
essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de natuur gebruik maakt,
de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze
schoonheid diep verstoren.
Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is
doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel op zichzelf. Een
akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft
bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze schoonheid hebben. Maar
onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven
den grond afgezaagde boomstammen zijn blijven staan en tusschen wier
zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn
er vele landerijen, gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers,
welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs-
en handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig
op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de stronken door,
zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk
den oogst van dollars in te halen.
Dat geeft aan 't land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het
lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen getrokken;
't is of er oorlog heeft gewoed.
Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika
bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende
wereldwonderen, maar aan veel intieme plekjes, die in geen
toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in
mijn geheugen hebben nagelaten.
Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen
van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde wegen,
met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de
appelboomen en de pereboomen, tot in 't oneindige. De verschijning van
een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je
ging, je wandelde, uren en uren en je zag mensch noch huis, je zag
alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende
najaarszon, onder den stillen, magnifieken, vlekkeloos-azuren
hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van
hun vruchten plukken? De appels bloosden rood als vuur tusschen het
bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud;
en onder elken stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof
bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden
omgekeerd. Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche
eenzaamheid onder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op
't gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken er
mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets
dan 't houterig gesjirp der krekels en je zag niets bewegen dan af
en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen,
dat schitterde als een zonnespatje waar het fladderde, of wel op
een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels
op een halmpje of een sprietje zat. Er was daar ook een meertje,
stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet
en biezen schoten er bij plaatsen woekerend uit op. En af en toe,
wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die
weerklonk als een snik in de stilte, terwijl het water ervan borrelde
en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn
verlaten oevers ging uitdeinen.