DE GROOTE, DEFTIGE IJSLIEFDE

Dat rusteloos rijden en trekken, dat steeds verder en verder willen

komen en steeds meer willen zien en genieten, bracht mij ten slotte van

uit de schoone eenzaamheid der dorpen en der velden tot in de groote,

drukke stad, waar veel en veel duizenden menschen leefden. Ik maakte

er kennissen, die van lieverlede vrienden werden. Weldra verkeerde ik

er op intiemen voet met den Grooten Dichter, den Grooten Schilder,

den Grooten Musicus en nog veel anderen, allen hartstochtelijke

schaatsenrijders. Wij reden er samen gecompliceerde en mooie figuren

midden in een elegante drukte van dames en heeren, die ook reden

en ons zeer bewonderden. En zoo langzaam aan breidde de kring van

kennissen zich uit en wij werden allen mondaine rijders en weldra zag

men ons zwieren met mooie, geparfumeerde wezentjes, in rijke, bonten

mantels en 't werd een soort gedistingeerde hofmaking van elken dag,

waaruit,--zoo werd gefluisterd,--wel een paar chic-que huwelijken

zouden kunnen voortspruiten.

Huwelijken!.... Ik geloof niet, dat een van ons allen daar een

oogenblik ernstig aan dacht. Misschien dachten de mama's er aan,

terwijl ze, vaag haar dochters chaperoneerend, met welwillenden

glimlach zich in sleedjes lieten voortduwen, en misschien wel

dachten de meisjes zelven aan iets dergelijks, want haar oogen

straalden zoo en zij schenen zoo intens van alles te genieten; doch

wij.... neen.... wij dachten alleen aan prettig schaatsenrijden en

een beetje los en aardig flirten.

Maar hoe dan ook, de Groote Dichter reed stellig bij voorkeur met een

aardig snoetje, die een mooie, bruine pels en een toque met paarse

viooltjes droeg; de Groote Schilder, die lang en mager was, scheen

zijn keuze te hebben gevestigd op een mollig, frisch wezentje met

appelronde en roze wangen, en de Groote Musicus, vrij kort en dik van

figuur met fladderende krullokken, zooals een musicus betaamt, kleefde

vast aan een lang-opgeschoten, mager meisje, zeer elegant, maar ietwat

stijf en stroef in haar bewegingen. Ik alleen had nog niets vasts!

Nog niets bepaalds, maar wel iets in 't zicht!....

Langs de lange banen die ik volgde om ter groote stad te komen,

langs de vele en sierlijke lussen en bochten der poëtische rivier,

rezen menige villa's, buitens en kasteelen op, die 's zomers allen

vroolijk bewoond, maar bijna zonder uitzondering 's winters stug en

dicht gesloten waren.

Bijna allen, maar toch niet àllen! Een was er, ongeveer halverwege

tusschen mijn dorp en de groote stad, dat het gansche jaar door

werd bewoond. 't Was een baron, die daar vertoefde, burgemeester

der gemeente. Ik had wel eens zijn naam hooren noemen, maar hem zelf

nooit gezien. Ik wist ook niet dat hij gehuwd was en kinderen had en

't kon mij trouwens ook niets schelen.

Het was een mooi kasteel, lichtroze en grijs in harmonieuze

schakeeringen en het verhief zich tegen een achtergrond van statige

boomen, op een zacht-glooiend grasveld, bij een bocht van de rivier,

die daar een breeden inham maakte. 's Zomers moest men er voorzeker van

een heerlijk vergezicht genieten over de stille kronkelingen van het

water en de alomliggende weiden, bosschen en landouwen. Maar zelfs in

't barre van den winter was het er liefelijk en mooi en het verwonderde

mij niet, dat de familie er 't gansche jaar door bleef wonen. Ik

keek er telkenmale naar met welgevallen wanneer ik daar voorbij reed

en alleen verbaasde 't mij dat de menschen die daar leefden niet

de heerlijke gelegenheid te baat namen om er volop van 't ijs te

profiteeren. Hoe is 't mogelijk! dacht ik telkens in mijzelf. En ik

had daar wel willen aan wal stappen en binnen gaan om hen te zeggen:

"Maar, menschen, komt nu toch op 't ijs, niemand in den ganschen

omtrek heeft zulk een prachtige gelegenheid, vlak vóór zijn deur!"

't Was of mijn stillen aanroep werkelijk geuit werd en of zij er

gehoor aan gaven. Eens, op een morgen, toen ik daar langs kwam,

waren zij werkelijk aan 't schaatsenrijden! Ik kende hen wel niet,

maar ik begreep dadelijk en instinctief, dat "zij" het waren. Dat

voelt men zoo, dat ziet men, dat hoeft niet gezegd. Met hun vijven

waren ze: een jongeling van zeventien of achttien, twee meisjes van

dertien of veertien, een juffer zonder leeftijd, die er uitzag als

een gouvernante en ten slotte een jonge dame van misschien acht en

twintig of dertig, een beeldschoone vrouw.

'k Ben meer dan eens, met alles-verzengenden, plotselingen gloed,

verliefd geworden op het ijs, maar zóó totaal en overweldigend-verliefd

als ik dáár werd op 't eerste zicht, neen, dàt was mij nog niet

overkomen. Ik had maar één plotse afschuwelijke, alles-vernietigende

vrees: dat zij wellicht de moeder was der andere kinderen en dat mijn

vlam dus in den dop versmacht zou worden; doch op hetzelfde oogenblik

dat die gruwelangst door mijn ziel heen ijsde, hoorde ik de jongere

meisjes familiair haar naam "Olga! Olga!" uitroepen en het streek

als een zalvende balsem over mijn gefolterd hart.

Zij was lang en slank van gestalte, maar met toch mooi-gevulde vormen,

en zij had schoone regelmatige trekken, en prachtig, donker haar,

en een gezond, frisch teint, en oogen.... oogen, zooals ik er nog

nooit zulke sprekende, bezielde, overweldigend-prachtige gezien

had. Haar gansche beeld boeide mij zoo totaal en absoluut, dat ik

staan bleef, als plotseling geremd, als vastgevroren, om haar te

bewonderen. Zij droeg een donkerblauwe japon en daarboven een witte

jersey en wit-wollen mutsje, en dat stond haar, dat mouleerde haar

mooi lichaam en sierde haar mooi hoofd, om er ziek van te worden!

Zij reed niet goed. Men kon duidelijk merken, dat ze zich nog maar

weinig had geoefend. Haar bewegingen waren stroef en aarzelend,

maar hoe gracieus niettemin, hoe heerlijk en ontroerend gracieus,

wellicht juist omdat ze ietwat hulpbehoevend waren! Zij reed heen

en weer met de jongere meisjes, die ook al vrij gebrekkig reden,

evenals de gouvernante trouwens, die met moeite kraste en krabbelde,

en heelemaal geen elegance had. De jonge jongen, op een apart plekje,

poogde zich te oefenen in 't kunstrijden, maar 't was armzalig, hij

kende er nog niets van, hij struikelde en gleed uit en dreigde elk

oogenblik te zullen vallen.

Ik stak een sigaretje op, schijnbaar achteloos, als om even uit

te blazen, zwierde een paar keer gewoon heen en weer en trok dan

plotseling, op het geschikte oogenblik, waar ze 't goed konden

zien, met zegevierend brio, een van mijn allerprachtigste,

allergecompliceerde kunstfiguren.

Zij zagen het en stonden eensklaps stil, als 't ware pal van verbazing

en bewondering.

--Olga! Olga! tu as vu, ça! riep een van de meisjes, in 't Fransch,

tot de ontroerende schoone.

Ik, natuurlijk, deed, alsof ik niets gemerkt had. Maar mijn hart

klopte, klopte....! Ik schudde de asch van mijn sigaret, reed een

eind weg, keerde terug, nam mijn elan en waagde een figuur dat,

als het lukte, een van mijn gróót-triomfen was.

Het lukte! Als een vogel zweefde en fladderde ik over het ijs en

achter mij ging weer een kreet op van bewondering, terwijl ze zich

nu allen in een groepje schaarden en kijkend stonden te wachten wat

er nog meer zou gebeuren.

Iets in het diepste van mijn wezen zei mij, dat er nu niets meer

mocht gebeuren. De triomf was totaal, compleet, en kon slechts meer

bedorven worden. Ik had ineens, door mijn smorende liefde overweldigd,

tè veel gegeven; ik had meer gegeven dan ik werkelijk kon en ik hijgde

en duizelde van de inspanning. Mijn opgewekte zintuigen waren tot het

uiterste geprikkeld en gescherpt en 't zou mij welkom zijn geweest als

er nu plotseling met mij iets was gebeurd; een flauwte, een inzinking,

een klein accident, iets dat mij alle verder kunstenvertoon onmogelijk

maakte. En plotseling kreeg ik een geniale ingeving: ik begon een

kunsttoer, iets geweldigs van aanvang, alsof ik nu eens alle bekende

en onbekende wereldrecords ging slaan; maar meteen zorgde ik er voor

dat een van mijn schaatsen even over het ijs schraapte, en haperde,

en hobbelde, alsof er iets aan mankeerde of gebroken was. Ik remde

midden in mijn wildste zwieren, tilde den voet op, keek naar mijn

schaats, schudde bedenkelijk het hoofd en hinkte op één been naar den

oever toe. Ik hield het voorname groepje wel in 't oog, ik merkte

duidelijk een spijtige, teleurgestelde uitdrukking op de gezichten

en hoorde deze mij zoo zoet in 't oor klinkende woorden:

--Quel dommage! Il a cassé un de ses patins!

Ik was gaan zitten op den grasrand bij den kant en had mijn

rechterschaats losgemaakt. Ik keek ter sluiks en dacht: "Zouden ze

zich niet interesseeren? Zouden ze niet komen vragen wat scheelt

er?".... Helaas! zij kwamen niet. Ze bleven nog een poosje staan

kijken, wellicht wachtend of ik het gebrek kon repareeren en weer

met mijn kunsten zou beginnen; maar toen ze merkten dat er niets

van kwam, keerden ze zich weldra om en gingen kalm weer aan 't

knoei-rijden. Diep voelde ik mij ontnuchterd en teleurgesteld. Het

was zoo mooi begonnen, 't liep alles zoo prachtig van stapel en nu,

juist nu als het tot een triomf moest opbloeien, ging het als een

nachtkaars uit! Wat nu! Zou ik weer mijn schaats aantrekken en mij

in vertooning geven? Neen: ik voelde, dat ik dàt niet doen moest. Nu

was er nog als een aureool van slachtoffer om mij heen. Ik moest dien

dag slachtoffer blijven. Dat stond beter, grooter, verhevener. Nu

konden ze nog in hun herinnering bewonderen wat ze gezien hadden en

treuren om wat hun onthouden werd. Zij zouden er nog met elkander

over spreken, mij beklagen, hopen mij terug te zien. Ik stond op,

met mijn rechterschaats onder den arm en op mijn linkerbeen alleen,

dat 't sterkste van de twee was, zwierde ik over het ijs weg, licht en

krachtig nog ondanks mijn ongeval, waardig en zelfs groot,--ik voelde

het,--in den onverdienden tegenspoed die mij getroffen had. Even

voorbij de bocht keek ik eens om en zag, dat ze mij naoogden. Mijn

gemoed zwol van trots en ik ademde diep. Ik voelde dat ik indruk

had gemaakt, ja, dat ik overwonnen had. Er was daar een gehucht van

kleine huisjes aan den rand van 't water, waaronder een herbergje. Ik

wipte aan wal en stapte er binnen. Een dikke vrouw kwam naar mij toe,

groette mij vriendelijk, praatte dadelijk over 't mooie weer en vroeg

mij wat ik wenschte. Ik begreep terstond dat ik met een babbelkous te

doen had,--juist wat ik op dit oogenblik verlangde,--bestelde iets

en bracht al spoedig het gesprek op de baronsfamilie, die daar bij

't kasteel ook zoo lustig aan het schaatsenrijden was.

--Ha da ès toch wat, e-woar, meniere; en mejonkvreiw Quiline, die

doar euk nog aan mee doet! riep de dikke vrouw, de beide handen op

haar heupen zettend.

Mejonkvrouw Quiline! Die mooie naam trof mij geweldig. Ik voelde dat

"zij" het was, dat "zij" het wezen moest. Het kon niet anders.

--Is dat de oudste van die jonge dames! vroeg ik, mij met inspanning

zoo schijnbaar kalm en onbewogen mogelijk houdend.

--Joa 't meniere; joa 't meniere, bevestigde de struische waardin. En

zij begon mij een gecompliceerd verhaal over mejonkvrouw Quiline,

een wees van adel, maar zonder fortuin, die bij haar oom, den baron,

inwoonde en zoo lief en zoo aardig was, zoo vriendelijk met alle

menschen, heelemaal niet trotsch of verwaand, "en zuk 'n scheun

vreiwe-meinsch, meniere, as 't 'n boeremeiske woare dat den helft van

't dorp d'r zot van zoe leupen!"

Een wees, dacht ik, en geen fortuin, hoewel van adel, en zoo lief

en zoo aardig, en misschien wel tegen haar zin gedwongen daar,

als behoeftige bloedverwante, bij haar oom in te wonen! Horizonnen

gingen heerlijk zacht-verleidend vóór mij open; horizonnen van geluk

en liefde, van levensblijde zaligheid in ideale toekomst!

Zoodra ik met het babbelwijf had afgerekend trok ik weer mijn

schaatsen aan en weg was ik, in één adem door, naar de stad toe. Op

het ijs vond ik er dadelijk mijn vrienden: den Grooten Dichter,

den Grooten Schilder, den Grooten Musicus, als naar gewoonte druk

aan 't zwieren met de vriendinnetjes die ze zich uitgekozen hadden;

maar zij waren eenigszins ontstemd omdat het ijs zoo slecht werd in

de buurt der stad, zoo doodgereden; en zij vroegen mij of er op mijn

lange baan niet een of ander mooi en rustig plekje was, waar ze zich

beter zouden kunnen oefenen.

Een licht ging vóór mij op. Ineens, met pijlsnelle gevolgtrekking, zag

ik de mogelijkheid in van heel dichtbij mijn ideaal te benaderen. In

mijn eentje,--dat voelde ik wel,--zou het mij lastig, zooal niet

onmogelijk zijn, met haar in aanraking te komen. Maar in gezelschap van

anderen, vooral als er dames bij waren, was er een zeer besliste kans

op. Mijn oogen straalden en ik voelde mijn wangen een kleur krijgen.

--Ik weet een heerlijk plekje, prachtijs, zoowat drie kwartier rijdens

hier vandaan, vlak vóór 't kasteel van X. zei ik.

Strak en ietwat aarzelend, keken zij mij even aan. Drie kwartier

rijdens, 't was wel een heel eind. Zou het werkelijk de moeite

loonen? Was het inderdaad zulk mooi ijs als ik zei en werd er daar

nog meer gereden?

--De familie van den baron rijdt er dagelijks: een jonge man en

verschillende dames! antwoordde ik met geestdriftige overtuiging, alsof

dit op zichzelf wel een voldoende en afdoende argument moest wezen.

Ik vrees wel en ik geloof ook, dat de vurigheid van mijn betoog op dat

oogenblik de warmte van mijn diepen hartstocht heeft verraden. Zij

keken mij allen een beetje verwonderd aan en de Groote Dichter zei

spottend:

--Hohóó! En zijn er knappe meisjes onder?

Ik kreeg een kleur als vuur. Ik voelde 't bloed onder mijn wangen

gloeien en stond daar even radeloos, zonder te kunnen antwoorden. Doch

wat ik ook al zeggen wou, 't bleek overbodig, zij hadden mijn geheim

op mijn benauwd gezicht gelezen en vierden er de dolste pret om. Zij

vroegen mij schertsend haar naam, haar leeftijd, en hoe zij er

uitzag en honderd dingen meer. Ik had wel 'k weet niet wat gegeven

als ik daar nooit over begonnen was; maar 't was te laat, zij raakten

opgewonden over het geval en ondanks mijn halsstarrige ontkenningen

en mijn verwoede tegenkanting wilden zij nu absoluut daarheen; en

er werd afgesproken, dat zij mij den volgenden ochtend, om elf uur,

op de aangewezen plek, vóór het kasteel, zouden verwachten.

--Ik zal er niet zijn! riep ik razend, van spijt op mijn onderlip

bijtend. En 'k was ook vast besloten niet te komen. Ik was zóó

ontstemd, dat ik moeite had om niet te huilen en te schelden en ik

verliet hen dien avond als vijanden, die ik nooit terug zou zien.

Ik sliep niet, dien nacht. Zelden heb ik mij zóó diep ongelukkig

gevoeld. 't Verdriet om Tieldeken van Meylegem, was niets daarbij

vergeleken. Hoe was het toch mogelijk dat ik zelf, met slechts een

paar onbezonnen woorden, in een oogwenk, mijn teedere illuzie, mijn

schoon ideaal, mijn frisch en jong geluk ontfleurd, geschonden en

vernietigd had!

Half ziek van ellende stond ik op. Gedurende mijn woeligen, slapeloozen

nacht had ik gewenscht en gehoopt dat het weer zou veranderen, dat

het waaien, regenen, dooien zou; maar nog nooit had de winterzon zoo

heerlijk in rein-stillen hemel gestraald en gebloeid als dien ochtend

en dat verergerde mijn radelooze ontreddering, want nu zouden zij

zeker komen, evenals het vast en zeker was, dat ook de bewoners van

't kasteel niet zouden nalaten van dit prachtig weer te profiteeren.

Toch was ik vast besloten niet te gaan. Zoo zou ik mij wreken. Mij

wreken.... maar zelf meteen folterend lijden. 't Werd negen uur,

kwart over negen, half tien. Een rustelooze gejaagdheid zweepte mij

op, dreef mij voortdurend heen en weer, deed mij elk oogenblik mijn

horloge uithalen. Nog een half uur, nog een kwartier, en 't zou te

laat worden, ik zou er niet meer kùnnen komen! Of zou ik wellicht

toch.... al was 't maar op een afstand.... van verre.... ergens mij

verschuilen.... kijken, al was 't maar om te weten of ze werkelijk

gekomen waren, en hoe ze zich daar hielden....? Ik voelde mij

krankzinnig worden van onrust en ellende; en plotseling was mijn

besluit genomen: ik greep naar mijn schaatsen, vloog naar de deur,

holde buiten, kwam aan 't kanaal, bond aan en reed weg, alsof mijn

leven op het spel stond.

Nog nooit had ik zóó gereden! Nu nog, als ik er aan terug denk, voel

ik als 't ware die wilde opzweeping, dat rijden op leven en dood,

dat hijgen en dat bonzen van mijn hart en de zweetstralen die in de

straffe winterzon langs mijn gloeiende wangen stroomden. "Die moet er

zijn!" riepen de schaatsenrijders, die mij als een bezetene langs hen

heen zagen razen. Eerst toen ik in de buurt van het kasteel gekomen

was, bedaarde ik een weinig. Ik kòn ook niet meer. Ik was letterlijk

op. Maar ik verademde in al mijn zwoegen, toen ik merkte dat mijn

inspanning niet tevergeefsch was geweest en de adellijke familie daar

rustig op 't gewone plekje aan 't rondrijden was, zonder een van mijn

gevaarlijke vrienden in hun nabijheid. Die waren er dus nog niet;

ik kon ze tegemoet rijden en eventueel tegenhouden; ik kon althans

een soort contrôle uitoefenen op hun optreden en zorgen, dat ze geen

gekheden uithaalden. Ik ging een oogenblik op den oever zitten om wat

te bekomen en toen reed ik kalm en langzaam verder, in de richting van

't kasteel toe.

Wat lag het daar mooi en deftig en sierlijk, gansch badend in

stralende winterzon en blauwen hemel en wat scheen het mij heerlijk

daar te mogen leven! Ik zag er mij reeds, in mijn rijke en vlugge

verbeelding, zittend aan een feestdisch naast haar en ik gloeide

van liefde en tranen van geluk en zelfverteedering kwamen in mijn

oogen. Daar reed ze weer, met haar nichtjes en de juffer en haar neef

op het verrukkelijk plekje heen en weer, en zij scheen mij nog veel

mooier en bekoorlijker dan al de vorige dagen; en ik fluisterde in

mij zelf haar naam, haar zachten, lieflijken naam: Quiline, en in mijn

sidderende verbeelding omarmde ik haar en zoende haar hartstochtelijk,

op de wangen, op de oogen, op de lippen....

In zulke ontbrandende stemming reed ik langzaam en schijnbaar kalm,

met sierlijke zwaaien voorbij. O, zoo dacht ik, ze moest eens weten,

ze moest eens voelen wat ik op dit oogenblik weet en voel! Zij zagen

mij en staakten even hun nog steeds vrij sukkelige oefening om mij

na te staren. Ik zwaaide en zwierde als een verliefde jonge God over

het ijs. Ik hoorde hun opmerking: "C'est lui, c'est le même!" en

't zwol in mij van trots en van ontroering. Wat was ik blij dat

ik toch maar gekomen was! En wat een geluk dat ik er toch nog de

eerste was en de anderen een eind tegemoet kon rijden! Als die nu ook

maar kwamen! Zoozeer als ik hun komst eerst gevreesd had, zoo sterk

verlangde ik er nu naar. Ik voelde als het ware een triomfstemming

in en alom mij heen: een triomf, die eerst volmaakt zou worden,

als de anderen er nu getuigen van werden en er in medewerkten.

Daar waren ze! Ik zag ze komen van verre, even voorbij het herbergje

der babbelkous, waar ik den vorigen dag gepleisterd had. Zij zwaaiden

naar mij met hun armen en op hun verhitte gezichten en in hun stralende

oogen glom reeds bij voorbaat ondeugende pret.

--Is ze daar! riep de Groote Dichter mij toe. En de Groote Schilder

zond kushanden door de lucht, terwijl de Groote Musicus pathetisch

galmde: "Oh bel ange, ma Lucie!" De jonge dames giegelden en lachten.

--Houen jullie toch wat stil! zei ik bezorgd en onrustig mijn

wenkbrauwen fronsend.

Maar zij waren nu eenmaal dol opgewonden, zooals meer gebeurt met

stadsmenschen, wanneer ze buiten komen; en die opgewondenheid uitte

zich in vrij smakelooze uitbundigheden. Omdat een haan luid kraaide

op een boerderijtje langs den oever, begonnen zij ook allen schril te

kraaien. Omdat een waakhond blafte gingen zij ook aan 't blaffen en

omdat de babbelkous van 't herbergje met onbehouden nieuwsgierigheid

naar hun rumoerigen optocht kwam kijken, zetten zij ook allen groote

oogen van overdreven verbaasdheid op en riepen 't wijf in het Fransch

gekke dingen toe waarvan ze geen woord kon verstaan.

--Asjeblief doe dat niet! smeekte ik diep ongelukkig, met het ellendig

gevoel dat mijn gansche triomf als sneeuw vóór de zon ging versmelten.

Zij bedaarden een weinig. Zij reden kalmer naast mij door en toen

zij weldra in 't zicht van het mooie kasteel kwamen dat daar gansch

glinsterend roze in zonneglans te baden stond en de deftige familie

zagen, die zich bij den inham in het schaatsenrijden verlustigde,

scheen het wel eenigen indruk op hen te maken. De Groote Dichter had

woorden van waardeering en vooral de Groote Schilder jubelde, terwijl

de Groote Musicus even zijn pet afnam en zijn manen van voor het

voorhoofd wegschudde om beter te zien. De vrouwen waren typisch. Zij

keken al niet veel naar het kasteel en zijn mooie omgeving, maar zagen

dadelijk de schaatsenrijdende meisjes; en een gepinceerde uitdrukking

kwam om haar lippen, terwijl ze scherp-critisch het viertal opnamen.

--Dewelke is het nu? vroeg spotachtig de Groote Dichter.

--Zal ik het je zeggen! riep levendig het aardig snoetje, dat altijd

met hem reed: de grootste is het: die met haar blauwen rok en witte

trui!

--Maar 't is al een oude! giegelden de twee anderen.

Ik voelde 't bloed naar mijn wangen stijgen. Ik had wel onder het

ijs willen wegzinken!

--Praat toch zoo hard niet! zuchtte ik wanhopig.

De deftige familie had ons opgemerkt. Verwonderd door onze onverwachte

verschijning, stonden zij daar even op een rijtje, roerloos, met

belangstelling ons opnemend. Zij wisselden enkele woorden, glimlachten,

en gingen dan weer kalm doorrijden. Er was ik weet niet welke vage

stemming van stille, onverklaarbare hostiliteit.

--Hoe oud is ze? kwam de Groote Dichter met schijnbaar-ernstige

belangstelling naar mij toe.

--Weet ik het! klonk mijn ongeduldig, gesarde antwoord.

--Het ijs is hier mooi, laten we maar wat figuren rijden, zei het

meisje van den Grooten Dichter, die dadelijk gemerkt had, dat de

deftige familie slechts een troepje knoeirijders was.

En zij begon sierlijk te zweven.

De anderen volgden haar voorbeeld. En dadelijk werden op het mooie

plekje eenige kunstfiguren getrokken, zooals het ijs er daar wellicht

nog nooit ontvangen had.

Het scheen diepen indruk te maken. Weer stond de deftige familie

roerloos op een hoekje te kijken en van lieverlede, zonder het haast

te merken, namen wij meer en meer de plaats in, waar zij zich tot

dusver geoefend hadden. Ik zag het eensklaps met schrik en zei:

--Laten we liever een eindje meer naar 't midden der rivier gaan,

ik vrees dat we hier hinderen.

Maar de meisjes protesteerden luide:

--Waarom? Het ijs is hier uitstekend en de rivier is toch geen privé

eigendom?

Ik zweeg, geconsterneerd. Hoe durfden ze zoo onbescheiden op te

treden! Die stadslui, eenmaal buiten, hadden toch geen greintje

beschaving of tact meer! En weer speet het mij geweldig, en had

ik kunnen schreien van spijt en ellende, dat ik hen daar gebracht

had. Het verlamde mij totaal, al mijn pleizier was ineens weer weg,

ik reed geen steek meer, ik stond daar roerloos en benauwd te kijken,

in voortdurenden angst dat er iets vreeselijks gebeuren zou.

De deftige familie, een enkel oogenblik geboeid, nam reeds geen

notitie meer van ons. Zij bleven in hun hoekje, dat steeds kleiner

werd en sukkelden daar knoeierig heen en weer en de stemming van

stille hostiliteit, die ik al van 't begin gevoeld had, scheen zich te

accentueeren, uit te breiden! 't Was ook te gek, zooals die steedsche

meisjes zich daar aanstelden. Omdat ze iet of wat konden kunstrijden,

deden zij alsof ze heldinnen waren in de sport en keken met onverholen

minachting en spot naar 't gewurm der anderen. "Niet fameus, het

rijden van je belle," riep een van haar mij in 't voorbijzwieren toe,

luid genoeg dat de freule het wellicht hooren kon. Ik had haar wel

kunnen omvergooien van woede en 't schaamterood steeg als een golf

naar mijn wangen.

--Ik blijf hier niet; ik ga weg! riep ik eensklaps met luider stem,

in opstand komend.

Met verbazing keken zij mij aan; en ook de deftige familie, die

blijkbaar mijn uitroep gehoord had, bleef even staan en drong op een

kluitje samen.

--Wat heb je toch! Word je gek! vroeg spottend de Groote Dichter.

Eensklaps verliet de jongeling, die met de deftige familie reed,

het ijs en op zijn schaatsen, met breede, onbehendige schreden,

als een die iets heel dringends mee te deelen heeft, liep hij dwars

over het glooiend grasveld naar 't kasteel toe. Ik zag hem door de

glazen vestibule-deur verdwijnen en voelde instinktmatig dat er iets

heel gewichtigs, wellicht iets vreeselijks gebeuren ging. De Groote

Schilder en de Groote Musicus merkten het ook en schertsten:

--Hij gaat ons een glas port halen!

Mijn hart klopte en mijn knieën knikten. Nog nooit had ik mij zoo

grenzeloos-ongelukkig gevoeld. "Asjeblief, schei toch uit," smeekte ik,

terwijl er tranen in mijn oogen kwamen. Maar zij lachten en spotten

nog veel harder toen ze dat zagen en vooral die ellendige stadsjuffers

hadden gemeene, onmeedoogende pret.

In 't kasteel was de vestibule-deur weer opengegaan en langzaam,

met een soort aarzeling, kwam een huisknecht buiten en stapte dwars

over het gras naar de rivier toe. Hij was blootshoofds, droeg een

zwarte pantalon en een roze-en-wit-gestreept buisje en had een groote

witte schort aan, als een vrouw. Naast hem kwam ook de jongeling

weer buiten, die met groote, wijde waggelschreden, als een eend op

't droge, naar de anderen terugliep.

De knecht was bij den rand van 't ijs gekomen. Hij scheen een oogenblik

te weifelen, maar waagde zich toch eindelijk en kwam, voorzichtig en

stram schuivend, naar den Grooten Dichter toe.

--Pardon, mossieu, begon hij in gebrekkig Fransch, mossieu le baron

demande si voulez patiner un peu plus loin; ça est ici pour la famille.

--Qu'est-ce que vous me chantez là! riep brutaal de Groote Dichter,

spottend wenkbrauw-fronsend.

--Vous dites, mossieu? vroeg de knecht bedeesd en niet begrijpend.

Er was een oogenblik verbaasde, wederzijdsche stilte. Als een bende

ijsvogels kwamen de Groote Schilder, de Groote Musicus en de drie

dames om den huisknecht heen gezwermd. Ik, roerloos op een afstand,

wist niet waar te kruipen van ellende en schaamte. Dicht bij den oever,

op een kluitje, stond, insgelijks roerloos en in stomme afwachting,

de deftige familie.

--Ça n'est pas ma faute, est-ce pas, mossieu! Moi faire ce qu'on me

commande, est-ce pas? zei de man schuchter-glimlachend, op een toon

van spijt en verontschuldiging. En hij wenkte met het hoofd achter zich

om naar het kasteel, om te beduiden dat het bevel daar vandaan kwam.

Machinaal volgde mijn blik de richting, die hij aanwees en daar zag ik,

achter een der ramen, een streng gezicht met witte bakkebaarden. Onder

mijn star-geboeiden blik week het gezicht van voor het raam en

versmolt zich vagelijk in den schemerigen achtergrond der kamer,

als van een stillen, bleeken visch, die zich in de diepte van een

sloot laat zinken.

Alle drie de Groote Artiesten en de meisjes waren hevig opgewonden. Zij

protesteerden luide en met heftige gebaren dat de rivier aan niemand

toebehoorde en dat zij ook voor niemand zouden wijken.

--Verstoa-je gij Vloamsch, mijne vriend! riep eensklaps de Groote

Musicus heftig zijn manen schuddend, en zijn bol gezicht onder den

neus des huisknechts wringend.

--Joa joajik, meniere, antwoordde deze argeloos en opgelucht dat hij

zijn natuurlijk dialect mocht spreken.

--Hawèl, mijne vriend, zeg gij aan ouen baron dat hij.... en in zijn

verontwaardigde opgewondenheid liet de Groote Musicus iets los dat

de meisjes deed gillen en mijzelf als een oorveeg in 't gezicht trof.

--Ploert! schreeuwde ik hem woedend toe.

De huisknecht zei geen woord meer. Hij keerde zich om en verliet

het ijs en aan het andere eind van den inham wipte ook de deftige

familie op den oever en liep ijlings op haar schaatsen naar 't

kasteel terug. Achter het raam verschenen even geagiteerd de grijze

bakkebaarden, en drongen dadelijk weer in de schemerdiepte terug en

op het ijs stonden wij daar met ons zessen alleen, zegevierend maar

toch vernederd, in een pijnlijk bewustzijn, dat wij ons als schoeljes

gedragen hadden. Het kookte zóó hevig in mij van ergernis en woede,

dat ik recht op den Grooten Musicus afreed, hem met vlammende oogen

uitschold voor ik weet niet meer wat en hem op staanden voet in duel

provoceerde. Ik had mij wel nooit in de wapens geoefend, doch dat deed

er niet toe, ik provoceerde maar raak en stelde zelfs voor onverwijld

het geschil op het ijs uit te vechten.

De pret van den dag was absoluut bedorven. De Groote Musicus haalde

zijn schouders op, schudde zijn manen en staarde mij sprakeloos met

de diepste minachting aan, de Groote Schilder en de Groote Dichter

werden ineens ernstig en de jonge dames waren bang en hadden tranen

in haar oogen.

--Nou, ik geloof dat we maar beter terug zullen gaan, zei stil de

Groote Dichter.

--Dat geloof ik ook! antwoordde ik luid, op uitdagenden toon. En in

een instinctief gebaar nam ik mijn pet af, groette kort en stijf,

met belachelijk en overdreven formalisme, en recht als een pijl reed

ik weg, in stugge, woeste vijandschap.

Toen zakte 't eensklaps neer in mij, en 'k voelde mij ellendig slap

en mat en droevig. Het kostte mij groote moeite om niet als een klein

kind te schreien.

Op zwakke beenen reed ik verder, tot in de eerste bocht waar men mij

niet meer zien kon en daar ging ik uitgeput en troosteloos op den

oever zitten, in de zachtstralende winterzon.

Ik voelde mijn jongelingsleed als een grievend onrecht, als

een onverdienden smaad, welken het onmeedoogend noodlot op mij

neerwierp. Ik dacht aan de schoone jonkvrouw, aan de goddelijke

Quiline, die nu onherroepelijk voor mij verloren was en in de

liefdestobberijen van mijn jeugdig, ruim-beminnend hart, dacht ik

meteen aan het bekoorlijk Tieldeken van Meylegem, die ik de laatste

tijden zoo verwaarloosd had en die ik daarom ook totaal voor mij

verloren voelde. Mijn trouwe ijsvrienden, Quiline, Tieldeken, nu had ik

eensklaps niemand meer en nu eerst voelde ik recht wrang en hard hoe

koud en hoe verlaten het ijs is zonder liefde. De schoone, tintelende

vlakte strekte zich voor mij uit als een dorre, troostelooze, doodsche

woestijn. Ik was daar gansch alleen nu op die wijde uitgestrektheid

en 't werd mij in wanhoop te moede alsof ik ook alleen en van allen

verlaten op een uitgestorven wereld achterbleef.

Ik nam mijn hoofd tusschen mijn handen en snikte....

Nu nog herinner ik mij hoe dat snikken en schreien mij goed deed. Het

suste stil en lenigde en laafde mijn diepe smart. Ik schreide goed en

diep uit, daar in de stilte en de eenzaamheid; en toen het eindelijk

luwde was ik zachtjes opgelucht en voelde ik een soort weldadige

matheid door mijn gansche lichaam soezen, terwijl mijn hongerige maag

naar sterkend voedsel vroeg. Ach ja, ik was jong en vermoeid en ik

had honger. 't Verlies van Tieldeken knaagde wel bitter, 't verlies

van Quiline knaagde nog bitterder; maar het bitterst van al knaagde en

klaagde mijn holle maag en toen ik aan het naastgelegen dorpje kwam,

waar een ouderwetsche herberg bij de brug stond, stapte ik zonder

aarzelen aan wal en ging er binnen.

Drie gebakken eieren met ham, heerlijk bruin brood en echte boter

zonder margarine (die was Goddank toen nog niet uitgevonden) een goed

glas bier, een kopje koffie, een glaasje likeur en een sigaar,.... 't

begon me reeds beter te gaan en de zware droefheid versmolt al ietwat

in het vage. De zon streelde weldadig mijn wangen en mijn handen;

en door het raam genoot ik van een prachtig vergezicht: de bevroren

rivier kronkelend en slingerend door tintelende weiden, een houten

molentje op een aardig begroeiden heuvel, het dorp met glinsterend-wit

kerkje in de diepte, bosschen, landouwen en boerderijen rechts en

links in het besneeuwd verschiet en over dat alles heen de eindelooze

koepel van den blauwen hemel, waarin de groote zon langzaam naar 't

Westen neeg, oranje-rood, omsluierd met grijze en purperen nevelen,

als in een atmosfeer van heilig-stille en grootsche feerie.

Slechts hier en daar een eenzaam schaatsenrijder meer over de verre

uitgestrektheid. Het leken op donkere vogels die huiverend voor

den komenden nacht naar hun mysterieuze nest terugvlogen: en alles

was zoo ruim, zoo plechtig en zoo grootsch, dat voor afzonderlijk

klein-menschelijk leed geen plaats meer scheen in zooveel weidsche

rust en heerlijkheid.

Toen ik eindelijk opstond en vertrok was mijn droefheid gansch

geweken. Wat had ik mij belachelijk aangesteld! Wat een malle

droom, mijn dolle liefde voor die freule van 't kasteel, tienmaal

gekker nog dan mijn sentimenteele opwinding voor Tieldeken van

Meylegem! Bespottelijk: de eene was wel vijf of zes, de andere

misschien wel tien jaar ouder dan ik! Als een kleine jongen, als een

kwâjongen beschouwden ze mij, allebei! Ik mocht me schamen.

Ik reed terug, in rustig tempo, en voelde mij als 't ware een nieuw en

ander mensch worden. Ik had tweemaal wanhopig-zwaar geleden, zooals

alleen de eerste jeugd door liefde lijden kan, maar de smart had

mij gesterkt en 'k was een man geworden. Ik reed terug naar huis en

't was of ik een gansche nieuwe toekomst tegemoet ging. Het nog maar

pas gebeurde en geledene doezelde reeds in wazige verschieten weg

en nieuwe horizonnen gingen in de verte voor mij open, vol onbekende

levenslust, vol lokkende hartstochten en avonturen.

't Begon stilaan te duisteren. De scherpe vrieslucht prikte in de ooren

en deed de vingertoppen tintelen. De meer en meer verlaten ijsvlakte

glom hier en daar met harde, als het ware stalen glanzingen en het

stille sneeuwveld langs de oevers kleurde zich met doffe, violette

tinten, terwijl de gansche westenhemel roze werd, van een egaal en

zachtkens tanend roze, dat langzaam aan, tegen den lagen einder,

in lei-kleurige schemeringen uitstierf. Soms kraakte het ijs zonder

merkbare oorzaak en lange echo's dreunden na tot in de verte, als doffe

kanonsschoten; en een vlucht van wilde ganzen teekende haar scherpen

driehoek in de ijle lucht, heel hoog, héél hoog, zoodat men nauwelijks

het fijn gekrijsch kon hooren, als van klagende kinderstemmetjes. De

eerste sterren twinkelden mirakuleus....

Dien nacht werd ik midden in mijn slaap door vage onrust wakker. De

maan scheen in mijn kamer door de ijsbloemen der ramen tusschen de

gordijnen en 't kwam mij voor of er geluiden gonsden door de stilte,

zooals ik er in weken niet meer had gehoord. Huiverend stond ik op,

schoof de gordijnen weg, wreef over 't ijs der ruiten en staarde even

in den lichten hemel.

Met verbazing zag ik de kale boomkruinen in den tuin heen en weer

schommelen en uit het westen kwamen donkere wolken aangedreven,

die even het gelaat der maan omsluierden en dan weer openrafelden.

--De dooi! zei ik halfluid, met een soort schrik. En het was mij te

moede alsof luchtkasteelen in elkander stortten.

--De dooi! herhaalde ik; en peinzend, en mijmerend en huiverend kroop

ik weer in mijn bed; en over de onberekenbare gevolgen van den dooi

lag ik onder het toenemend loeien van den wind te tobben en te zeuren,

en te twijfelen tot de slaap en de vermoeiheid weer mijn oogen sloten.

Toen ik 's ochtends wakker werd en mijn gordijn optrok zag ik een

vuilen motregen uit donkergrijzen hemel sijpelen. Moest dàt nu 't

droevig einde zijn van zooveel opwindende, hartstochtelijk-genoten

dagen en de vernietiging van nog zooveel rijke illuzies in 't

verschiet?.... Weldra viel de regen met stroomen. Het regende en

regende, en het woei en het loeide, en de dagen volgden de dagen in

troostelooze, grijze en grauwe matheid op; en van al het schoone en

rijke en sterke en frissche bleef niets dan akelige slijk en vuile

weekheid over.

En 't was of in den dooi van 't schoone, sterke ijs ook al de frissche

liefde, die in mij op 't ijs en door het ijs geboren was, in de

débâcle werd meegesleept. Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, de breede

overstroomde weiden, de poëtische witte kerktorentjes, de pittorekse

boerderijtjes, het lijnrecht kanaal, de lieve, kronkelende Leie, en

't mooie Tieldeken, en de schoone freule, en de vrienden uit de stad,

alles wazigde en smolt weg, alles verdween alsof 't niet meer bestond

en wellicht nooit bestaan had. En wat nog wel het wonderbaarste was:

ik voelde geen weemoed, geen spijt, ik lei mij dadelijk getroost bij

't onvermijdelijke neer en 't gaf mij een gevoel van groote rust,

wellicht omdat ik wist dat het zoo wezen moest en dat het ijs, ondanks

zijn schijnbare sterkte, iets was van brozen en vergankelijken aard,

zoo broos en zoo vergankelijk als de vele liefdes, die er in een

oogwenk op ontvlamden en even gauw als zij ontvlamd waren, onder de

eerste regenbui weer uitdoofden.

En ook en bovenal, omdat ik jong was en dat er voor mij nog zooveel

mooie ijsvelden in het verschiet der toekomst lagen.

De echte "happy hunting grounds," zooals de Indiaan zijn Paradijzen

noemt, waren nog niet door mij betreden.

De roman van den schaatsenrijder · 第 13 / 27 题