HET LAND IN

Die teedere herinnering aan 't mooie Tieldeken en aan het poëtische

Meylegem-Zuid heeft alweer mijne verbeelding en mijn pen op

hol gebracht. Ik ben weer veel te verre in mijn verhaal den tijd

voorbijgeloopen en ik moet terug, lange jaren terug, naar alles wat

nog tusschen toen en nu ligt.

"Les fleuves," zei Pascal, "sont des chemins qui marchent." De

ijsvelden, zou ik er durven aan toevoegen, zijn wegen die trekken. Hoe

is het mogelijk thuis te blijven zitten, of zich op een en zelfde

plekje op te houden, terwijl men weet dat zich alom de vreugdewegen

uitstrekken, dat kanalen en rivieren dichtgevroren zijn en dat men zich

maar heeft te laten gaan, om spoedig en gemakkelijk te komen, waar

men anders niet komt, om tafereelen te aanschouwen en gebeurtenissen

bij te wonen, die men anders niet zal zien en niet zal bijwonen!

Zoo ging het ons, in strenge winters, zoodra de groote waters sterk

lagen. Ik herinner mij dat dagelijks gaan kijken naar 't kanaal, dat

hopen en vreezen, dat rusteloos speuren naar den stroom, die overdag

weer afvrat wat de vorst des nachts aanbakte, tot weldra de open

geul versmalde en versmalde en eindelijk op een ochtend dicht lag,

hard-dicht, als één lange donker-glinsterende spiegel, zoover het oog

kon reiken, tusschen de kaarsrechte, met boomen beplante oevers van

't kanaal.

Dan kwam in ons een soort van koorts en hoop en vrees stegen ten

top. Zou het blijven vriezen; zou het ijs goed sterk worden; en

bovenal zou er niet vóór het goed sterk was, een sleeper doorheen

varen, die alles weer openbrak en al onze hoog-gespannen hoop als

ijle rook vervliegen deed?

Somtijds, helaas! helaas! kwam er op 't allerlaatste oogenblik

werkelijk nog een sleeper door. Ik herinner mij een ochtend, een

schitterenden vries-ochtend, zoo een van die bladstille, grijs-lila

winter-ochtenden, waarin de zon aan neveligen einder opkomt, gansch

rood, gansch rond, als een bol zonder stralen, als een wonder uit

een nieuwe, pasgeboren, onbekende wereld. De handen waren verkleumd,

de ooren tintelden, de adem doomde alsof men rookte, maar de oogen

straalden en met mijn schaatsen onder den arm liep ik naar 't kanaal

toe, zoo goed als zeker dat er reeds op gereden werd.

Toen, plotseling, hoorde ik iets dat mijn beenen verlamde en den

adem in mijn keel deed stokken: Een geloei, een gebrul, schor en

akelig-langgerekt, als een noodkreet van verwoesting: de stoomfluit

van een sleeper!

Hoe was het mogelijk! 't Kanaal lag reeds enkele dagen dicht en dien

nacht had het gevroren, gevroren! Ik kon noch wilde het gelooven en

holde naar de vaart toe, om mij te overtuigen dat het slechts een

akelige zinsverbijstering van mij was.

Helaas! helaas! drie maal, tien maal, honderd maal helaas! Zoodra

ik op den berm kwam zag ik een dikke, zwarte rookpluim en onder die

rookpluim de sombere sleeper, die als een vraatzuchtig beest door 't

mooie ijs geploegd kwam. Ik vloekte en meteen had ik kunnen snikken

van ellende. Ik zag die scherpe, zwarte punt door de spiegelgladde

oppervlakte boren; ik zag het ijs barsten als glas en ik hoorde het als

't ware schreien onder 't kraken; ik zag de van elkaar gerukte schotsen

naar de oevers opkruien en zich daar in de wanhopigste verwarring

boven op elkander stapelen, ik zag het reddeloos vernietigen van al

die schoone hoop-in-belofte, die bijna reeds werkelijkheid was; en

zulk een woede greep mij aan, dat ik mijn beide vuisten balde naar

het werk van de vernielers en aan de zwarte, vuile mannen daar op

't dek toeschreeuwde, dat ik hen allen met hun rotte schuit naar

den kelder wenschte. Zij lachten mij uit met hun gemeene, koolzwarte

tronies en uittartend lieten zij weer hun heesche stoomfluit brullen,

oorverdoovend lang en akelig, om te eischen dat men ginds even verder

in het dorp, de brug voor hen ophaalde.

Dat waren dan de doodende gebeurtenissen, doch niet elk jaar trof

ons zulk een gruwelijke ramp. Er kwamen ook winters waarop het ijs

aan de vernielingszucht der menschen ontsnapte en dan werden wij de

triomfeerende helden van die heerlijkheid en ons genot kende geen

grenzen meer.

O, die tochten, die tochten, die uren-en-die-dagenlange tochten over

de kanalen en rivieren van het schoone Vlaanderenland!

Het kanaal op zichzelf was slechts een rechte, vrij eentonige

verbindingsweg en daar het vrij diep lag tusschen zijn oevers was er

omheen al niet veel te zien; maar aan het uiteinde van het kanaal was

er een sluis; en dan had men de Leie, de mooie, kronkelende, poëtische

Leie, de rivier der dichters en der schilders, die als het ware plat

over het land heen lag uitgeslingerd met langs haar grillige boorden de

schoonste ouderwetsche dorpjes, de kleurenrijkste boerderijtjes en de

verrukkelijkste vergezichten welke een artiesten-ziel zich droomen kan.

O, witte kleine kerktorentjes, mooier en intiemer nog dan het liefelijk

Meylegem-Zuid; oude, oude torentjes van nietige dorpjes, zooals gij

u daar stond te spiegelen onder boomen, op een heuveltje, bij een

lus der rivier, gansch wit en grijs, met zwarte klokgaten-oogen;

lieve torentjes van Vlaanderen, bestaat gij nog? Ik durf aan u haast

niet meer denken, zóó zwaar drukken mij heimwee en vrees. Maar zooals

ik u tóén zag, in die heerlijke dagen, in die zacht-wazige atmosfeer

van wit, en roze, en mauve, teer doorzeefd van tintelend zonnegoud,

zoo zie ik u nog steeds in mijn geheugen en vergeet ik u nooit!

Het was een wonder en ontroerend leven. Evenals de natuur zelve,

schenen de menschen van aard en karakter veranderd. Dat doet het

ijs. Het ijs maakt andere, nieuwe wezens van de menschen. Er ontstaat

ineens een ongekende broederlijkheid en vrijheid van omgang. De mensch

vertoont zich, schijnt zich althans te willen vertoonen, zooals hij

werkelijk is. En onder den invloed van het ijs, het schoone ijs der

schoone winterdagen, ontluikt de liefde, de lichte, vroolijke liefde

van een dag of van een uur, gelijk een mooie bloem die even geurt

en kleurt en fleurt en even gauw verwelken mag als zij ontstond,

zonder wrange spijt noch wroeging na te laten.

O, wat al vluchtige, korte liefdes in dat frisch en licht, charmant

verleden! Wat al mooie boerinnetjes, wel zoo mooi en zelfs nog

mooier dan het aardige Tieldeken van Meylegem-Zuid, eventjes in

't voorbijrijden gezien met blozende wangen en stralende oogen;

eventjes aangesproken, en de hand gedrukt en ook wel eens gezoend

en in de lenden geknepen, maar dan ook zonder spijt weer verder,

naar andere bekoringen, naar andere oogen en andere lippen, als een

vrije vogel van tak op tak, als een lichte en lichtzinnige kapel van

bloem tot bloem! Het had niets ernstigs te beteekenen, het vulde een

uur of een half uurtje van den vroolijken dag; het was een glimlach

en een streeling, een opwekkende prikkeling der zenuwen, iets als

de prikkeling der scherp-gezonde lucht, die alles zoo goed en zoo

licht en verrukkelijk maakte. Want de grond en de basis van al dat

heerlijke genot was en bleef toch steeds het element-zelf waardoor

en waarop het gebeurde: het ijs en het schaatsenrijden! En terwijl al

die lichte minnarijtjes als het ware om ons heen in de ijle atmosfeer

wegwoeien, zweefden wij zelven steeds verder en verder, verslonden

wij afstanden en dorpen en kwamen telkens weer in streken waar weer

alles nieuw was. Waar wij ook verschenen was het een verrassing, een

openbaring, en als 't ware een verovering. Bij ieder dorp, in elke

kleine stad vertoonden wij onze kunsten en genoten wij triomfen;

en telkens hoorden wij, evenals vroeger te Meylegem-Zuid, uit de

bewonderende scharen den kreet opgaan: "'t Es boerke van daar of

van daar!" want ieder dorp, elk gehucht, hoe klein en onbeduidend

ook, had zoo zijn legendarisch boerke, zijn ijsheld, dien niemand

ooit gezien had, maar dien allen kennen wilden en in elken knappen,

vreemden schaatsenrijder meenden te ontdekken.

Toen dacht ik weer aan Tieldeken van Meylegem en voelde een soort

wroeging en heimwee. Wat had ik haar verwaarloosd, bijna vergeten! En

ik reed er weer eens heen en bleef er enkele uren; maar 't was reeds

dàt niet meer, de vrijheid trok, de onrust kwelde, de groote ijswegen

van 't schoone land lokten almachtig en de Meylegemsche Meerschen,

hoe ruim en heerlijk ook, waren reeds te klein geworden.

Ik moest weer weg en verder, de wijde wereld in.

V

De roman van den schaatsenrijder · 第 12 / 27 题