Op den 5den April 1837, laat in den middag trok Retief de Kafferstad
van Maroko, aan den voet van Thaba ’Nchu binnen. Maroko, het opperhoofd
der Barolongs was in dien tijd de groote vriend der Emigranten, en eere
zij zijne nagedachtenis, hij is dit altijd gebleven tot aan zijnen
dood. Bij verschillende gelegenheden had hij reeds bewezen, dat hij het
goed meende met den blanken man, vooral ten tijde dat de Emigranten
vermoord werden nabij Sandrivier door een impi der Matabeles in
Augustus 1836. Hij en de eerwaarde Archbell, de zendeling te Thaba
’Nchu, leenden toen hunne ossen om Potgieters menschen naar Thaba ’Nchu
terug te brengen, want deze waren zonder eenig vee, daar de Matabeles
alles weggenomen hadden.
Maroko ontving Retief vriendelijk, en zeide hem dat, zoo hij verkoos,
hij eenige dagen te Thaba ’Nchu kon blijven. Maar Retief was haastig om
nog wat verder te gaan. De oudere Emigranten onder Potgieter en Maritz,
bewoonden toen de vlakten tusschen Thaba ’Nchu en Vetrivier, en
Potgieter zelf had in de buurt van deze rivier een kamp gevormd en het
den naam van Winburg gegeven naar aanleiding van de door hem behaalde
overwinning op de Matabeles in Januari 1837. Retief wenschte de andere
Emigranten te zien, en reeds den volgenden dag brak hij weder van Thaba
’Nchu op, en vier dagen later bereikte hij Winburg.
Er was groote vreugde onder de Emigranten over de aankomst van Retief,
wiens naam bij de meeste hunner welbekend was. Reeds den volgenden dag
werd er eene vergadering van de leiders en kommandanten gehouden, en
met algemeene stemmen werd Retief gekozen tot Kommandant-Generaal van
alle Emigranten, die toen meer dan duizend zielen telden.
De partij van Retief had op een kleinen afstand van Winburg een lager
gevormd, dicht bij de wallen van Vetrivier. De wagens waren, zooals
altijd, in een kring getrokken, en binnen in de ruimte waren eenige
tenten opgeslagen. Aan een van die tenten, namelijk die van Pieter
Retief zelve, zullen wij eens een bezoek gaan brengen. Het is den avond
van den 12den April. De zon is juist ondergegaan, en de avondwind waait
heerlijk en koel. De koffieketels staan op het vuur, en men ziet, dat
de tantes en nichtjes bezig zijn, om het avondeten klaar te maken. Voor
de tent van den Kommandant-Generaal zitten vier mannen. De een is
Pieter Retief; gij kent hem reeds; aan de andere drie moet ik u nog
voorstellen. Die oude man van ruim zestig jaren, die echter nog zoo
rechtop als een boom op zijn veldstoeltje zit, is Charel Cilliers. Geen
dapperder man vindt ge in het geheele kamp der Boeren maar tevens ook
geen grooter Christen. Is er te vechten dan is Oom Charel de eerste; is
er te bidden, of is er een voorganger noodig voor het houden van den
godsdienst op Zondag, dan is het Oom Charel, die in den naam van allen
den Almachtigen God om Diens zegen smeekt. Een voorbeeldig man in alle
opzichten; een man voor wien elkeen, ja zelfs elk kind den grootsten
eerbied koestert. Naast hem zit een groot sterk gebouwd man van zoowat
veertig jaren. Een zware snorbaard en dikke baard omgeven zijn gezicht;
zijne wenkbrauwen zijn op ernstige wijze saamgetrokken en zijne
donkerblauwe oogen, en vastgesloten mond bewijzen den man van
vastberaden doch haastig karakter. En in der waarheid is Andries
Hendrik Potgieter, Kommandant der Colesbergsche Emigranten iemand van
heftigen en zeer oploopenden aard en daarbij eer- en heerschzuchtig.
Aan den anderen kant zit een kort, eenigszins dik man. Zijne haren
worden al grijs, en hij is dan ook al diep in de vijftig. Over zijn
gelaat ligt een uitdrukking van weemoed, maar toch zoudt gij u sterk
vergissen, als gij meendet dat Gert Maritz zoo heel zachtaardig van
aard was. Hij is een man van een eigenaardig vast karakter, maar is
daarbij zeer verstandig. Als krijgsman staat hij voor geen der andere
Kommandanten achter, want Gert Maritz is Kommandant van de
Graaff-Reinetsche Sectie der Emigranten. Hij is bijna acht maanden
later dan Potgieter de Oranjerivier overgetrokken, en kwam juist bij
tijds om dezen te helpen den stoutmoedigen Moselikatse te straffen.
De vier mannen zijn in een levendig gesprek gewikkeld.
„Neef Hendrik,” zegt Retief tot Potgieter, „je moet niet vergeten, dat
Oom Gert je eens van grooten dienst geweest is, toen jij en jou
menschen bij Vechtkop in ergen nood zaten.”
„Ik zou wel klaar gekomen zijn zonder Oom Gert,” is het parmantige
antwoord van Hendrik Potgieter.
Retief trekt de wenkbrauwen samen en zwijgt.
„Een mensch mag niet ondankbaar wezen,” zegt Charel Cilliers. „Kijk,
neef Hendrik, je weet dat wij oude vrienden zijn; ik ken je al
jarenlang en zelfs je overleden vader, dien goeden ouden man, heb ik
gekend, toen ik een kind was. Neem het mij dan niet kwalijk, als ik nou
ronduit spreek, en ik hoop neef Gert zal het mij ook niet kwalijk
nemen. Ik denk, daar is fout aan alle twee kanten; de een van jullie
was te haastig, en de ander had ook bedaarder kunnen wezen. Maar jullie
is twee van onze voormannen en die menschen zien naar jullie op voor
leiding. En als nu jullie voormannen onder elkaar ruzie maken, wat zal
dan ons publiek denken. De Heer heeft ons geboden elkander lief te
hebben, en wij moeten elkanders fouten met den mantel der liefde
bedekken, zegt de apostel Paulus. Dit is van groot belang, dat er
eensgezindheid onder ons is. Neef Pieter is nu gekozen als
Kommandant-Generaal, maar jullie begrijpt toch zelf, dat hij zijn
plicht niet kan doen, als jullie hem niet bijstaat met raad en daad. En
hoe kan jullie dit doen als jullie onder malkaar ruzie maakt. Toe nu,
ik smeek jullie, maakt deze zaak uit de wereld, en geeft malkaar de
hand.”
Charel Cilliers spreekt deze woorden op gevoelvolle wijze, en wij
kunnen zien dat zij indruk maken. Een tijdlang wordt het zwijgen
bewaard. Gert Maritz laat het hoofd nadenkend zakken, Potgieter ziet
met opgeheven hoofd naar hem. Daar staat Maritz op.
„Neef Hendrik,” zegt hij, „ik is ouder dan jij, maar ik erken van mijne
zijde, dat ik wat haastig geweest ben. Oom Charel heeft gelijk; geef
mij de hand en laat ons deze zaak uit de wereld maken.”
Met deze woorden steekt Maritz zijn rechterhand uit. Potgieter aarzelt
een oogenblik, als met zich zelven in tweestrijd. Dan staat hij op, en
de hand van Maritz nemende, zegt hij: „Nou ja, Oom Gert, misschien was
ik ook een beetje verkeerd.”
„Zoo is dit recht, kerels,” roept Retief op blijden toon uit, „jullie
het mij een groote vriendschap bewezen.”
Het gesprek loopt nu over allerlei onderwerpen, totdat het avondeten
gereed is, en daarop gaan de vier mannen de tent in en zetten zich aan
tafel. Charel Cilliers doet een kort gebed, en Retief helpt daarna
zijne gasten. Na genoeg te hebben gehad van den lekkeren elandsbout, en
van de door tante Annie ingeschonken koffie, gaat men nog een tijdlang
een pijp rooken en wat meer praten. Cilliers, Maritz en Potgieter laten
daarop hunne paarden halen, zadelen op, en vertrekken naar hun eigen
kamp, dat maar een half uur ver is.
Pieter Retief was dien avond zeer tevreden met het door hem gedane. Er
was reeds lang een twist aan den gang tusschen Potgieter en Maritz, en
daar elk dezer mannen een sterken aanhang had, was die twist gevaarlijk
voor het welzijn der Emigranten.
De oneenigheid was, zooals dikwijls gebeurt, uit een nietig dingetje
ontstaan; in der waarheid echter waren de twee Kommandanten jaloersch
op elkander en vooral Potgieter, die zooals wij zeiden, zeer
heerschzuchtig was, kon het niet mooi verdragen, dat Maritz, die een
tamelijk rijk man was, zooveel invloed verkreeg, want Maritz’ trek
alleen telde meer dan honderd wagens.
Voor wij het kamp van den Kommandant-Generaal dezen avond verlaten,
waarde lezers, wil ik u nog even meenemen naar een andere tent, daar
ginder aan de andere zijde van het kamp.
Zacht, een deel der bewoners slapen er reeds. Kijk eens eventjes om den
hoek van de tent. Wat ziet gij? Een jongeling en een meisje, heel dicht
bij elkaar gezeten op twee veldstoeltjes. De jonge man slaat zijn arm
om den hals van het meisje, en—kust haar. De liefde openbaart zich
overal in de wereld, en zelfs hier op de wallen van Vetrivier, in het
Emigrantenkamp hebben jongens en meisjes elkander lief. De jonge man is
David Malan, dezelfde die eenige nachten geleden bij de spruit den
leeuw doodschoot. Zoo’n fluksche kerel verdient, dat een meisje hem
lief heeft, en Martje Joubert heeft hem dan ook werkelijk lief. Zij
zijn oude bekenden, reeds uit de Winterbergen. Martje’s vader, Frans
Joubert, bewoonde een plaats naast aan die van Willem Malan, Davids
vader, en reeds als kinderen speelden David en Martje met elkander. Een
dag toen zij met elkander zaten te spelen met ossen, dat wil zeggen met
dol-ossen, zeide de zevenjarige David op zeer ernstige manier: „Martje,
ik heb jou lief, en als ik groot ben, zal ik je trouwen.” Het kleine
meisje scheen dit idee zeer aardig te vinden, en zoende haar
toekomstigen man. En nu hij groot is geworden en zij thans een meisje
van zeventien jaar was, en daarbij zeer mooi, hebben zij woord
gehouden, en hebben elkander nog meer lief dan in hunne kinderjaren.
Ja, dit gebeurt soms wel meer, dat van „kinderspulletjes” ernst wordt.
Hunne ouders weten al lang van de zaak af en laten de jongelui hun gang
gaan, want zij weten, dat zij vertrouwbaar zijn. David heeft nog niet
formeel „ouders gevraagd.” Zoolang al dat rondtrekken aan den gang is,
begrijpt hij, dat er geen sprake van trouwen kan wezen, en bovendien is
David nog niet rijk genoeg om eene vrouw te onderhouden. Hij heeft
slechts een paar honderd schapen, een zestal ossen, vier koeien, zijn
rijpaard, en twee merries, en hij meent te recht, dat hij nog wat meer
in de wereld vooruit moet komen, voor hij Martje tot zijne vrouw kan
maken.
Maar ook Martje heeft een goede oorzaak om te wachten. Hare moeder,
tante Lettie, is ziekelijk, vooral in den laatsten tijd, en Martje moet
het huishouden waarnemen. Wel heeft zij nog eene zuster, Mimi, maar
deze is eerst veertien jaren oud, en nu meent Martje, dat het niet gaat
om hare moeder te verlaten, alvorens Mimi groot genoeg is om hare
plaats in te nemen. Dit vindt ge mooi van Martje, denk ik? Maar Martje
is dan ook een eerste klas meisje, bij wie het hart op de rechte plek
zit.
Wij zullen de twee geliefden nog wel meer ontmoeten, in dit verhaal,
want zij spelen een hoofdrol daar.