Op de groote vlakte tusschen de plek, waar tegenwoordig de Wets Dorp
staat en den trotschen berg Thaba ’Nchu, bewoog zich op den 2den April
1837 een lange trein wagens.
Voorop reden een tiental ruiters, allen met het geweer op den zadelknop
rustende, terwijl kruithoorn en kogeltasch hen over de schouders
hingen. Dan volgden de wagens, zoowat veertig in getal; zware, logge
gevaarten, doch ijzersterk, en sommige bespannen met zestien, andere
met achttien langhoornige ossen, welken laatsten men het kon aanzien,
dat zij zware vrachten trokken. Ten laatste volgden er een tal van
beesten, paarden en schapen, gedreven door kleurlingen, sommigen te
paard, anderen te voet, terwijl ook eenige blanken te paard links en
rechts van het vee reden, evengoed gewapend als zij, die de voorhoede
vormden. De weg was droog en zanderig, en de wielen der wagens sneden
er diepe sporen in. Een eigenlijk gebaande weg was er niet; slechts een
paar wagensporen slingerden zich door het hoog wuivende gras.
De geheele omgeving bewees dat men zich in een woest, half bewoond land
bevond; ja, men zou bijna zeggen een geheel onbewoond land. Geen enkele
menschenwoning vertoonde zich aan het oog; slechts hier en daar zag men
eenige oude, verwoeste Kaffer-kralen, waarbij dikwijls menschelijke
geraamten of beenderen lagen. Die geraamten waren de overblijfselen der
bewoners dier Kaffer-kralen, welke de slachtoffers geworden waren van
de woeste krijgers van Moselikatse, den geduchten koning der Matabeles.
Waar diens benden strooptochten hadden gehouden, werd geen menschelijk
wezen meer gevonden; slechts dood en verderf lieten zij achter zich.
Verder zag men niets dan hoog opwuivend gras, en ontelbare troepen van
wilde bokken van allerlei soort. Dáár pronkten duizenden van
springbokken; hier weidden een dertigtal gemsbokken, die nu en dan, als
uit nieuwsgierigheid hunne koppen optilden, zoodat hunne lange horens
op hunne ruggen lagen; daar weder stond een troepje blauwe
wildebeesten, bewaakt door een paar oude bullen, die er norsch en
kwaadaardig uitzagen; en wat verder stapten met statigen tred een
tiental elanden, met eene houding die duidelijk te kennen gaf, dat zij
van dat „kleine wild” geen notitie namen.
Maar er was ook ander wild van min vreedzamen aard, dat zich echter
thans niet vertoonde, doch zich schuilhield totdat de duisternis de
aarde zou bedekt hebben. Indien gij daar langs die spruit ging, zoudt
gij den leeuw, zijne echtgenoote en zijne welpen zien, uitgestrekt op
den grond tusschen het hooge riet, uitrustende van den nachtelijken
strooptocht. En daar, in die groote gaten in den grond, houden zich de
wolf en de jakhals op, wachtende tot het vallen van den avond, om de
overblijfselen te genieten van den maaltijd van den koning der dieren.
Gras, steeds gras, van allerlei soort en grootte, dat is wat het
landschap u aanbiedt, behalve de tot vijf voet hooge mierenhoopen, die
bij duizenden het veld bedekken, en het voedsel verschaffen aan het
aardvarken. In de verte, ten noorden, verheft zich Thaba ’Nchu als een
reusachtig rotsblok grijs-blauw afstekend tegen den donkerblauwen
hemel.
Doch laten wij de natuur, en wenden wij ons tot den mensch, en wel tot
die twee mannen, die daar op de wagenkist van den eersten wagen zitten.
De eene is een jong man, van zoo wat 20 jaren. Zijn baard begint uit te
komen, en op zijn bovenlippen merkt gij een dun snorbaardje. Hij is een
ferme jonge Afrikaner, sterk en krachtig gebouwd, en hoewel zijn gelaat
er zeer goedaardig uitziet, zoudt gij toch liever met hem samen eten
dan samen vechten. Hij heeft een geweldig langen zweepstok in zijne
handen, met de zweep waarvan hij soms klapt, dat de lucht er van
davert, en de springbokken er van schrikken, en nu en dan roept hij
uit: „Zwartland! Donkerland! Wildeman! trek, kerels; nog een paar
dagen, dan kan jullie rust.” En de ossen, die zijn stem kennen en hem
duidelijk verstaan, versnellen voor een oogenblik hunnen stap, om dan
weder zwoegend en blazend hun ouden tred aan te nemen.
„Stadig maar, Abraham” zegt de man, die naast hem op de wagenkist zit,
„die pad is zwaar, en dit is opdraans.”
De spreker is heel wat ouder dan de jonge man, dien wij zoo even
beschreven hebben. Blijkbaar is hij een man dicht bij de vijftig, en
tusschen de gitzwarte haren van zijn zware baard en snorbaard, vertoont
zich hier en daar een grijs haartje. Maar zijn gestalte is nog forsch
en krachtig, en zijne schitterende zwarte oogen zijn levendig en vol
vuur, en schijnen geen oogenblik stil in hunne kassen te staan. Zijn
voorhoofd is hoog, doch gerimpeld, of laat mij liever zeggen,
saamgetrokken tusschen de wenkbrauwen, want die rimpels zijn niet het
gevolg van ouderdom, maar van zorg en zware gedachten. Tusschen zijn
knieën houdt hij een geweldig groote „Sanna” vast, een dier roers, die
kogels van zes op een pond schieten, en die gewoonlijk gebruikt worden
om groot wild te schieten. Kruidhoorn en kogeltasch hangen ook hem over
de schouders, maar niettegenstaande dit, dampt hij rustig voort uit een
groote steenen pijp, waarvan het mondstuk kunstig uit hoorn gesneden
is.
De jongere man is Abraham Greyling; de oudere is zijn oom Pieter
Retief, de leider van dezen trek, en voor ik verder ga, moet ik u het
een en ander mededeelen van dezen man; want elk Afrikaner, wiens hart
op de rechte plek klopt, kan niet anders dan met eerbied den naam van
den grooten aanvoerder der Boeren noemen. Pieter Retief werd geboren op
eene plaats nabij Wellington, en was een afstammeling van de oude
Hugenoten of Fransche Vluchtelingen, die in 1688 naar Zuid-Afrika
kwamen. Doch het stille bedaarde leven in het Westen viel niet in den
smaak van den rusteloozen, moedigen jongeling, en reeds vroeg trok hij
oostwaarts en vestigde zich in de buurt van het tegenwoordige
Grahamstown, en daar woonde hij toen in 1820 de Engelsche Settlers in
Algoa Baai landden. Retief zag toen kans om geld te maken, en verkreeg
van het Gouvernement het contract om de Settlers met de noodige
voedingsmiddelen te voorzien. Niet alleen slaagde hij er in om een
aardig sommetje hiermede te verdienen, maar hij geraakte ook in nadere
aanraking met de Settlers, en won heel spoedig hunne achting.
Ongelukkig echter waagde Retief zich aan bouwspeculaties. Hij kocht
erven in de nieuw aangelegde dorpen der Settlers, bouwde er huizen op,
maar verloor veel geld op deze wijze. Daarna verkocht hij zijne
woonplaats en vestigde zich in 1830 in de Winterbergen. Ongetwijfeld
zou het hem hier goed zijn gegaan, ware het niet dat in 1834 de
Kafferoorlog uitbrak, die allen grensbewoners groote verliezen
toebracht. Retief werd, bij het uitbreken van den oorlog, dadelijk
gekozen tot Kommandant van zijn district, en zijne dapperheid en beleid
bewezen dat zijne medeburgers geene slechte keuze hadden gedaan. Toen
de oorlog voorbij was, was Retief armer dan te voren. Viel dit hem
zwaar, nog zwaarder was het hem om te zien welke schandelijke politiek
de Engelsche regeering voerde tegenover de Kaffers, die den oorlog
hadden veroorzaakt. De belangen en rechten der arme grensboeren werden
geheel verwaarloosd, en in plaats van de Kaffers op hun plek te brengen
en hun hun land te ontnemen, gaf het Gouvernement integendeel hun nog
een strook grond, die reeds jarenlang aan de Kolonie had behoord.
Retief begreep dat zulk eene handelwijze geheel verkeerd was tegenover
de Kaffers, en dat noch leven noch eigendom der grensboeren op die
wijze sekuur was. In overeenstemming met zijn gevoelen schreef hij een
brief aan den Luitenant Gouverneur, den heer Stockenström, de
gevaarlijke gevolgen van zulke politiek aanwijzende. Op dien brief
ontving hij een scherp, onbeleefd antwoord. Juist in dien tijd hadden
een aantal Winterbergsche boeren het plan opgevat, om evenals Potgieter
en Maritz, hun geluk te gaan zoeken aan de andere zijde van de
Oranjerivier, buiten de grenspalen der Kaapkolonie; en Retief verbolgen
over de hem aangedane beleediging, besloot zich bij hen aan te sluiten.
Dadelijk koos men hem als leider van den trek. Voor zijn vertrek deed
Retief een document optrekken en in de Grahamstown Journal publiceeren,
waarin hij kort en duidelijk de redenen uiteenzette, waarom de
Emigranten de Kolonie verlieten. In het laatst van Januari 1837 begaf
hij zich op weg met zijne metgezellen; tellende de trek 108 blanke
personen, en een aantal gekleurde dienstboden.
Aldus kwam het dat wij Pieter Retief en zijn neef Abraham Greyling op
den wagen vonden zitten in de grasvlakten aan gene zijde van de
Oranjerivier.
Het was reeds laat in den namiddag en de zon daalde snel naar het
westen. Retief begon dan ook rond te zien naar een geschikte plek om
den nacht door te brengen.
„Abraham, daar ander kant de spruit bij die doornboomen zal ons
uitspannen,” zeide hij tot zijn neef en zijn stem verheffende, riep hij
luid: „David.” Op dit geroep kwam een jong man, die in de voorhoede bij
de andere paardenruiters reed, snel aangereden.
„David, rijd een beetje naar voren, en kijk of daar bij die klompie
boomen water in de spruit is. Als daar niet water is, moet jij langs de
spruit rijden, en kijken of jij niet een gat water ziet. Ons moet daar
ergens uitspannen.”
David Malan, een flinke jonge kerel van 19 jaar, liet zich dit niet
tweemaal zeggen, maar zijn paard de teugels gevende, reed hij zijne
makkers snel voorbij en bracht binnen tien minuten de tijding terug,
dat kort onderkant de doornboomen er een groot gat water stond.
De wagens waren spoedig de drift der spruit door, en daarop werd
uitgespannen. Terwijl de arme ossen naar het water liepen om hunnen
dorst te lesschen, gaf Retief de order: „Lager maken.” Daarop volgde er
een bezige drukte. Met vereende krachten werden de wagens in een
grooten kring getrokken, zoo, dat de disselboom van den eenen wagen
onder den daarvoor staanden wagen terecht kwam. Wel is waar vreesde
Retief geen aanval van vijandige Kaffers, maar men was in een vreemd
land en moest voorzorgsmaatregelen nemen, en bovendien had men ook
rekening te houden met de wilde dieren des velds.
Toen het lager gevormd was, klommen de vrouwen en kinderen uit de
wagens; water werd uit de spruit gehaald, en een hoop takken uit de
doornboomen gekapt voor „vuurmaakgoed.” Een halfuur daarna kookten de
koffieketels en verspreidde er zich een aangename geur van gebraden
wildvleesch.
Terwijl de vrouwen hiermede bezig waren, gingen de mannen naar het vee.
Beesten, paarden en schapen werden gedrenkt, en toen bij elkander
gejaagd.
„Kerels,” zeide Retief, „jullie zal van avond goed wacht moeten houden.
Daar is niet hout hier om een kraal te maken, en die vee zal zoo buiten
moeten slapen. De eene helft van het volk zal moet wacht houden tot
twaalf uur, en twaalf van jullie kerels zal met hen moeten opzitten; de
andere helft van het volk en nog ander twaalf van jullie zal hullie dan
moet aflossen tot dagbreek. Maar jullie moet oppassen dat jullie die
vee bij malkaar houd, want anders is die leeuwen van nacht tusschen
ons. En om die vee moet jullie groote vuren branden. Een spul van die
volk moet gaan houtkappen bij die klompie doornboomen. Neef Stefanus
(dit tot Stefanus Viljoen) ga jij toch een beetje met die volk samen,
en laat hen net zooveel hout kappen als hullie kan.
„Oom Piet (dit tot Piet Greyling, die als een soort veldkornet ageerde)
stel een beetje vierentwintig man aan om van nacht wacht te houden.”
Kort daarop was het volk hard bezig om de doornboomen kort en klein te
slaan, en Oom Piet Greyling riep vierentwintig namen uit, en verdeelde
ze in twee wachten. „Hans,” zeide hij tot een vreeselijk langen kerel,
die dan ook den bijnaam van Lang Hans Malan droeg, „jij is van avond
korporaal van die eerste wacht en Frans Joubert, jij is korporaal van
die tweede wacht. En jullie past net op dat die gedierte niet tusschen
die vee komt, anders zal de Kommandant leelijk met jullie raas.”
De zon was een half uur daarna onder, en wierp hare laatste stralen op
een niet onaardig tooneel. Binnen in het lager zaten of lagen de mannen
koffie te drinken en vleesch te eten. Vorken waren niet volop, maar dat
kwam er ook minder op aan; de jongeren namen het vleesch tusschen hunne
vingers, sneden dat met hunne zakmessen in reepen, of kloven de soppige
ribbetjes af. De vrouwen zaten daartusschen op veldstoeltjes of
bedienden de mannen, en hier hoorde men: „Tante Anne, geef me nog een
ribbetje,” terwijl een ander zeide: „Mika, schenk nog koffie, kind; ik
heb banja dorst.”
Het begon juist te schemeren, toen Piet Greylings stem, als een bazuin
gehoord werd, zeggende: „Toe, jullie kerels van die eerste wacht, dit
is jullie tijd.” En de eerste twaalf grepen hunne geweren, kruid en
kogeltasch, vulden hunne tabakszakken, staken toen een pijp op, en
begaven zich op hunnen post. Korporaal Hans Malan wees ieder zijn plek
aan, en waarschuwde hen om op het volk te passen, dat rondom een
twintigtal helder brandende vuren zat, en het vee binnen den kring
hield. Het stomme vee was echter aan deze behandeling gewoon, en alsof
het wist, dat er buiten den kring gevaar voor hun leven bestond, legde
het zich rustig neder. In het lager werd alles langzamerhand stiller en
stiller, en eindelijk hoorde men niets anders dan het knetteren van het
brandende hout, het proesten van het vee en het snorken der in de
wagens slapenden. Doch op eens deed zich een gebrul hooren als van een
ver rollenden donder, hetwelk gevolgd werd door nog één en nog één. De
leeuwen waren ontwaakt en trakteerden nu de trekkers op een
brulconcert. De wachten gaven het volk order om de vuren helder in
brand te houden, en hielpen om de beesten, die thans verschrikt
opgesprongen waren, binnen den kring te houden. Boms! daar klonk een
schot. „Wat is dit? Wat is dit?” klonk uit de wagens van veertig
stemmen. „Dit’s niks nie, Oom Pieter,” riep David Malan, die ook in de
eerste wacht was; „dit’s net een leeuw wat wou inkom. Maar hij het die
kogel.”
En hij stapte naar den dooden dierenkoning, die in werkelijkheid den
kogel had, dwars door het hart. David had hem door het lange gras zien
kruipen, dicht tusschen twee der vuren, op nog geen tien treden van
hem, en in het onzekere licht had hij hem het doodschot gegeven.
Hoewel de leeuwen nog steeds brulden, en de wolven en jakhalzen in het
concert samenhuilden, waagde geen der dieren dien avond meer een
aanval, en toen de opkomende morgenster den aanbrekenden dageraad
aankondigde, was er zelfs niet een schaap verloren.
Hoe menigen nacht, angstiger en banger dan deze hebben die dappere
voortrekkers niet doorgebracht! En wij, die thans rustig in onze bedden
slapen in het land door hen voor ons bewoonbaar gemaakt, hoe weinig
denken wij er aan, wat onze voorouders geleden en hoe zij gestreden
hebben!