1 Zijt welkom lang verwachte leeuw
uit Jacob's, Juda's groot geslacht geboren,
tot stutting van Jehova's toren
zoo overlang gewenscht van eeuw tot eeuw!
o werelds heiland groot van macht,
zijt duizendvoudig welkom in der nacht!
de dag ontzag uw komst en is geweken,
de zon verdween en is bezweken,
toen uw schijnsel scheen.
2 Zijt welkom licht der middernacht,
voor dat gij ons in 't duister komt verschijnen
en doet de duisterheid verdwijnen,
en licht ons middagklaar met groote kracht!
zijt welkom Tetragrammaton,
zijt welkom licht, veel meerder als de zon,
zijt nog tien duizend malen wellekomen,
o licht van licht, tot schijn der vromen
in der nacht gesticht!
3 Zijt welkom machtig koningszoon,
uit Davids ouden koningsstam gesproten,
beroemdste adel van de grooten,
zijt welkom uit uw vaders hoogen troon!
doet op uw poort, Jerusalem!
uw koning is alreeds te Bethlehem,
't is David's rechte nazaat; ziet, uw koning
leit in een stal, geen slechter woning
is er in dit dal.
4 Zijt welkom groote wereldsvorst,
zijt welkom die uw slaven komt bezoeken,
gelijk een kind in slechte doeken
omwonden en sober uitgedorst.
helaas! ik heb geen welkom gaaf,
want ziet, ik ben maar uwen armen slaaf
en zijt gij zelf die daar ik moet van leven;
het is mij smart, 'k heb niet te geven
als alleen mijn hart.
5 Hoe nu, grootmachtig vorst, hoe nu?
verlaat gij 't rijk? veracht gij zoo de troonen,
om in mijn hart zoo klein te wonen?
ei, wacht een weinig, bid ik, 't is te ruw;
ei, laat het eerst uw dienaar zijn
en zuiver maken, 'k zal uw helper zijn.
o wonder, 't is in weinig oogenblikken
wel na mijn zin--ei, wilt niet schrikken,
komt er nu vrij in!
6 Maar ach! helaas! ik ben te slecht,
ik ben niet waardig om zoo grooten koning
t' ontvangen in zoo slechten woning;
maar ach! ik bid, heb deernis met uw knecht!
ik bid, spreek maar een eenig woord,
opdat het na uw zin mijn ziele hoort!
mijn hart zal door dat woord zoo heerlijk wezen
als geen paleis ooit was voor dezen;
ei, voldoet mijn eisch!
7 Nu machtig koning, is 't bekwaam,
zoo laat mij toe om na 't geluk te trachten,
u in mijn harte te verwachten!
ei, komt er in, in uwen eigen naam,
ei, zoo mijn vorst, ei, zoo mijn heer!
hoe minlijk doet gij uwes knechts begeer!
hoe kan mij grooter hemelsvreugd ontmoeten?
gij schenkt uw slaaf een hemelszoeten,
ja veel grooter gaaf.
8 Zijt welkom vorst Athanatos,
zijt welkom goeden koning Adonia,
zijt welkom vredevorst Sodia,
zijt welkom wereld-heiland Ischyros,
zijt welkom heer Homousion,
zijt welkom grooten Tetragrammaton,
zijt welkom grooten overal-regeerder,
o Emanuël, ja nog veel meerder,
held Ezechiël!
9 Gij die des hemels hoog bestier
verlaat om 't heil der wereldlijke menschen,
die na haer zielen welvaart wenschen,
erbarmt u over mij ellendig dier!
blijft altijd bij mij tot mijn end
en hoedt mij voor des vijands helsch torment!
ei, laat ons door den Satan niet verleiden!
blijft bij ons, heer, opdat wij scheiden
mogen nimmermeer!
10 O goddelijke majesteit,
op kersnacht uit een suivre maagd geboren,
die nooit haar maagdom heeft verloren;
o grooten priester in der eeuwigheid,
zijt welkom in uw eigen goed!
wij vallen nu voor uwe krib te voet,
en schoon gij schijnt een kind, o heer der heeren,
gij zijt ons lot, ik wil u eeren
als mijn groote god.
11 Gij komt van passe met uw macht,
om in ons hart een vredevuur te stichten
en ons in 't duister te verlichten;
dat is, o heer, de rechte tijd bij nacht:
de nacht der boosheid door uw licht
verdwijnt en klaart zich, wijl het duister zwicht,
den heldren dageraad die moet verschijnen,
de donkerheid die moet verdwijnen,
wijlze uw schijnsel mijdt.
12 Verlicht, o kind van Bethlehem,
ons hart en ziel, ons gansch gemoed en zinnen,
opdat wij u te recht beminnen,
en leid ons in het hoog Jerusalem!
laat in mijn hart uw kribbe zijn,
en blijft in eeuwigheid altijd bij mijn,
laat u de zorg voor mij zijn aanbevolen!
mijn hart is teêr, maar zal niet dolen,
zoo gij 't hoedt, o heer.
Holländisch: De Smakelyke Vermakelyke Minnebroers Sak, Amsterdam 1799,
bl. 125-128.--Dr. 3, 2. fehlt Davids ouden--4, 4. soberlijk (sober)--6,
9. eis--9, 2. wereldsche.
Wie die Perle im Schlamme liegt das reine schöne Lied mitten im
Schmutze von Liedern voll der frechsten Gemeinheit und rohesten
Sinnlichkeit. Es scheint der Mitte des 17. Jahrhunderts anzugehören und
einer besonderen Richtung der religiösen Poesie wie sie etwas früher
in Deutschland hervorgerufen wurde durch die beiden wunderbaren Lieder
Philipp Nicolai's vom J. 1598: Wie schön leucht uns der Morgenstern,
und: Wachet auf! ruft uns die Stimme. Vgl. Gervinus, Gesch. der
deutschen Dichtung 4. Aufl. 3. Bd. S. 37. 38.
Le Jeune, Volkszangen 1828. bl. 41. kennt unser Lied, stellt es aber
andern geistlichen gleich, aus denen der Mangel eines guten Geschmacks,
besonders wegen Eiumengung fremder Wörter, hervortritt.
Snellaert hat es aus den Hor. belg. 2, 55. aufgenommen bei Willems
Nr. 204. In Betreff der griechischen Beiwörter des Erlösers in
Str. 2 und 8 bemerkt er, dass in einigen Kirchen vor Weihnachten eine
Octave gefeiert wird, worin während der Predigt und des Lobgesanges
ein Transparent auf dem Hochaltare ausgestellt ist und dass darin
täglich ein Attribut des Heilands, der Bibel entlehnt, angezeichnet
steht. Zu diesen Attributen gehören die hier vorkommenden Beiwörter.
Jos. Alb. Alberdingk Thijm hat in die mit seinem Bruder herausgegebenen
"Oude en Nieuwere Kerst-Liederen" (Amst. 1852) unser Lied unter
Nr. 32 aufgenommen. Da es ihm lediglich auf kirchliche Zwecke ankam,
so hat er sich allerlei Änderungen erlaubt. Str. 6 und 7 hat er in
Eine verschmolzen u. Str. 8 ganz weggelassen. Hie und da hat er ganz
neue Verse gemacht:
4, 4. gewonden, op de knieë die u torst
9, 4. ontsteekt in mij uw hoogste liefdevuur
10, 3. op alle vrouwen uitverkoren
¶ 1, 1. verwacht, erwartet--1, 3. stutting, stuiting, Hemmung--1,
4. eeuw, Jahrhundert--1, 7. ontzien, fürchten--2, 6. meerder,
größer--3, 6. alreeds, bereits--4, 4. sober uitgedorst, elend
verdürstet--6, 4. deernis, Erbarmen--6, 9. eisch, Verlangen--7,
7. ontmoeten, begegnen (bei Willems und Thijm hij für mij)--9,
1. bestier, bestuur, Regierung--11, 6. zwichten, weichen--11,
7. dageraad, Morgenröthe, Tagesanbruch--12, 8. dolen, irren.
¶ Nr. 197.