WEIHNACHTSLIED.

1 O nacht, o blyde nacht,

o nacht vol wonderheden!

Messias, lang verwacht,

komt nu tot ons getreden.

hy omkleedt zynen troon,

hy komt uit 's hemels woon

hier op het aerdsche dal

voor onze zonden al.

2 Maria, zuivre maegd,

in weenen en in zuchten

heeft naer logiest gevraegd,

ze en wiste niet waer vlugten:

in Bethleëm in den stal

voor ons verlossing al

gebaerd heeft een klein kind

in grooten kouden wind.

3 Joseph heeft dan met vlyt

voor onzen grooten koning

een krebbeken bereid

al in een beesten woning.

op een weinig hooi en strooi

tusschen ezel en koei

lag 't kindje Emmanuël,

de vorst van Israël.

4 De herderkens verheugd

van vreugde zy opsprongen,

zy hebben daer met vreugd

den Gloria gezongen.

drie koningen van ver,

gekomen door een ster,

zy hebben met ootmoed

het kindeken gegroet.

Vlämisch: Willems Nr. 191, wird noch jetzt gesungen zur Weihnachtszeit

in der Umgegend von Gent.

¶ Nr. 186.

Niederländische Volkslieder · 第 194 / 217 题