1 Daar was er eens een mannetje,
dat was niet wijs,
en die bouwde-n-een huisje
al op het ijs,
en hij wou dat hij een hoentje had.
tjiptjip mijn hennetje,
's avonds in de korte kooi
en 's morgens in het rennetje.
2 Toen wou hij dat hij een haantje had.
kokkelekaan zoo heet mijn haan,
tjiptjip mijn hennetje enz.
3 Toen wou hij dat hij een schaapje had.
blê heet mijn schaapjé,
kokkelekaan heet mijn haan enz.
4 Toen wou hij dat hij een kalf had.
ducdalf zoo heet mijn kalf,
blê heet mijn schaapjé enz.
5 Toen wou hij dat hij een koe had.
nametoe zoo heet mijn koe,
ducdalf zoo heet mijn kalf enz.
6 Toen wou hij dat hij een paard had.
vlasstaart zoo heet mijn paard,
nametoe zoo heet mijn koe enz.
7 Toen wou hij dat hij een wagen had.
welbehagen zoo heet mijn wagen,
vlasstaart zoo heet mijn paard enz.
8 Toen wou hij dat hij een knecht had.
alberecht zoo heet mijn knecht,
welbehagen zoo heet mijn wagen enz.
9 Toen wou hij dat hij een meid had.
wel bereid zoo heet mijn meid,
alberecht zoo heet mijn knecht enz.
10 Toen wou hij dat hij een vrouw had.
zeer getrouw zoo heet mijn vrouw,
wel bereid zoo heet mijn meid enz.
11 Toen wou hij dat hij een kind had.
wel bemind zoo heet mijn kind,
zeer getrouw zoo heet mijn vrouw,
wel bereid zoo heet mijn meid,
alberecht zoo heet mijn knecht,
welbehagen zoo heet mijn wagen,
vlasstaart zoo heet mijn paard,
nametoe zoo heet mijn koe,
ducdalf zoo heet mijn kalf,
blê heet mijn schaapjé,
kokkelekaan zoo heet mijn haan,
tjiptjip mijn hennetje,
's avonds in de korte kooi
en 's morgens in het rennetje.
Holländisch: De Navorscher 2. jaarg. bl. 90, mündlich aus Aardenburg
in Seeland.
¶ 1, 8. rennetje, ein umgitterter Gang für die Hühner, der durch eine
Fallthür mit dem Hühnerbehälter (de korte kooi) in Verbindung steht;
das Ganze heißt het kippenhok--4, 2. ducdalf, Duc d'Alba--5, 2. nametoe
d. i. na mij toe, nach mir zu, komm zu mir!--6, 2. vlasstaart,
Flachsschweif--8, 2. al berecht, richte alles aus!
¶ Nr. 185.