1 Martijn!
turref in de murref in de maaneschijn,
gooi in de mos, gooi in de wijn!
hier woont sunte Martijn.
2 Martijn had een schaartje,
dat wou niet knippen,
Martijn had een messie,
dat wou niet snijen,
Martijn had een touwetje,
dat wou niet knoopen.
geef me-n-een turrefie of een houtjen
en laat me daarmeê loopen.
3 Hier woont 'n rijkman,
die veul geven kan,
veul kan i geven,
zalig zel i leven,
zalig zel i sterreven,
de hemel zal i erreven,
god zal em loonen
met honderdduizend kroonen,
met honderdduizend rokkies an!
hier komt sunte Martijn an.
Holländisch: De Navorscher 1. jaarg. bl. 64. So sangen sonst die
Kinder zu Amsterdam in den ersten Tagen des Novembers vor den Thüren
und sammelten Torf und Holz und Geld. Am Martinstage zündeten sie dann
ein Feuer an, wobei sie tanzten und sangen. In Leiden lautete das Lied
(Navorscher 1. jaarg. bl. 227):
Sinte Maarten is zoo koud,
geef m'een turfjen of een hout,
om mij wat te warremen
met mijn blanken arremen!
geef wat, houd wat!
't ander jaartje weêr wat.
Wenn sie nichts bekamen, sangen sie:
Een zakje met zemelen,
een zakje met kruid--
hangt de gierige duivel uit.
Neben dem Amsterd. u. Leidener Texte wird noch ein anderer mitgetheilt,
10 Zeilen, die sich theilweise in jenen wiederfinden, Navorscher
1. jaarg. bl. 9.
¶ 1, 2. murf, in der Volksspr. Mund--2, 1. schaartje, Scheere--2,
2. knippen, schneiden.
¶ Nr. 182.