1 Nu laat ons allegaâr dankbaar zijn
ons heer, ons god, ons vader,
die ons alhier van brood, van wijn
verzaâd heeft allegader,
van vlees, van vis, van ander spijs,
bereid zoo menigerhande wijs!
bemint hem in dit leven!
hij zal u niet begeven.
2 Den zoone gods gebenedijd,
die willen wij mede loven,
die ons van zonden heeft bevrijd,
toen wij waren verschoven,
die ons zoo minlijk heeft verzaâd,
en in der nood niet af en gaat,
op hem zet uw betrouwen,
't en zal u niet berouwen.
3 Zoo danken wij ook den heiligen geest,
van zijnder visitatie,
want had hij bij ons niet geweest,
ons vreugd was tribulatie;
hij is ons trooster in verdriet,
zonder hem en vermogen wij niet.
wilt hem uw hert bereiden,
hij zal niet van u scheiden.
4 Zoo danken wij onze lieve bruid,
dat zij bij ons wil blijven,
en drinken dit bekerken nog eens uit,
die heer die wil 't al op mij schrijven.
den boog mag niet gespannen staan,
ik hoop het zal ons wel vergaan,
't is nu geen tijd van scheiden,
wij willen ons gaan vermeiden.
5 Die waard willen wij danken zeer,
dat hij heeft laten koken;
hij heeft zoo wel bewaard zijn eer,
want ons heeft niet ontbroken.
zoo bidden wij dit gezelschap zoet,
vrolijk te wezen met herten vroed.
dat wij hier zijn gekomen,
dat wordt in dank genomen.
6 Zoo willen wij ook vergeten niet
die van hier zijn gescheiden,
datze den heer uit alle verdriet
in zijn rijk wil geleiden.
zoo als wij doen zal ons geschien,
wanneer wij uit dit leven vlien.
hierom zoo wilt voor dezen
een Paternoster lezen.
Holländisch: Thirsis Minnewit III. D. bl. 113. und Passi gezangen,
Amsterd. 1712, worin Str. 4. fehlt, jedoch einige bessere Lesarten
sind, die ich daraus entlehnt habe. Passi gezangen: 1, 7. und
8. waer van wy hem nu zeere danken met grooter eere.--Minnewit: 6,
7. 8. daarom zoo wilt na dezen wel doen en vrolijk wezen. Schon die
Überschrift "oud gracy lied" zeigt an, dass es ein altes Lied ist. Es
wurde wahrscheinlich zu Ende des Hochzeitschmauses gesungen.
¶ 2, 4. verschoven, verstoßen--4, 5. der Bogen kann nicht gespannt
stehen, sprichw. d. h. man kann nicht immer arbeiten--5, 6. vroed,
verständig.
¶ Nr. 178.