1 Veel geld, veel goed, wat zou dat baten?
het geeft bekommernis, een ongerust gemoed.
wat baten pracht en hooge staten,
daer men 't toch al verlaten moet?
ik houw my vast aen minder last,
het kleinste pak is myn gemak.
vivat den bedelzak!
2 De schooyers leven zonder zorgen,
het is al zuiver winst wat zy tot 's avonds doen.
zy slapen rustig tot den morgen,
al noemt men hem schavuit, kapoen.
zy leven vast in kleinen last,
het minste pak is hun gemak.
vivat den bedelzak!
3 De beedlaers stellen druk bezyen,
geen angst, geen bange zorg en steekt in hunnen kop,
zy zien door niemand zich benyen,
zy teeren daglyks alles op.
zy hebben vast den minsten last,
het kleinste pak, het grootst gemak.
vivat den bedelzak!
Vlämisch: Willems Nr. 240, ohne Angabe der Quelle. Stammt aus
neuerer Zeit.
¶ 1, 1. baten, nützen--1, 3. staten, Stände--2, 1. schooyer,
Bettler--2, 3. rustig, ruhig--2, 4. schavuit, eigentlich Schuhu, dann
Lumpenkerl--kapoen, Capaun, wahrscheinlich mit einer verächtlichen
Nebenbedeutung wie im Deutschen--3, 1. druk, Ungemach--bezyen, by
zyden, bei Seite.
¶ Nr. 177.