1 Ik hoor wat nieuws in deze tijd, :|:
|: het is ons Jantje, dat noble kwantje
komt bij de meid. :|
2 Ik hoord hem praaten al van de min;
hij zoekt een kooltje, ja bij mijn zooltje,
al na zijn zin.
3 Wie zou het looven van deze kwant?
heeft hij de vinger, hij maakt het slimmer
en neemt de hand.
4 Gij vangt nu aan in't nieuwe jaar:
'k wensch gij meugt vatte nog zeer veel schatte
al binnen 't jaar!
5 Ik scheid er met mijn liedje uit:
geeft mijn twee duiten, ik zal't niet stuiten,
wel lieve bruid!
Holländisch: Apollo's St. Nicolaasgift, Leiden s. a. mit der Weise:
Du liegst mir Tag und Nacht im Sinn.
¶ 1, 2. kwantje, Bürschchen--3, 1. looven für gelooven--5, 2. duit,
früher kupferne Scheidemünze, zwei Pfennig an Werth--stuiten, hindern.
¶ Nr. 161.