ANGENEHME RUH!

1 'Wij willen nog niet scheiden,

het is nog een paar uurtjes te vroeg,

den tijd willen wij verbeiden

van nu tot morgen vroeg.

waar heefter mijn liefje zoo lange geweest?

ik heb om harent wille

zoo zeer verslagen geweest.'

2 'Hebt gij om harent wille

zoo zeer verslagen geweest:

gaat maar na huis toe stille

en toont u onbevreesd.

want het rouwt mijn en 't is mijn leed,

dat u dat mooije meisje

zoo zeer bedrogen heeft.'--

3 'Ik ging nog gister avond

zoo heimelijk aan den dans,

al voor mijn zoete liefs deurtje

die ik er gesloten vand.

ik roerde, ik klopte aan den ring:

staat op, mijn alderliefste,

staat op en laat mij in!'

4 'Ik doe voor u niet open

en laat u ook niet in,

mijn deurtje is gesloten

en daar mag niemand in.

daar leiter een ander veel liever als gij,

gaat t' huiswaart leggen slapen

en peinster niet meer om mij.'

5 'Is daar een ander lief inne,

dat ik u niet spreken mag,

blijft bij malkander in minne

en slaapt te zaam tot den dag!

ik zal weder na huis toe gaan:

mijn koejen zijn ongemolken,

en mijn werk leit ongedaan.'

Holländisch: Thirsis Minnewit 1. D. bl. 55. Die ersten 4 Zeilen kommen

daselbst bl. 29. in einem Hochzeitsliede vor und lauten also:

wij willen nog niet scheiden,

het is nog tijds genoeg,

wij willen nog wat beiden

tot aan den morgen vroeg.

¶ 1, 3. verbeiden, warten--1, 3. verslagen, in Angst und Unruhe--2,

4. onbevreesd unerschrocken.

¶ Nr. 129.

Niederländische Volkslieder · 第 137 / 217 题