1 Het windje dat uit den oosten waait,
dat waait tot allen tijden:
al die er in zijn liefs armen leit,
die mag hem wel verblijden,
Lief mondelijn rood!
die hoeft er niet meer te vrijden.
2 Hij ging er voor zijn liefs venstertje staan
met een zoo droeve zinne:
'slaapt gijder of waakt gij, mijn zoete lief?
staat op en laat mijn inne!
Lief mondelijn rood!
en mij dunkt, ik hoor jouw stemme.'
3 Het meisje uit haar slaap ontsprong:
'wie klopt hier alzoo laate?
gij meugt wel weder naar huis toe gaan,
gaan t' huis wat leggen slapen,
Lief mondelijn rood!
ik zalder u niet inlaten.'
4 'Staat daar een ander in uw hert geprent,
van de min word ik versmeten.
mogt ik eens weten, wie het mij doet!
het wordt mij dikmaals verweten,
Lief mondelijn rood!
wat hebben wij een schoone tijd versleten!'
5 Zij zei: 'jongman, houd goede moed,
kiest een ander jong van jaren!
als de liefde van een kant komen moet,
zoo valt het zwaar te dragen.
Lief mondelijn rood!
mogt ik vangen dat ik jage!'
6 'Dat gij jaagt dat vangtje wel,
lief, en wilt daarom niet treuren!
al waren wij duizend mijlen van een,
dat god voegt zal gebeuren,
Lief mondelijn rood!
laten wij daarom niet treuren!'
Holländisch: Thirsis Minnewit 1. D. bl. 24. und Volksliederbücher.
¶ 4, 1. geprent, gedruckt, hier: eingedrückt--4, 2. versmeten,
verstoßen--4, 4. wordt verweten, wird zum Vorwurf gereichen-- 4,
6. den tijd verslijten, die Zeit verbringen--5, 3. d. h. wo keine
Gegenliebe ist--kant, Seite--6, 3. van een, von einander --6,
4. gebeuren, geschehen.
¶ Nr. 127.