1 De zon is ondergegangen,
de sterren blinken zoo klaar;
'k wou dat ik met mijn liefste,
schier over der heiden,
in een boomgaardje waar!
2 'De boomgaard is gesloten
en daar mag niemand in
dan de fiere nachtegaal,
schier over der heiden,
die vliegt er van boven in.'
3 Wij zullen den nachtegaal binden
zijn hoofdje al aan zijn voên,
dat hij niet meer zal klappen,
schier over der heiden,
wat twee zoete liefjens doen.
4 'Al hebt gij mij dan gebonden,
mijn hartje is mijnder gezond,
ik kan noch evenwel klappen,
schier over der heiden,
wat twee zoete liefjens doen.'
Holländisch: Thirsis Minnewit 1, 101. Dr. 3, 3. geen meer.--Le Jeune
Volkszangen Nr. 63. "Uit een blaauwboekje." Dr. 2, 3. nachtegalen--2,
5. vliegen--3, 1. Men zal (Wij zullen)--3, 3. geen meer--4, 5. Van
twee zoetliefjes doorwond.
Vlämisch: Willems Nr. 19. Str. 10-13. Dr. 3, 1. 2. Ik zal u, o
nachtegael binden, uw hoofd aen uw voetekens doen--4, 5. wat gy met
uw liefste bestond. Sehr verdächtig!
Schlussstrophen des Liedes: Na Oostland wil ik varen, daar woont er
mijn zoete lief. Offenbar ein besonderes Lied, das jenem angehängt
wurde, weil es nach derselben Melodie gesungen wird--wie es bereits
Mone Übersicht S. 215 bemerkt hat.
¶ 3, 2. voên für voeten--3, 3. klappen, ausplaudern.
¶ Nr. 107.