1 Te Leiden op het galgeveld
een paal doen zij mijn wezen,
daar hebbe zij mijn straks aan gesteld
om te dansen met vreeze.
meester Hans die speelde lustig op,
hij gaf mijn al van dat geeselsop,
ik heb het zoo weinich geprezen.
2 Nu ben ik weêr in zwaar verdriet,
ik quam op 's heeren wegen,
de heere van Taagsveld ken mijn niet,
hij zag mijn aan ter dege,
hij heeft al door zijn loos beleid :|:
mijn op zijn wagen gekregen.
3 Van Noorddorp wierd ik gebracht,
na Hartekum gezonden,
daar hebbe zij mij met goed verdacht
zeer wreed en strek gebonden.
zij brachten mijn ook zeer fraai ten toon
tot Alkmaar in de stad zeer schoon:
ik moest het al gehengen.
4 Tot Alkmaar quam er een groot gerucht:
de ruiter is gevangen.
veel mensche quamen daar te vlucht,
een ieder had verlangen.
daar quamen menigte van liên
en dat was al om mijn te zien,
of ik straks zoude hangen.
5 Des zaterdags brachte ze mijn weêr uit,
ik moest het weêr gehengen,
zij brachten mijn in Keesooms schuit
na Haarlem te brengen.
nu zit ik tot Haarlem ten toon
en dat voor alle man even schoon:
ik moest het al gehengen.
6 Nu zit ik tot Haarlem in het gat
al daar in 's heeren banden,
ik woud ik weêr tot Alkmaar zat
al daar in 's heeren handen.
maar liever wil ik op dit pas,
dat ik op de groene heiden was,
dan mocht ik spanceeren gangen!
Holländisch: Scheltema's Sammlung, Anf. des 18. Jahrh. mit der
Überschrift: "Een Nieu Liet, van de Swarte Ruyter, Op een aengename
Voys."
¶ 1, 6. geeselsop, Peitschensuppe, Geißelhiebe--2, 2. weil ich kam
auf die große Heerstraße d. h. ich wurde wieder gefangen--2, 4. ter
dege, gehörig, von oben bis unten--2, 5. loos beleid, schlimmer
Anschlag--3, 3. verdacht, Bedacht--3, 4. wreed, grausam--strek für
sterk--3, 5. fraai, hübsch--ten toon, zur Schau--3, 7. gehengen,
sich gefallen lassen--4, 2. ruiter, Räuber, Wegelagerer, der auf
der Landstraße raubt, darum im Engl. highwayman--5, 1. zaterdag,
Samstag--6, 1. gat, Loch, Gefängniss--6, 5. op dit pas, dies Mal.
¶ Nr. 82.