DIE STRAFE BLEIBT NICHT AUS.

1 'Wat benne wij slegte minnaars dom,

die zomtijds langs de weg gaan dwalen!

hoe lieflijk plakken wij een blom,

't welk ons doet nederdalen!

2 Nu heb ik eens edelmans dogter bemind:

dat is nu alzoo groot hertzeere.

ik heb haar mijn trouwtje menigmaal aangediend,

maar zij wou nimmermeere.

3 Ik heb er gezworen doe eene eed,

zoo ik haar kreeg onder mijn handen,

al waar 't haar lief dan ofte leed,

ik zou haar brengen in schanden.

4 Nu heb ik haar buiten in dat veld

alleenig na mijnen zin gevonden,

waar ik haar met zulke groot geweld

haar eertjen heb geschonden.

5 Dat meisken viel op beî haar knien

zugten en weenen en droevig kermen.

ik hadde een herte als een steen,

ik wist van geen ontfermen.

6 Nu heb ik mijn booze wille volbragt,

dat valt mij, eilaas! indagtig.

ik en heb te voren niet wel gedagt,

helaas! nu valt zij klagtig.

7 's Morgens vroeg, het wierd schoon dag,

mijn kapitein kwam na mijn vragen,

toen ik der nog vaste in mijn ruste lag,

de deur wierd op geslagen.

8 Nu moet ik een gevangen man zijn,

zitten op een zoo hoogen toren,

in boeijen gesloten, het doet er mijn pijn,

ik geef de moed niet verloren.'

9 's Morgens vroeg zonder respijt

men hoorde de revelje slagen,

den Zwitzer wierd buiten de poorte geleid

een uurtje voor den dagen.

10 Zij bragten hem aldaar voor 't geregt,

alwaar veel france heeren waren.

'mijn liefje, die mijn der ook te minnen plegt,

komt mij ter dood bezwaren.

11 't Is er mijn vader en moeder groot schand,

dat ik zoo ver hier kom verzeilen,

ik geboren uit Zwitserland

van driehonderd mijlen!'

12 Hij trok zijn beste kleederen uit

en zei: 'daar mijne vrome zoldaaten,

dat schenk ik u alle voor mijn laatste buit,

mijn trouwe kameraaten!'

13 De Zwitzer moest knielen voor het graf,

men zag het bloedig slagzwaard blinken.

zij houden hem straks zijn hoofje af,

zijn jonk leven zag men krinken.

14 'Oorlof, gezellen, wie gij zijt,

en wilt dit lied dog wel onthouden!

ik sterf voor geen schelm of dief, ach wat een spijt!

maar om 't gerijf van de jonkvrouwen.'

Holländisch: De opregte Zandvoorder Speelwagen, VolksLB.--Stammt aus

dem vorigen Jahrhundert, als noch die Schweizer überall in fremde

Kriegsdienste gingen, wie jetzt nur noch beim Papste und König von

Neapel. Das Lied, so sehr es an die Kunstdichtung streift, hat doch

ganz die Färbung des Volksliedes: vernachlässigten Versbau, schlechte

Reime, veraltete Wörter u. dgl. Auffallend, dass der unglückliche

Schweizer nicht nach Soldatenbrauch erschossen, sondern mit dem

Schwerte hingerichtet wird.

¶ 1, 2. dwalen, irren--1, 4. nederdalen, sinken, zu Grunde gehen--2,

3. trouw, eheliches Versprechen--aandienen, ankündigen --5, 2. kermen,

jammern--5, 4. ontfermen, erbarmen--6, 4. klagtig vallen, klagbar

werden--8, 3. boei, Fessel--9, 1. respijt, Aufschub--10, 4. bezwaren,

beschuldigen--11, 2. verzeilen, versegeln, stranden--13, 1. knielen,

knieen--13, 4. krinken, krenken, dahin schwinden, vergehen--14,

4. d. h. weil ich mich mit den Jungfrauen eingelassen habe. gerijf,

gerief, Nutzen, Gebrauch, Dienst.

¶ Nr. 80.

Niederländische Volkslieder · 第 87 / 217 题