1 Daar quamen drie landsknechten
van Stralenburg over den Rijn, :|:
van strijden en van vechten
drie landsknechten
daar wouden zij meester van zijn.
2 Zij quamen tot een waardinne:
'waardinne, tapt ons er de wijn!
al wat wij hier verteeren
en versmeeren,
daar zal ik u borg voor zijn.'
3 'Waar om zoo zoud ik u borgen?
gij hebter geen geld noch pand,
als kaf en lichte veêren
zijn uw kleêren,
gij komter uit bijster land.'
4 De meid sprak tot de vrouwe:
'vrou, tapter de gasten vrij wijn!
laat haar hart ophalen,
'k zal't betalen
al watter verteerd zal zijn.'
5 Doe sprak de waard met morren:
'hoe spreekt ons maget zoo boud?
zij zullen domineeren
en verteeren
al uw zilver en rood goud.'
6 'Hoe zouden zij verteeren
mijn zilver en rood goud?
ik heb noch duizend kroonen
die zijn schoone
en ook van jaartjens oud.'
7 Doen sprak er de jongste van drien:
''k wou dat er dat meisken was mijn!
ik zou haar vrolijk leiden
langs groen heiden
tot Stralenburg over den Rijn!'
8 'Zoudt gij mijn vrolijk leiden
tot Stralenburg over den Rijn,
maar eerst zoo moest ik weten
in 't secreeten,
wat er uw vader mag zijn.'
9 'Woudt gij zoo garen weten,
wie dat er mijn vader mag zijn:
den hertog van Traveerne
drinkt zoo geerne
de rijnsche koele wijn.'
10 'Den hertog van Traveerne
is dat er de vader van dijn,
zoo mag ik dan wel klagen
al mijn dagen,
gij zijt er den broeder van mijn!'
11 'Om dat ik ben uw broeder,
baart dat uw jong hertje rou?'
'och ja, uw bruine oogen
mijn bedrogen:
ik meende te zijn uw vrou!'
Holländisch: Scheltema's Sammlung, Anf. des 18. Jahrh. Dr. 5,
2. bont--8, 3. fehlt zoo.
¶ 2, 4. versmeeren, verschlemmen--3, 2. pand, lat. pannus, Kleider--3,
5. bijster, wild, hier armselig--4, 2. vrij1, immerhin, nur--4, 3. lass
ihr Herz sich erquicken--5, 2. boud, keck--5, 3. domineeren, Geld
verschwenden, ein Ausdruck, der schon im Anf. des 17. Jahrh. üblich
war--11, 2. baren, verursachen--rou, Trübsal.
¶ Nr. 74.