HÄNSELEIN.

1 Hanselijn over der heide reet,

hoe haestich wert hi ghevanghen!

hi wert al op een toren gheleit,

gheboejet wel also stranghe.

2 Ende dat verhoorde een meisje jonc,

een meisje van seventien jaren;

si ghinc al voor haer moeder staen,

hei, daer nae al voor haer vader.

3 'Och vader, sei si, vader van mijn,

mijn alderghenadichste here!

wondt ghi mi dese ghevanghen man gheven

de vrome lantscnechtjes ter eren?'

4 'Dese ghevanghen man crijcht ghi niet,

want hi sal moeten sterven,

hi isser van seven lantsheren verwesen

also veer in vreemde erven.'

5 Het meisje liet backen twee wittebroots wegghen,

daer in twee scherpe vilen,

si wierpse al in den toren was hooch:

'hei, lantscnechtje, wilt jou los vilen!'

6 Hi vijlde so menighen nacht ende dach,

so menighen stouten uren

tot datter den toren ontsloten was:

hei, men sacher noit lantscnecht truren!

7 Si troc hem daer twee laersen an,

daer toe twee scherpe sporen,

si setten hem op haer vaders grau ros:

'lantscnecht, gheeft de moet niet verloren!'

8 Doen hi ter halver weghe quam,

hi keec so dicwils omme,

hi dochter wel om den toren was hooch,

maer noch meer omt meisken was jonghe.

9 'Nu heb ic al de joncfrouwen lief

al omme de wille van ene,

si heefter behouden het leven van mijn,

och mochtic haren dienaer wesen!'

Oudt Amst. LB. bl. 44. (Hor. belg. 2, 135.) Oudt Haerl. LB. 16. en

26. druk.--Dr. 9, 4. sijn (wesen).

Willems (Nr. 62.), der das Lied nur aus den Hor. belg. kannte, hat

sich arge Aenderungen erlaubt z. B.

3, 4. elc lantscnecht sal u eeren.

4, 4. ghenade sal hy niet verwerven.

5, 4. hout daer, om u los te vijlen.

6, 4. hy moester niet langher trueren.

8, 4. en dacht om 't meisken so schoone.

¶ 1, 4. gheboejet, gheboeit, gefesselt--4, 4. erve, ererbtes

Eigenthum, Grund und Boden, vreemde erven, fremde Lande-- 5,

1. wegghe, cuneus, Keil, dann keilförmiges Gebäck, wie im Mhd. der

wecke ebenfalls beides bedeutet, s. Schmeller Wb. 1, 20. Weigand

deutsche Synon. Nr. 2232.--Willems hatte geändert: het meisken liet

backen een wittebrood, Snellaert stellte die ursprüngliche Lesart

wieder her--7, 1. laerse, leerse, ocrea--8, 2. dicwils, oft.

Wenn andere Volkslieder fast völlig erloschen, so erhielt sich

von diesem wenigstens eine Umarbeitung eines seiner Zeit sehr

beliebten Dichters, des J. J. van Asten. Sie steht in den Haerlemsche

Winter-Bloempjes 1651. bl. 185. (wiederholt Le Jeune Nr. 56. und

Hor. belg. 2. 136):

1 Daer zoud er een ruitertje vroeg uitrijen,

't was om een landsheer zijn dochter te vrijen

zoo veer aan geen groen heiden.

de landsheer doet hem gevangen geboeid

op een hoogen toren leiden.

2 De ruiter heeft er zeer luide gezongen:

'ik heb zoo menig stout ruiter gedwongen,

en nou zit ik hier gevangen;

de landsheer heeft gezworen mijn dood,

dat hij mij zel doen ophangen.'

3 De landsheers dochter noch jong van dagen,

zij hoorde de ruiter zoo droevelijk klagen

en zij ging onder de muren:

'stout ruitertje, dat jij sterven moet,

och! dat doet mijn jong hart truren.'

4 'Mooi meisje, kon jijder behouden mijn leven,

wat jij begeerde zoud' ik jou geven

en ik zou jou met mijn leiden

en voeren jou op mijn vadertjes slot,

daar ik nooit van jou zou scheiden.'

5 'Stout ruiter, jouw bidden is al verloren,

mijn vader die heeft jouw dood gezworen,

maar wilje mijn, zoetelief, trouwen,

ik hebje, stout ruiter, zoo zeere bemind,

datje zelt jouw lijf behouwen.'

6 Zij liet haar vadertjes wachter ontbieden

en liet haar vadertjes komst verspieden,

en zij liet de ruiter ontbinden;

die zadelde daar een appelgraauw ros

en reed heen met zijn beminde.

¶ Nr. 69.

Niederländische Volkslieder · 第 76 / 217 题