HEIMLICHE LIEBE.

1 Het meisje al over de vallebrug reed,

het buideltje van haar zijde gleed,

het zonk al na den gronde.

met een kwam daar een ruiter aan,

hij viste 't in korte stonde.

2 Toen zij haar buideltje weder zag,

van haar leven zag zij nooit droeviger dag,

aldaar stond in geschreven:

'al wie verholen liefde draagt

moet zeven jaar lazerus wezen.'

3 Z' wist niet wat ze doen of laten most:

zij nam een mes en kwetste haar borst,

en zij ging het haar vader toonen:

'ik ben er met lazerij besmet,

komt, ziet hier voor uwe oogen!'

4 'Wel, dochter, zoudt gij lazerus zijn?

gij bent er de liefste dochter van mijn,

gij bent er zoo schoon jonkvrouwe!

al kwam er een koningszoontje om u,

hij zouje wel mogen trouwen.'

5 'O vader, laat maken een huisje koen

van distel, doornen, lelien groen,

en huurt er mij eenen gezellen,

die dagelijks mijn willetje doe

en klinke de lazerus bellen.'

6 Het napje in haar regterhand

en het klapje in haar slinkerhand,

en zij ging over 's heeren straten:

'ach, geeft er den arme lazerus wat,

doet werk van caritaten!'

7 'Wat caritaten zou ik u doen?'--

'ik heb er geen koussen ofte schoen

en in zeven jaar niet gedragen,

toch word ik er een mooi meisje toe

bij een fonteintje gedwagen.'

8 Zij wiesch haar handen en droogde ze schoon,

en leide ze op zijn zadel ten toon.

aan haar ringen kon hij ze kennen

als dat zij hetzelfde magetje was

dat hij plagt te beminnen.

9 Hij had er het schoon kind lief en waard,

en hij zette ze voor hem op het paard

en met een zoo ging hij rijden;

hij trok haar lazerus kleederen uit

en hij kleed ze in witte zijde.

10 'Adieu vader en moeder mijn,

adieu zuster en broederlijn,

adieu mijn vriendetjes allen!

ik dank den God van 't hemelrijk,

dat de lazerij is vervallen.'

Holländisch: De Marsdrager, Amst. 1754. bl. 92. (Der arme Heinrich von

Hartmann von der Aue, herausg. durch die Brüder Grimm 167-169.) "Uit

een blaauwboekje" bei Le Jeune Volksz. Nr. 12.--Dr. 5, 4. doen--5,

5. klinken--7, 4. dan (toch)--er fehlt--7, 5. te wagen (gedwagen)--8,

2. en op haar zadel zat zij ten toon.

¶ 1, 4. 9, 3. met een, auf einmal--3, 2. kwetsen, verwunden--3,

3. toonen, zeigen--6, 5. caritaten, Liebeswerk--7, 5. gedwagen,

gewaschen, dwagen hat sich aus der neueren Sprache völlig verloren,

die Wörterbücher aus dem Ende des 17. Jahrh. kennen es schon nicht

mehr; daher das unverständliche te wagen des Drucks, welches Le Jeune

durch "optewegen d. i. te vergelijken" erklärt!-- 8, 2. ten toon,

zur Schau.

¶ Nr. 33.

Niederländische Volkslieder · 第 37 / 217 题