1 In Oostenrijk daar staat een huis
zeer fraai en wel ten toone,
van marmer en albastertsteen,
en blinkt van goude schoone.
2 Daar op zoo leit een jongeling teer
op zijnen hals gevangen,
wel veertig vademen onder de aard
bij adderen en bij slangen.
3 Zijn vader quam tot Rosenberg
al voor den toorn gegangen:
'och zoone, liefste zoone van mijn,
hoe zwaar legt gij gevangen!'
4 'Och vader, liefste vader mijn,
zeer zwaar leg ik gevangen,
wel veertig vademen onder de aard
bij adderen en bij slangen.'
5 Zijn vader wel tot de heeren sprak:
'wilt mijn den gevangen los geven,
drie honderd goudguldens zal ik u strak
wel voor den jongeling geven.'
6 'Drie honderd goudgulden helpen u niet,
die jongeling moet sneven:
hij draagt een gouden keten ziet,
die brengt hem om zijn leven.'
7 'Dat hij een gouden keten draagt,
die en heeft hij niet gestolen,
die heeft hem vereerd een schoone maagd
uit liefden onverholen.'
8 Men haalde den jongeling uit den toorn
en gaf hem 't sacramente.
'och rijke god van den hemel hoog,
nu gaat het aan mijn ende!'
9 Men voerden hem voort ter poorten uit,
die leere moest hij opstijgen:
'och meester, laat mijn een kleine tijd
mijn jong leven beschrijen!'
10 'Een korten tijd en laat ik u niet,
of gij mij mogt ontrinnen.
geeft mij een zijden doekjen ziet,
dat ik zijn oogen mogte verbinden!'
11 'Och mijn oogen verbind doch niet,
ik moet de wereld aanschouwen;
ik zieze nu en nimmermeer,
dies leit mijn hert in rouwen.
12 Ik treur niet om mijn jonge lijf
noch om mijn jonge leven,
maar om mijn vrou moeder die t'huis
zit in droefheid en sneven.'
13 Zijn vader onder 't geregte stond,
zijn hert dat scheen te breken:
'och zoone, liefste zoone mijn,
uwen dood zal ik wel wreken.'
14 'Och vader, liefste vader mijn,
mijn dood en wilt niet wreken,
op dat mijn ziel niet komt in pijn,
onschuldig wil ic sterven.'
15 Des derden dags met klaren toon
zag men een engel blinken:
'neemt af, neemt af den jongeling schoon,
of de stad die zal verzinken!'
16 Omtrent drie maanden na dien dag
zijn dood die was gewroken:
daar waren al over de dertig man
om den jongeling dood gestoken.
Holländisch: Scheltema's Sammlung. Anf. des 18. Jahrh. Ursprünglich
deutsch, daran erinnern auch noch die Reime 10, 2. 4. ontrinnen (für
ontrennen): verbinden und 8, 2. 4. sacramente (im Druck sacramenten
schoon): ende. Im Dr. fehlt 8, 3. hoog.
¶ 1, 2. fraai, schön--ten toon, zur Schau--2, 1. leit, legt,
liegt--teer, teder, zart--2, 4. adder, Natter--6, 2. sneven,
sterben--9, 2. leer, ladder, Leiter--11, 4. rouw, Trauer--13,
4. wreken, rächen--16, 2. gewroken, gerächt.
Von dem deutschen Liede gilt für den ältesten Text der vom J. 1647,
nur wenig verschieden davon sind die noch jetzt im Munde des Volks
vorhandenen. Das Lied mag gegen Anfang des 16. Jahrh. entstanden
sein; dass es um die Mitte desselben schon bekannt war, beweist
eine musikalische Sammlung jener Zeit, s. Eschenburg's Denkmäler
S. 447. Ausführliche Nachweisungen in meinen Schlesischen Volksliedern
unter Nr. 8. S. 18, woselbst auch der dänische und schwedische
Text besprochen wird. Uhland, Volkslieder Nr. 125. hat auch keinen
ältern Text als den des Fl. Bl. vom J. 1647; er erwähnt auch einen
niederdeutschen, in seinem unvollständigen niederd. LB. Nr. 72.
¶ Nr. 26.