DAS WELTWEIB.

1 Het waren twee koningskinderen goed,

zij waren hoog geboren,

zij konden van alle haers vaders goed

malkanderen geen trouw beloven.

2 'Zuster, zeide hij, zuster mijn,

mijn zuster landesvrouwe,

woudt gij mij vrouwekleiders aandoen,

groot wonder zult gijder aanschouwen.'

3 'Broeder, zeide zij, broeder mijn,

dat waar ons beide groot schande!

daar vrijdt zoo menigen koningskind

zoo ver al in vreemde landen.'

4 Hij schoot aan een hemdetjen wit,

een hemdetjen wit van zijde,

daar over schoot hijder een rokjen rood,

een rokjen van kermeszijde.

5 Hij zetten een kroon al op zijn hoofd,

een kroon was rood van gouwe.

hij zag uit zijn bruin oogen zoo wel

gelijk een wereldsche vrouwe.

6 'Nu zadelt mij mijn beste paerd,

mijn alderbeste van vijven,

dat ik mag rijden over berg, over dal

al na mijn zoete liefjen!'

7 Hij reed over berg, over dieper dal

zoo meniger stoute mijlen,

zoo lang dat hij voor dat hooge huis quam,

daar de schoone zat op der tinnen.

8 'Kijk uit vader, kijk uit moeder,

kijkt uit broeders alle vijven!

hier komt dat wijf, dat wereldsche wijf

op een appelgraauwe ros aanrijden.'

9 'Zegt mijn, zegt mijn, wel wereldsch wijf,

zegt mijn bij uwer machten:

hoe veel mannen hebt gijder gehad

op een wintersche koude nachten?'

10 Zij stak op haar handjes twee,

haar vingers alle achten:

'alzoo veel mannen heb icker gehad

al op een wintersche koude nachten.'

11 'Zegt mijn, zegt mijn, wel wereldsch wijf,

bij wie zoo wilt gij slapen?

bij mijn of bij mijn schildeknecht

of bij mijn onderzaaten?'

12 'Bij jou of bij jou schildeknecht niet

noch bij jou onderzaaten.

heer koning, gy hebter een dochterkijn,

wou gijder mijn dat toelaten?'

13 's Nachts, omtrent der middernacht,

het meisken weende zeere.

'wie heeftet mijn jongste dochter gedaan,

of gesproken al aan haar eere?'

14 'Niemand en heefter mijn leed gedaan

noch gesproken al aan mijn eere.

het wereldswijf isser zoo moede gegaan,

zij kan haar wenden noch keeren.'

15 De vader haald' op zijn slinker hand,

hij sloegze onder haar wangen,

zoo datze neder ter aarden viel,

de traanen schoten over haar wangen.

16 'O vader, zeide zij, vader van mijn!

die slag zal u berouwen:

als morgen ochtend dat haantjen kraait,

groot wonder zult gij daer aanschouwen.'

17 's Morgens vroeg, het was schoon dag,

d' haan kraaide om te kleeden,

doen was zijn jongste dochterkijn

met het wereldsche wijf gereden.

18 'Nu zadelt mij mijn beste paard,

mijn beste ros van vijven!

de bloempjes die aan de groene dale staan

zullen mijnder de weg wel wijzen.'

19 Hij reed over berg, over dieper dal

zoo meniger stoute mijlen

zoo lang hij bij een schaapherder kwam,

die zijn schaapjes daar ging weiden.

20 'Zegt mijn, zegt mijn, schaapherder fijn,

zegt mijn bij uwer trouwen,

wie komen al deze schaapjes toe

die de ooren blinken van gouwe?'

21 'Als ik het immers zeggen moet,

ik zeg bij mijnder trouwen,

die komen dat wijf, dat wereldsche wijf toe

met haren wel landesvrouwen.'

22 'Zegt mijn, zegt mijn, schaapherder fijn,

zegt mijn bij uwer trouwen,

wie komter dat huis dat hooge huis toe,

daar de vensters blinken van gouwe?'

23 'Als ik het immers zeggen moet,

ik zeg bij mijnder trouwen,

het komter dat wijf, dat wereldsche wijf toe

met haren wel landesvrouwen.'

24 'Komen zij dat wijf, dat wereldswijf toe

met haren wel landesvrouwen,

ja want gisteren avond heeft hijze gehaald

en morgen zoo zal hijze trouwen.

25 Heb ik mijn dochter zoo welle besteed,

zoo wil ik wederom keeren

al na mijn eigen koningrijk

en na mijn landesheeren.'

Holländisch: Scheltema's Samml., Anf. des 18. Jahrh. Das Lied hat

die Überschrift: "Een Nieuw Amoureus Liedeken, van't Wereltsche

Wijf. Stemme: Het waren twee Gesusters in het Wout." Trotzdem aber

wol sehr alt.

Druck: 16, 4. sal sij (zult gij)--24. hijze fehlt.

¶ 1, 4. malkanderen, einander--de trouw beloven, die Ehe

versprechen--4, 1. aanschieten, anziehen--4, 4. kermeszijde,

Scharlachseide--15, 1. ophaalen, aufheben--slinks, links--16,

4. morgen ochtend, morgen früh--25, 1. eene dochter besteden, eine

Tochter verheirathen.

¶ Nr. 15.

Niederländische Volkslieder · 第 18 / 217 题