Plato heeft (volghens 't ghetuygenisse Ciceronis in sijn Off

JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE

BESCHRIJVINGHE VAN DE

OOST-INDISCHE REIJSE VAN

WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE

OPNIEUW UITGEGEVEN EN VAN AANTEEKENINGEN VOORZIEN DOOR

Dr. G. J. HOOGEWERFF

UTRECHT

A. OOSTHOEK

1915

INLEIDING.

Voor den schrijver van deze Inleiding is de nieuwe uitgave van het

Journael van Willem Ysbrantsz. Bontekoe het teruggrijpen tot een

voorliefde van voorheen, die hij zich nimmer zal ontveinzen dat een

voorliefde gebleven is.

Wat hij met den herdruk van het eenmaal zoo populaire boekje vooral

hoopt te bereiken is dit: dat ook de gansche Nederlandsche Natie zich

tot die oude voorliefde zal terugwenden.

Dat een boek, hetwelk door het voorgeslacht met ingenomenheid en

bewondering werd gelezen--niet om zijn schoonen vorm, maar om zijn

kloeken inhoud--blijvend in vergetelheid kon geraken, zou niet anders

dan een zeer slecht teeken wezen voor ons tegenwoordige menschen. Het

mag dan ook niet aangenomen worden.

Zeer zeker zijn de merkwaardige lotgevallen van den manhaften Bontekoe

in Nederland feitelijk nooit of nimmer vergeten; waardoor anders is de

man en is zijn reis spreekwoordelijk geworden en gebleven? Dit boekje

wil daarom niet anders dan de herinnering aan man en reis levendig

houden. Terecht toch mag het "Journael ofte de Gedenckwaerdige

Beschrijvinghe" als een soort nationaal-goed worden beschouwd.

Wanneer ons in het einde der 17de eeuw de inhoud van de scheepskist

van een kajuitsjongen wordt medegedeeld,--bevattende mede eenig goed,

dat door de bemanning van zijn schip voor hem werd achtergelaten,

op de onbewoonde kust waar hij zijns ondanks bleef,--dan wordt daar

mèt het Nieuwe Testament ook de reis van Willem Ysbrantsz. Bontekoe

vermeld [1].

Heeft Bontekoe zijn verhaal voor ouden van dagen geschreven of voor

jongen? Hij heeft het zeer zeker niet geschreven, opdat het gelezen

d. i. gedrukt zou worden. Het dagboek is opgesteld in de eigenaardige

trouwhartige taal van den zeeman, behelst de mededeeling van zijn

lotgevallen zonder opsmuk hoegenaamd, en is daardoor boeiend voor

iedereen.

Zijn de daden van Bontekoe, gelijk die van een veroveraar der

Zilvervloot, "groot" geweest? Was hij een zeeheld?--In zijn daden

ligt niets buitengewoons. Wat hij ondernam was het bedrijf van den

gewonen Oostindievaarder. Wat hem overkwam, had een ander evengoed

kunnen overkomen. En tòch is hij een held om de wijze waarop hij het

bedrijf uitoefende en om de wijze waarop hij zich door de moeilijkheden

heensloeg. Schipper op zijn bodem, "naast God" zoo het heet, en vol

vertrouwen, dat hij met Gods hulp alles te boven kan komen;--om er

zich berustend in te schikken als geen middelen en niets mag baten;

tot het bitter einde toe. Zoo is menige zeeman een held. Ook nu nog.

Dat is niet alleen moed, niet alleen volharding, taaiheid, maar

ook trouw en standvastigheid. Trouw aan een opdracht, trouw aan een

taak, trouw aan zich zelf; maar ook trouw aan den Allerhoogste, die

het immers leiden zal naar Zijn raad. Geloof maar, op het land, met

beide de voeten op de veilige moederaarde, wordt vaak genoeg met het

Eeuwige gespot en gespeeld, doch niet in een storm op de woedende zee:

daar wordt ook de meest oppervlakkige zich zelf wel indachtig.--Heeft

men wel eens opgemerkt, dat bij dreigend gevaar aan boord wèl bij de

passagiers (de menschen van het land) maar nooit bij de echte zeelui

een paniek voorkomt? De laatsten zijn gewend de verschrikking, ook

de verschrikking van den dood, onder de oogen te zien.

Wordt dat in de praktijk tot fataliteit?--Zeelui zijn uiteraard

fatalisten, en altoos geweest. Doch het fatalisme van Bontekoe

voert niet tot een modern pessimisme en een zuchtend bij de pakken

neerzitten, maar tot een bijna blijmoedig vertrouwen in het welslagen,

zelfs in uitersten nood. De Voorzienigheid zit ook niet stil! Doe

dan wat je kunt om je er door te slaan! Al waar het op aankomt, is

dat de gang er in blijft, en daarmee de moed, tot het einde toe. De

rest zal zich wel vinden! Het eerste waarvoor een goed zeeman daarom

bidden zal, is dan ook: Geef wind Onze Lieve Heer; we hebben zeilen!

Het werkwoord "volhouden" is niet voor niets een der tallooze

scheepstermen, die in onze spreektaal zijn overgegaan (--'t

geen de klemtoon al leert; in tegenstelling met het oudere

"volhárden"--). Eigenlijk zijn alle Hollanders, West-Friezen en

Zeeuwen krachtens hun geboorte reeds zeelui, en krachtens hun idioom.

Bijna zou ik lust gevoelen van de zeemanswoorden, die wij zonder

het te weten onophoudelijk gebruiken, hier een lijstje te geven,

doch het zijn er zoo vele, dat het werk in een beknopte inleiding

als deze onbegonnen zou zijn. Zelfs Vader Vondel, om geen mindere

onzer oude schrijvers aan te halen, deed er al druk aan mee. In een

stuk als "Adam in Ballingschap", het treurspel aller treurspelen,

zal men het allerlaatst scheepstermen verwachten, en toch verklaart

Lucifer in het begin van het laatste bedrijf, Asmode toesprekende:

"Het gaet naer onzen wensch; wij zijn dien hoeck te boven",--zooals een

schipper, vergenoegd zich in de handen wrijvend, tot zijn stuurman zou

zeggen, als het gelukt was voorbij een lastig punt op te tornen. En

nog verrassender, als men er zich rekenschap van geeft, klinkt het

honderd regels verder Adam zelf aan Eva te hooren toevoegen: "Gij

smeet mij overstach";--alsof hij een pikbroek geweest ware, die zijn

betere helft het hartig verwijt toevoegde;--van den zondenval nog wel!

En toch, indien men Vondel gevraagd had, wat er voor gelegenheid in

het Paradijs voor die twee geweest mocht zijn, om schuitje te varen en

zulke "vaktermen" op te doen, hij zou met verwondering het antwoord

zijn schuldig gebleven. Want stellig gebruikte hij de uitdrukkingen

geheel onwilkeurig, zonder er zich iets maritiems bij te denken. En

nu er precies 250 jaar verstreken zijn, sedert "Adam in Ballingschap"

verscheen, staat het met de Nederlandsche Taal minstens nog net eender

en wij achten haar--Vondels taal en de onze--er des te kernachtiger om.

Zooals reeds werd gezegd, was de reis van Bontekoe de tocht van

den gewonen "Oostindie-vaerder", geen bijzondere zending, geen

ontdekkingsreis, of iets dergelijks. Wat aan Bontekoe overkwam, had

eigenlijk aan iederen schipper evengoed kunnen overkomen; alleen niet

iedere schipper zou er zich zóó doorheen hebben geslagen,--en zijn

wedervaren zóó hebben neergeschreven. Niet alleen immers door het

verbijsterende der lotgevallen, maar vooral ook door de wijze, waarop

ze verhaald worden, is deze op zich zelf gewone reis buitengewoon

geworden en beroemd.

Reisbeschrijvingen uit de 17de eeuw, als volksboeken uitgegeven,

meestal in het eigenaardige klein 4o formaat, dat in dezen herdruk

ongeveer wordt nagevolgd, zijn er tallooze over. De exemplaren

zijn meestal zeldzaam geworden, doch in verschillende onzer groote

bibliotheken kan men er vinden. Uiteraard zijn deze verhalen zeer

verschillend van waarde en van stijl. Er worden er aangetroffen, die

in den pedanten rederijkerstrant zijn opgesteld, tot het eenvoudigweg

in onhandige zeemans-bewoordingen neergeschreven dagboek toe. Gelukkig

is het eerste een uitzondering en het laatste meer regel!

Terecht wijst Prof. G. Kalff in zijn Geschied. der Nederl. Letterkunde

(Dl. V, blz. 11) op het "onmiddellijke, dat dezen reisverhalen eigen

is", en op den "kleinen afstand, die er blijkbaar ligt tusschen indruk

en uitdrukking;--niet zelden voelen wij er het leven nog trillen ...."

Inderdaad, zelden zijn deze verhalen dor; want zelfs al wist de

ongeoefende hand de pen niet dan stroef te hanteeren, dan toch werd

een voorval, dat voor den schrijver een bijzondere waarde had, in

pittige taal neergeschreven; net zoo als het uit het hart kwam. Geen

wonder dat later zijn lotgevallen onder de verschillende lagen van

het volk vlijtige en aandachtige lezers vonden.

Men moet niet vergeten, dat toenmaals de tochten naar die verre,

nauwelijks bekende gewesten en werelddeelen nog veel grooter

evenementen waren dan voor het tegenwoordig publiek de expedities van

Shackleton, Amundsen en Scott! Niet alleen de wonderverhalen over die

vreemde landen en volken trokken aan, maar men gevoelde ook zeer wel,

hoe met die langdurige en gevaarvolle reizen het algemeen belang en

de welvaart van het land gemoeid waren. Dat kan men van onze moderne

en gefilmde pool-expedities niet zeggen! Men leefde veel meer dan

nu van, maar ook voor de "negotie". Handel was voor den lande een

kwestie van bestaan en de oorlog werd door ieder begrepen als een

strijd om dat bestaan. Vandaar de groote en algemeene belangstelling

in deze dingen. Dat vechten daarginds, zoo goed als het vechten aan

de grenzen, had voor de bevolking heel wat meer te beteekenen dan

een Atjeh-oorlog of Lombok-expeditie: Het ging er om!

Bontekoe is allerminst stroef in zijn vorm. Hij bezit de natuurlijke

gave, de dingen die hij beleeft op een pakkende manier neer te

schrijven als hij op de maandenlange reis--die ook veel dagen van mooi

en kalm weer had--rustig in zijn kajuit zich neerzette om zijn journaal

uit te werken. Een kenmerk, dat ons vooral voor dezen verdienstelijken

auteur inneemt, is wel dit: dat hij zich zijn verdienste nergens

bewust blijkt. Hij schrijft maar voor het vaderland weg; doch schrijft

voortreffelijk!--D. w. z. zijn stijl is allerminst wat men van proza

sprekende "fraai" en "gevormd" pleegt te noemen, maar hij vertelt

goed. En dat is een eigenschap, die wij Nederlanders druk bezig zijn

te verliezen. Het is nog onlangs van bevoegde zijde uitgesproken:

"een algemeen als goed erkend Hollandsch boek boeit zelden meer".

Sommige der oude reisbeschrijvingen dragen het kenmerk door den

uitgever te zijn bij- en omgewerkt, men kan zeggen "persklaar" te

zijn gemaakt; doch met Bontekoe is dit niet het geval, hij had genoeg

aan eigen kracht. Zoo is zijn dagboek een der meest aantrekkelijke

voorbeelden geworden van het onopgesmukt, trouwhartig zeemans-verhaal,

in den trant dien wij boven beproefden te kenschetsen, en almee een

van de vroegste voorbeelden, als men bedenkt, dat de Nederlanders

eerst kort voor 1600 vasten voet in Indië gekregen hadden en dat de

Oost-Indische Compagnie pas in 1602 was opgericht. Wel opmerkelijk

is het, uit een journaal als dat van Bontekoe weer eens te zien,

hoe wij in 15 jaar ons gezag en onze relaties in de Oost reeds hadden

uitgebreid. En van een leien dakje was dat toch alles behalve gegaan!--

Zéér opmerkelijk is het bijv., dat Bontekoe na volbrenging van

zijn rampspoedige, vermaard geworden heenreis te Batavia aankwam,

toen die "stad" nog geen half jaar geleden door Jan Pietersz. Coen

op de puinhoopen van het veroverde Jacatra gesticht was. (Men zie

hierover nader den tekst.) De passage met de ontvangst bij den

Gouverneur-Generaal behoort tot de meest wetenswaardige gedeelten

van het journaal.

Willem IJsbrantsz. Bontekoe, die in het jaar onzes Heeren 1618, den

28sten December voor schipper met het schip genaamd "Nieu-Hoorn"

van Tessel uitvoer, op zijn eerste reis naar Oost-Indië (zooals

uit een plaats van 't journaal zelf blijkt),--was in 1587 te Hoorn

geboren. Zijn naam is een van die kenmerkende "van's" die naar het

uithangteeken of naar den gevelsteen van het huis, waar de familie

woonde, zijn gegeven. Verder weten wij van hem alleen, dat hij twee

broeders had Pieter en Jacob IJsbrantsz. Bontekoe, die beiden ook als

schipper in dienst van de O. I. C. stonden. In 1623 waren alle drie de

broers in Indië aanwezig en het schip van Pieter kwam onze Bontekoe

in de Chineesche wateren toevallig te ontmoeten. Het wederzien wordt

ons uiterst laconiek medegedeeld.

Het is niet onmogelijk, dat Bontekoe na zijn "avonturelijcke reyse"

nog meer tochten naar de Oost heeft gedaan, doch daarvan is ons niets

bekend geworden. In zijn tijd was hij geen vermaard man, vóórdat eerst

in 1646 zijn journaal door toedoen en op aandringen van den Hoornschen

uitgever Jan Jansz. Deutel het licht zag. Doch mèt dit verschijnen was

zijn populariteit dan ook op slag gevestigd, daar binnen verloop van

één jaar van zijn "Avonturelijcke Reyse" behalve de oorspronkelijke,

dubbele oplaag al drie nadrukken verschenen waren. Uit de opdracht,

die Deutel aan de eerste uitgave liet voorafgaan, valt op te maken dat

Bontekoe bij het verschijnen nog in leven was en te Hoorn, vermoedelijk

in ruste, woonde. Het jaar van zijn overlijden ligt in duister.

Al was Bontekoe aan den vasten wal geen gewichtig personage, aan boord

van zijn schip was hij de man: de man waarop het aankwam, de bestuurder

op de lange en moeilijke reis. Als gezagvoerder had hij niet alleen de

"navigatie" te regelen, maar ook de tucht te handhaven. En dat ging

in de 17de eeuw gemeenlijk streng toe!

Echter, juist als het op handhaven van orde en tucht aankwam, schoot

Bontekoe wel eens te kort en had hij het volk niet altijd geheel in

zijn hand. Dit kwam door zijn goedmoedige natuur, die hem er soms

toe bracht meer door overreding zich en zijn wil te doen gelden dan

door streng commando. Hij was aan boord meer geliefd dan geducht,

en dat heeft op zee nu eenmaal zijn bezwaren. Verschillende trekjes

uit het journaal bewijzen deze tekortkoming, die echter de schrijver,

naief als hij is, nergens tracht te verbergen. En toch was hij bij

zijn goedaardigheid iemand van beslisten durf, in gevaar niet alleen,

maar ook als hij zich niet ontziet kordaatweg te handelen zelfs

vlak tegen het gevoelen van den "koopman" in, die toch de eigenlijke

bestuurder was der onderneming en aan boord voor het welslagen der

"zaken" even verantwoordelijk als de schipper voor het behoud van

zijn bodem. Aan zijn goedmoedigheid en dapper zelfvertrouwen heeft

Bontekoe feitelijk dan ook zijn populariteit te danken en zijn

spreekwoordelijkheid. Een "reis van Bontekoe" is geen zaak die door

allerlei misère op een mislukking uitloopt, maar een die ondanks

alle zwarigheden en tegenspoed tot een goed einde wordt gebracht. En

Potgieter, toen hij de "Liedjes van Bontekoe" dichtte, gaf daarin

allesbehalve den gemoedstoestand weer van een sukkelaar en lafbek,

doch veeleer van een man van goedgemutste courage.

Het doel van deze uitgave is, als gezegd, een populair Nederlandsch

werk populair te doen blijven. Daarom heb ik mij nóch in

deze Inleiding, nóch in de Aanteekeningen op wat men noemt

"wetenschappelijk" terrein begeven en ook niet op het terrein

van de "Linschoten-Vereeniging", wier werken--voorbeeldig naar

inhoud en naar vorm!--ten behoeve van een meer beperkten kring

van lezers verschijnen. Het journaal van Bontekoe, hoezeer ook

belangrijk om verschillende berichten die er in voorkomen, en om zijn

nauwgezetheid in het algemeen, is historisch en geografisch niet van

zoo buitengewoon groote beteekenis, dat het voor een onderneming als

de "Linschoten-Vereeniging" (naar wij weten) voor herdruk vooreerst

in aanmerking komt.

Van geschiedkundig belang is in het Journaal van Bontekoe in de

eerste plaats de passage over den mislukten tocht van de Hollanders

om Macao op de Portugeezen te veroveren (in Juni 1622), en voorts

het relaas van de daarop volgende stelselmatige rooftochten op de

kusten van China, met beschrijving van de hardhandige en laat ons

maar zeggen vaak onmenschelijke middelen door de onzen aangewend,

om in die zeeën den toestand meester te blijven. Als er bij dit

alles een stelregel in toepassing werd gebracht, dan was het die van

Maarten van Rossum, want de absolute noodzaak van al dat branden en

plunderen kunnen wij thans kwalijk inzien. Maar wij weten ook van

elders, dat onze voorouders op zekere dingen nu eenmaal een ruwen

kijk hebben gehad. Te beter kunnen wij het daarom begrijpen, dat de

gekwelde Chineezen op wraak waren gezind en tot verraad hun toevlucht

namen, waarbij de commandeur Christiaan Fransz. met een schipper en

opper-koopman het leven lieten en voor ons een bodem verloren ging,

die, in brand geraakt, met alle man in de lucht vloog.

Door Bontekoe wordt over al wat er aan de monding der Chincheuw-

of Kanton-rivier in November van 1623 is voorgevallen uitvoerig

en met van zijn kant begrijpelijke verontwaardiging gesproken, en

wat hij over het door hem in de jaren 1622-'25 beleefde verhaalt,

is vooral van gewicht, omdat bij Tiele, in zijn vervolg op De Jonge's

"Opkomst van het Nederl. Gezag in O. I." (2de reeks: Buitenbezittingen)

over deze Chineesche expedities geen berichten of documenten worden

gevonden [2].--Ook tien jaar vroeger was reeds door Cornelis Matelief

de Jonge getracht Macao te vermeesteren en aan de rivier de Chincheuw

(waar tegenwoordig ook Hongkong ligt) vasten voet te krijgen. In

later tijd hadden wij in de stad Kanton zelf een "kantoor"; maar

Macao bleef Portugeesch tot op dezen dag.

Het laatste stuk van Bontekoe's Journaal ten slotte, handelend over

de thuisreis met het schip Hollandia, behoort niet tot de minst

onderhoudende gedeelten van het boek, dat tevens nog waarde bezit

wegens een aantal er in voorkomende "personalia". Zoo lezen wij over

den levensloop van Frederik Houtman verschillende bijzonderheden en

is van Willem Cornelisz. Schouten, stadgenoot en vriend van Bontekoe,

meermalen sprake. Wij worden aan het slot ingelicht, hoe deze laatste

in de Baai van Antongiel, op Madagascar, in het voorjaar van 1625

kwam te overlijden, en vernemen den dood van den commandeur Cornelis

Reijersz. (10 April van dat jaar), onder wien Bontekoe aan den tocht

naar China had deelgenomen.

Overeenkomstig het uiteengezette doel van deze uitgave, zijn de

voetnoten onder de bladzijden sober gesteld; niet geleerd of

taalkundig, maar enkel toelichtend. Nochtans mag hierbij niet

uit het oog worden verloren, dat journalen als dat van Bontekoe

ook in filologisch opzicht van de grootste beteekenis zijn: ten

eerste wegens hun woordkeus en verder wegens tal van grammaticale

eigenaardigheden. Uit dit soort volksboeken, evenals uit de

kluchtspelen, leert men de volkstaal der 17de eeuw, d. i. de echte,

levende taal het best kennen. Taalkundigen kunnen een tekst als deze

met veel vrucht tot terrein van onderzoek maken.

De spelling is naar den eersten druk getrouw gevolgd, waarbij van

het eenig mij bekende exemplaar in de Universiteits-Bibliotheek te

Leiden een recht dankbaar gebruik werd gemaakt. Deze oorspronkelijke

spelling toch is al te kenschetsend om haar op te geven en voor

den lezer is zij eerder aantrekkelijk dan bezwaarlijk. Hier zou de

verminking te minder gerechtvaardigd zijn geweest, daar niet zelden

juist de spelling aanwijzingen geeft, die voor de geschiedenis

onzer taal van belang zijn. Zoo bijv. waar de Westfries Bontekoe

(of liever zijn Westfriesche zetter) met het onderscheiden van "y"

en "ij" een verschil in uitspraak schijnt aan te willen duiden. Door

moderniseering zou de tekst kleurloos en onbruikbaar zijn gemaakt.

Hier en daar werd een drukfout verbeterd en de interpunctie moest,

terwille van de meerdere duidelijkheid, op vele plaatsen worden

gewijzigd. Behalve een nieuwe alinea af en toe, moest vooral de

punt-komma meermalen worden ingevoerd, om de al te lange zinnen, die

toch één volzin vormen, te breken. Er was geen reden de onbeholpen en

soms stellig verkeerd geplaatste leesteekens van het oude volksboek

over te nemen, zoomin als de door den zetter al even onregelmatig

gestrooide hoofdletters werden behouden; een en ander overeenkomstig

de regels welke voor het herdrukken van oude teksten als deze van

meest bevoegde zijde zijn vastgesteld. 't Kan toch kwalijk nut hebben

een journaal als dit z.g. diplomatisch te gaan afdrukken! Dan zou men

ook de vette en voor velen moeilijk leesbare gothische letter van het

origineel weer moeten gaan toepassen. Daar in dat "Duitsche" type,

zou dan meteen de kapitaal van de zelfstandige naamwoorden zich weer

in zijn element voelen; maar in onzen modernen druk is die alleen

leelijk en storend.

Het journaal van den tocht door commandeur Dirk Albertsz. Raven in

1639 naar Spitsbergen gedaan, welk journaal door Deutel en latere

uitgevers achter de Reis van Bontekoe geregeld werd afgedrukt,

is hier weggelaten. De inhoud daarvan is zeer zeker de aandacht

waard, doch staat met de lotgevallen van den Hoornschen schipper

in geenerlei verband. De kleinere stukjes, welke hij op de laatste

bladzijden van zijn oplagen deed afdrukken (t. w. samenvattingen van

andere reisverhalen) zijn evenmin opgenomen. Zij dienden, behalve als

bladvulling (juister: "vel-vulling"), enkel om de aandacht van het

publiek op vroeger verschenen uitgaven te vestigen en de leesgierigheid

te prikkelen. Als zoodanig zijn zij alleen als boekaankondigingen

te beschouwen. Het voornaamste en uitvoerigste dezer stukjes is het

"Kort Verhael uyt het journael van de personen die op Spitsbergen

in het overwinteren ghestorven zijn; anno 1634". Dit aangrijpend

journaal verdient niet in extract maar, te zamen met de twee andere

dergelijke verhalen van overwinteringen, in zijn geheel te worden

uitgegeven. Mogelijk in deze serie. Hieraan zou dan het journaal van

Raven zeer geschikt kunnen worden toegevoegd.

Ik eindig deze inleiding met mijn meest hartelijken dank uit te spreken

aan het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde

en in het bijzonder aan Prof. Dr. G. Kalff en Dr. G. J. Boekenoogen,

leden der Commissie voor Taal- en Letterkunde, voor alle ondervonden

steun en medewerking, waardoor mij het voorbereiden van deze uitgave

zooveel gemakkelijker werd gemaakt. Voor verschillende aanwijzingen

mij verstrekt blijf ik hun hoogst erkentelijk. De herdruk werd op

voorstel en op aanraden van Prof. Dr. J. W. Muller het eerst in

overweging genomen.

In deze nieuwe uitgave zijn, behalve het portret van Bontekoe, ook

alle de platen, zooals zij in het oorspronkelijke journaal voorkomen,

op werkelijke grootte afgedrukt; terwijl evenzoo het titelblad van het

Leidsche exemplaar, waarvan de tekst aan dezen herdruk ten grondslag

is gelegd, hiertegenover in een even getrouwe weergave is afgebeeld.

Een beknopt overzicht van de oude uitgaven, welke van Bontekoe's

"Avonturelijcke Reyse" bekend zijn, wordt achter in dit deeltje

gevonden.

G. J. H.

IOVRNAEL

OFTE

Gedenckwaerdige beschrijvinghe

vande Oost-Indische Reyse van

Willem Ysbrandz. Bontekoe van Hoorn.

Begrijpende veel wonderlijcke en gevaerlijcke saecken hem daer in

wedervaren.

Begonnen den 18. December 1618. en vol-eynt den 16. November 1625.

Te Hoorn. Ghedruckt by Isaac Willemsz.

Voor Ian Iansz. Deutel, Boeck-verkooper op 't Oost in Biestkens

Testament / Anno 1646.

TOE-EYGENINGE.

Achtbare, Erentfeste, Wijse, seer Voorsienige Heeren, de Heeren

BEWINT-HEBBERS van de OOST-INDISCHE Compagnie ter Camere van HOORN [3].

MYNE HEEREN.

Plato heeft (volghens 't ghetuygenisse Ciceronis in sijn Officiis,

Cap. 6.) heel suyverlijck geschreven, dat de mensch niet alleen voor

sich selfs gheboren is, maer dat het Vaderlandt, Ouders en Vrunden

yder een deel rechts tot hem heeft. Welcke spreucke soo klaer door

de Nature bekrachtight wordt, dat yder (soo hij maer gheen monster

of misdracht is) in sich selfs daer van de waerheydt kan bespeuren:

want wie voelt niet in sich een onwederstandelijcke drift en treck tot

sijn Vaderlandt, Ouders en Vrunden, 't welck hem op 't krachtighste

openbaert, als laster, smaet, hoon of lijden over deselfde wordt

uytgestort; soo dat onse geldt, onse goedt, jae, ons eyghen leven

ons soo lief niet en is als de eere en het welvaren van een der

selfder. 't Welck door veel exemplen tot allen tijden klaerlijck heeft

ghebleecken. Want wat sijnder al middelen aenghewent, om de eere des

Vaderlandts te bevorderen en te bewaren, en de geboortplaetse door een

soete gheheugenisse van dappere daden naemkundigh te maecken, tot het

welcke de beschrijvinghe der selver daden gheen kleyne behulpmiddel

is: overmidts alle loffelijcke en gedenckwaerdighe wercken, die door

yemandt worden uytgherecht, souden door de tijdt van geen geloof,

of t' eenemael uyt de gedachtenisse der menschen uytgewischt worden,

soo die door 't beschrijven niet en wierden bewaert en verbreydt. Om

gheen oude en langhvoorledene gheschiedenissen op te halen, wat souden

wy en onse nakomelinghen doch voor ontwijffelijcke waerheydt konnen

weten, hoe wonderlijck dat Godt dese Landen en Steden, jae besondere

inwoonders gheholpen en gereddet heeft uyt de verdruckende handen

haerder vyanden, indien hetselfde niet en was beschreven door de

vlijt van eenighe aenmerckende verstanden.--'t Is dan niet eene van

de minste waerteyckenen van danckbaerheydt en plichtsquijtingh aen

sijn gheboortplaetse, de wonderlijcke ende loffelijcke wercken en

bejegeningen, die sijne medeburgheren ghedaen of ontmoet zijn, door

't beschrijven sorghvuldigh de nakomelingen nae te laten. Ick dan (die

van jonghs af ben genegen gheweest om op te speuren, te lesen en te

verstaen de gheschiedenissen, die door onse Hoornsche inboorlinghen

waren uytgherecht, of die haer of de hare zijn wedervaren) hebbe

niet konnen naelaten (om oock niet te vervallen inde faute van

ondanckbaerheydt tegens mijn geboortplaets) eenige der selfder (de

memorie waerdigh zijnde) aen te teeckenen, om die de vergetelheydt

als ontroovende, by gelegentheydt in 't licht te geven.

Onder anderen is mij, die al eenighe jaren daer mede besich

ben gheweest, oock ter handt gekomen de beschrijvinge van dese

gedenckweerdighe Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe,

dewelcke by hem de vergetelheydt al scheen opgeoffert te wesen, maer

ick die doorlesende, bevondtse waerdigh te zijn, dat sy by ons en

onse naekomelingen in eeuwighe gedachtenisse behoorde te blijven. Ick

versocht daerom aen hem die te mogen laten drucken, tot het welcke

hy niet wel gesint was, eensdeels omdat het bynae als vergeten en

door de tijdt oudt gheworden waer, anderdeels omdat hy die niet

met sulcken stijl en hadde beschreven, bequaem, nae sijn meninghe,

om gedruckt te mogen worden. Eyndelijck, nae veel vriendelijcke

versoeckinghe en aenmaninghe van eenighe sijnder goede vrienden,

bewillighde hy het selfde. Welcke beschrijvinghe ick met eenighe

figuren verciert hebbende, datelijcken onder de parsse bracht. En

dewijle dat men in alle saecken een yder het sijne behoort te gheven,

kond' ik niet anders oordelen, als dat het billick was, dat ick uwe

E. E. dit selfde opdroegh en toe-eygende, door dien dat dese Reyse

meest onder uwe E. E. bewint en opsicht is gheschiedt, waer over

(indien daer uyt eenige geheugenisse tot eere van onse Vaderlijcke

Stadt op de nakomelinghen sal overblijven) voor vast te stellen

is, dat uwe E. E. daer van, naest Godt, een groot deel toebehoort,

zijnde maer als een thiende van 't gene op uwe E. E. acker ghewossen

is. Versoecke daerom eerbiedelijck uwe E. E. ghelieve dese mijne moeyte

en opdracht met een gunstigh oogh te ontmoeten, meer siende met den

coningh Artaxarxes (die van een huysman een dronck waters ontfingh)

op het herte als op de gave.

't Welck doende, sult my hooghelijck verplichten om altijdt te blijven

dien ick ben

Uwe E. E. Dienst-schuldigen

JAN JANZ. DEUTEL.

In Hoorn, den 16 Julij 1646.

VOOR-REDEN AEN DEN LESER.

Gunstighe Leser, wy sien door ervarentheydt, dat, gelijck alle

menschen eenderhande kost niet even wel smaeckt, oock alle boecken een

yder niet even aengenaem zijn: d' een heeft vermaeck in dese, en d'

ander in die stoffe te lesen; elck heeft sijn besondere neygingh. En

gelijck de onderscheyde oeffeningh onghelijcke boecken ter wereldt

brenght, soo vinden sy oock altijdt haer ghelijcksinnige lesers. Ghy

dan, die vermaeck schept in 't lesen van gedenckweerdige reysen en

wonderlijcke gheschiedenissen ('t welck onder alle wel een van de

soetste tijdt-kortinghen is) leest dese naevolgende beschrijvinghe

van W. Y. Bontekoe. 'k Vertrouwe, dat ghy uw tijdt niet qualijck sult

besteet achten. 't Is juyst stoffe nae uw' lust. Want hebt ghy u oyt

vermaeckt of verwondert in 't lesen van de reysen van Linschoten,

Heemskerck, Olivier, Spilbergen, Schouten en andere, dese geschiedenis

sal u geen minder vernoeghen geven, overmidts die in sich begrijpt

veel verwonderenswaerdige saecken [4]. 't En zijn geen beuselen noch

droomen Luciani of Pantagorae [5], noch geen fabuleuse verhalinghen van

monsters, vreemde maecksels van menschen, als een-voetige, een-oogighe

en sulcke die sonder hooft de oogen en mondt in de borst hadden,

en anders, waermede onse voor-ouderen (door eenige licht-geloovige

schrijvers) verleydt zijnde tot verwonderinge wierden gebracht

[6]. Noch dese beschrijvinghe is niet van hooren segghen (ghelijck

men seydt), neen, maer komt uyt selfs-ondervindinghe, verhalende wat

wonderen dat Godt aen den autheur self, als oock aen dieghene die by

hem waren, bewesen heeft. Want wie en sal sich niet op het hoochste

verwonderen, wanneer hy leest, hoe dat een mensch (daer het dickwils

soo haest mede ghedaen is) door soo veel ghevaer en teghenspoedt,

jae soodanighe waerin het hopen nae eenighe uytkomste scheen te

zijn als wanhopen, door des Heeren genade is ter behouder plaets

ghebracht. Doch alsoo ick vertrouwe den leser meer lust te hebben nae

het verhael self, als langher van my met reden opghehouden te worden,

wil daerom hiermede afbreecken, alleen dit noch segghende: Dat soo den

leser in de stijl of maniere van segghen yets vindt, dat soo niet en is

als de volmaecktheydt wel soude vereysschen, bidde daerin den autheur

te verschoonen, want sijn oogh-wit in 't beschrijven van dese sijne

reys is meer op waerheydt als op cierelijckheydt van segghen geweest.

Hier mede vaert wel.

SONNET.

Op de beschrijvinghe van de ghedenckweerdighe

OOST-INDISCHE REYSE

VAN DEN VERMAERDEN SCHIPPER

WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE.

Wanneer men somtijdts hoort verhalen wonder saecken,

Elck luystert met opmerck en 't klinckt ons vreemt in 't oor,

Doch twijffelingh verselt dickwils het goedt gehoor

Door dien des waerheydts glants gespaert werdt veel te vaecken;

Maer hier is d' eygen man, die selfs dit boeck gaet maecken,

En wat hem is gebeurt stelt hy hier klaerlijck voor,

Hoe Godt hem heeft bewaert, hoe hy sijn schip verloor,

Verbrande, vloogh omhoogh, door 't kruydt, met yslijck kraken.

Koopt, siet en leest dit boeck, wat p'rijckel, tegenspoed

Dees schipper op sijn reys soo dickwils is ontmoet,

Eer hy sijn Vaderlandt met lief mochte aenschouwen,

Hoe hy als Elias ghespijst is en gevoedt,

Hoe wonderbaer dat Godt op 't onvoorsienst behoedt,

Sijn goedigheydt bewijst al die op hem betrouwen,

Laet dit u spiegel zijn die d'Oceaen moet bouwen.

I. B. BERCKHOUT. [7]

De waerheydt boven.

KLINCK-DICHT.

Op de wonderlijcke Reyse van W. Y. B.

Nieusgierigh volck, dat stof soeckt tot verwonderingh,

Waer toe te rugh gesien wat in voorleden jaren

Wtheemschen is gebeurt of vreemts is wedervaren!

Ziet hier hoe Bontekoe beschrijft hoe zonderlingh

Dat Godt hem heeft bewaert en in zijn hoede nam,

Toen 't scheen of 't water haer [8] al t' zamen zoud' vernielen;

Hoe wonderlijck, toen 't schip met meer als hondert zielen

Door 't vuur aen stucken sprongh, hy 't ongeval ontquam.

Hoe dat hy, met de boot, geberght wordt; hoe sy swerven

Alleen op Godts gena en 's levens noodtdruft derven;

Hoe Godts almogentheydt de visschen uyt de zee

Doet springhen in de boot, en vogels in haer handen

Doet vliegen; hoe dat sy by moordenaren landen

En hoe, nae veel gevaer, hy komt op Hoorens-Reê.

A. P.

Op 't Journael van W. Y. BONTEKOE.

Hoe sonderlingh de Heer de menschen kan bewaren

In 't uyterste gevaer des levens over al,

Blijckt middagh-klaer aen 't geen dat Bontekoe weervaren

En andren is, soo u dit boeck vertoonen sal.

Komt hier die wonder-vreemd' histoorjen soeckt te lesen;

Leest dit Journael, 't magh wel geplaetst by d' andre wesen.

I. F. S.

Op de beschrijvinghe van W. Y. BONTEKOE.

Wat voordeel geeftet aen 't gemeen,

Dat yemandt heeft veel ramps geleen,

Dat hy door allerley ghevaer

Heeft langh gesuckelt hier en daer,

En wonderlijck door Godts bestier

Geredt uyt water, moordt en vyer,

De doodt ontworstelt voor een tydt,

En noch in rust sijn jaren slijt;

Soo niet de pen tot meerder nut,

Noch vande druck-konst onderstut,

Dit aen de Werelt bracht in 't licht;

't Welck yder met vermaecken sticht,

Waer uyt oock de nakomelingh

Mach weten sulck een wonder-dingh,

En leeren, dat des Heeren handt

Is krachtigh boven 't aerdtsch verstandt.

I. W. P.

VERHAEL

van de AVONTURELIJKE REYSE van

WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE

van HOORN.

In 't Jaer ons Heeren 1618, den 28. December, ben ick, Willem

Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel uytghevaren voor schipper,

met het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant met 206 eters, groot

ontrent 550 lasten, met een Oosten-Wint [9].

Den 29. dito sijn wy de Hoofden gepasseert.

Den 30. dito 's avondts Poortlandt ghesien, de wint noch al

Oostelijck. Den 31. dito Pleymuyen ghepasseert [10].

Den eersten Januarij 1619 passeerden wy Enghelandts-End, de wint noch

als vooren, stelden onse koers S.W. ten S. in zee.

Den 2. dito liep de wint S.O., stelden onse koers S.S.W. met stijve

koelte.

Den 3. dito liep de wint Zuyden met stijve koelte, liepen W.S.W. aen.

Den 4. dito liep de wint S.W. met een aennemende harde wint, soo dat wy

de marsseylen mosten innemen. 's Nachts begon het soo stijf te waeyen,

dat wy de fock innamen, en liepen al Westwaert over, met een seyl.

Den 5. dito, 's nachts, kregen wy drie worpen waters in, dat het

bovenste boeve-net bykans half vol waters was; waer door het volck

begon te roepen: "wy sincken, wy sincken, de boegh-poorten sijn op"

[11]. Ick dat hoorende liep metter haest nae vooren in 't galjoen,

ende bevondt dat de boegh-poorten noch toe waren; riep derhalven: "wy

hebben gheen noodt", en sey: "knap-handigh een man nae d'urck [12] en

besiet of er geen water in 't ruym is". 't Welck datelijck gheschiede,

doch bevonden geen water in 't ruym; stelden daerom datelijck ordre om

het water uyt te baliën met leeren emmers. Maer het volck haer kisten,

door 't rumoer van 't water, schobbelden en dreven heen en weder,

dat men qualijck schrab konde komen om te baliën. Waren derhalven

genootsaeckt de kisten met koevoeten in stucken te smijten [13];

kreghen als doen ruymte om te baliën en raeckten daardoor, met Godts

hulpe, het water quijt. Dreven doen sonder seylen, doch het schip

slingerden soo geweldigh, dat wy genootsaeckt waren het seyl weder

by te setten, om 't slingeren van 't schip wat te stutten. Leydent

al Westwaert over; het weer was heel onstuymigh, met reghen, dat het

scheen dat de lucht ende zee aan malcanderen vast en de gansche zee

brandende was [14].

Den 6. 7. en 8. dito wast noch al [15] quaedt weder, vermenght met

reghen; saghen dien dagh een groote menighte mieuwen, daer door ons

vermoeden was, dat wy by het Eylandt Brasil waren, soo der sulcken

Eylandt is; doch saghen het niet [16]. Halsden dien selfden dagh om en

leyden de steven Oost-waert over [17], de wint was ontrent W.S.W. al

met ongestuymigh weder, en alsoo de storm langh geduert hadde en noch

niet op en hiel, soo is eyndelijck door 't geweldigh slingeren van 't

schip en door 't recken van onse groote want (alhoewel wy het tot twee

plaetsen gheswicht hadden) onse groote mast gebroocken, ontrent vijf

vadem boven het boevenet [18]. Door deze breuck of krack vreesden wy,

dat wy de mast gheheel souden verlooren hebben; resolveerden daerom

onse groote stengh door te schieten [19] om, waert mogelijck, de mast

noch staende te houden, terwijl onse reys daer aen gheleghen was, want

indien de mast overboort geraeckt hadde, souden genootsaekt geweest

hebben wederom nae 't vaderlandt te loopen; doch kregen met groote

moeyten en ongelegentheyt de stengh door en lieten het onderste end

vande stengh door 't bovenste boevenet schieten, en woelden de stengh

alsoo tegen de mast aen, waer door hy (tot onser aller blijdtschap)

alsdoe vast stondt [20]. Dese storm duerde tot den 19. dito toe; leyden

't dan West-waert dan Suyd-waert over, nae dat de wint schevielde [21].

Den 20. dito worden het moy stil weder, en terwijle wy in stilte dreven

woelden wy onse mast wel vast, en taliden onse groote want stijf aan

[22], en haelden het groote marsseyl uyt de mars, met de marsse-ree,

en stelden dat inde plaets van ons groot seyl, en setten de bramstengh

op, in plaets van onse groote stengh, en voerden het bramzeyl daer

aen, soo dat wy doen alle dingh weder klaer maeckten om te seylen en

onse reys te vervorderen [23]. Stelden onse koers nae de Canarische

Eylanden, S.S.W. aen; hadden de wint ontrent S.O. met moy weer en

raeckten door de bequaemheydt van 't weer te met weder op onse stel.

Den 21. dito sagen wy, achter uyt, een zeyl, dat sijn best deed (soo

wy merckten) om by ons te komen; worpen het op de ly en wachten hem

in. By ons komende wast een Oostindisch vaerder, die den 29. December

1618 uyt Zeelandt was gheseylt, daeghs na dat wy uyt Tessel liepen. Sy

waren heel kant [24] en haperde niet; hadden door de storm gheen

schade gheleden. Het schip was genaemt Nieu-Zeelandt, des schippers

naem was Pieter Tijssz. van Amsterdam; hadden doen goed compagnij

aen malkander, wy seylden ten naesten by soo hard als hy, al schoon

't ons aen de zeylen haperde, als verhaelt. De koers was als vooren.

Den 23. dito saghen wy noch een zeyl aen stuerboort uyt; liepen daer

nae toe en vernamen dat het het schip Enchuysen was, dat met ons

was uytgeloopen, mede gedestineert om nae Oost-Indien te gaen. De

schipper was ghenaemt Jan Jansz. van Enchuysen. Waren als doe met

ons drie schepen in compagny; voeren malcanderen aen boort te gast,

en vertelden yder sijn wedervaren. Hielden de koers noch al nae

de Canarische Eylanden, die wy in 't gesicht kregen en passeerden;

hadden de wint S. O. met moy weer, voerden onse marsseyls in top,

sochten het eyland St. Anthoni aen te treffen om ververssinge te

bekomen [25], doch konden het niet in 't gesicht krijgen door de

groote mist en reghen; stelden derhalven om de seeckerheydt onse

koers nae het eylandt Ilje de May, of Ilje del Foege toe [26]. Daer

ontrent ghekomen sijnde wierd het stilletjes met variabele winden,

en mosten laveren eer wy daer aen quaemen; raeckten doe van onse twee

mackers af, alsoo sy aen Ilje de May en wy aen Ilje del Foege raeckten,

welcke eylanden niet verre van malkander leggen.

By het eylandt komende konden geen anckergrondt vinden; liepen dicht

onder 't landt inde calmte. Wy hadden ettelijcke kleyne masten en

spieren uyt Hollandt mede ghenomen; haelden die voor den dagh, voerden

die achter tot de poort uyt, en haeldense in 't schip. Een spier van

14 palm saeghden wy middendoor [27], maeckten daer twee wanghen af,

leyden die (neven noch twee andere wanghen) op onse mast, 't welck onse

mast zoo sterck maeckten als hy te vooren geweest hadde. Ondertusschen

sonden wy onse sloep nae landt om te visschen; dicht onder 't landt

komende quamen de Spanjaerts met geladen musschetten op strand en

schoten nae onse sloep toe, te kennen gevende dat sy ons volck niet

aan landt begheerden te hebben; quamen alsoo met de sloep wederom aen

boort, mede brengende weynigh vis, die sy noch gevanghen hadden. Waren

ondertusschen noch al besich met woelen en wangen van onse mast. De

mast klaer sijnde, setten onse stengh daer weder op, en kregen alle

dingh weder klaer en kant, daer over wy al te samen seer verblijdt

waren, want onse mast stond weder soo fray dat het een lust was. Hy

was bynae soo dick als een pijlaer van een kerck. Raeckten dien avondt

wederom uit de calmte van 't voorschreven eylandt, stelden onse koers

om de Linie Aequinoctiael te passeren.

't Gebeurde terwijl wy onder dit eylandt lagen, dat sulcken stof van

't landt quam, even gelijck oft as van vyer gheweest ware, en stoof

soo dicht aen 't want van 't schip, dat het want soo wit was of het

met witte as bestooven was. 's Anderen daeghs 's morgens, doen de

kock vroo-kost hadde geschaft [28], sagen wy twee seylen in ly achter

uyt, lieten onse marsseylen loopen [29] en hielden daer nae toe. Daer

bykomende warent onse twee mackers, te weten 't schip Nieuw-Zeelandt en

't schip Nieuw-Enchuysen, die by de eylanden Ilje de May en Ilje del

Foege by nacht van ons gheraeckt waren; waren seer verblijdt, voeren

malkander aen boort, vertelden malcander ons wedervaren. Sy verhaelden

ons, dat sy aen landt hadden gheweest op Ilje de May om te verversen,

doch hadden niet konnen bekomen en hadden twee man verlooren, die

van de Spanjaerts doodt gheslaghen waren, waer van den eene van Hoorn

was, ghenaemt Ysbrant Dirckz. Hadden een S. O. wint; hielden noch al

koers nae de Linie Aequinoctiael. Onder de Linie komende werdt het

stil, hadden somtijdts oock harde travaden [30] met regen en wint,

hadden de wint altemet uyt alle boeghen, soo dat wy drie weecken t'

soeck brachten eer wy de Linie Aequinoctiael konden passeeren. Het

was by nacht altemet of de gantsche zee vyer was, soo pruysten de zee,

en schenen voncken vyers te zijn, die voor van de boegh van 't schip

af stoten, en by daegh hiel het op; waren over dat (meer als gemeen)

vyeren des zees altesamen seer verwondert. Stelden onse koers om boven

de Abriolhos te seylen [31]; hadden een S. O. wint. By de Abriolhos

komende stilde de wint; vreesden derhalven wy daer niet boven souden

mogen [32], doch te met naderende, ruymde de wint handt over handt,

liepen evenwel daer soo dicht by langhs dat wy de uytterste eylanden

sagen; raeckten alsoo (met Godts hulpe) daer boven, waren daer over

altesamen seer verblijdt, want hadden wy 't moeten wenden, soude een

langhe reys gevallen hebben, met perijckel om veel sieck volck te

krijgen. Wy gaven het volck dien dagh dubbelt rantsoen van eten en

aen yder bacx-volck een flap-kanne Spaensche wyn [33]. Setten doe onse

koers nae de eylanden van Tristandeconde [34]. En nae dat wy ettelijcke

dagen geseylt hadden, kregen wy de hooghte van de selfde eylanden,

doch en sagense niet. Kregen een N.W. wint, liepen doe Oostelijck aen

om de Caep de Bonesperanse aen te doen. En nae dat wy een tijdt langh

die koers hadden gehouwen, sagen wy swart ghesprenckelde mieuwen,

vinghender altemet, met houtjes, die wy met een velletje van een

reusel overtogen, met hoecken daer aen, en haeldense in 't schip

tot tijdt-kortinge.

Het sien van deze voorschreven mieuwen is een teycken dat men de

Caep de Bonesperanse is naeckende, want sy volghden ons tot de Caep

toe. Maer dit is een onfeylbaer teycken om de Caep te sien, of om te

weten dat ghy daer ontrent zijt, te weten: Als ghy met de peylinghe

van 't compas bevindt, dat het compas recht Suyen en Noorden houdt

[35], siet dan uyt nae landt. Wy dit proevende sagen het landt, te

weten de Caep de Bonesperanse, doch waeyden soo stijf uytten Westen,

dat wy met een ghebolde fock liepen [36]; dorsten het landt niet

aendoen. Vergaderden derhalven de scheepsraedt en resolveerden, dat

wy de Caep verby souden seylen, door dien dat wy altemael noch gesont

volck hadden en geen water ghebreck; lietent daerom deur staen en

voort loopen. Dit was in 't laetste van de May, wesende vijf maenden

nae dat wy uyt Hollandt seylden.

Wy hielden onse koers ontrent by de wal langhs tot het landt van

Terre de Natal toe. Daer verby seylende wast heel moy weer, voeren

malcander aen boort en maekten goet chier. En alsoo het schip Enchuysen

ghedestineert was om nae de kust van Cormandel te gaen, begeerden

ons te verlaten en een ander koers te stellen, om binnen het Eyland

St. Lourentius oft anders ghenaemt Madagascar door te loopen, en

voort nae de Mayottes om aldaer te ververschen [37]; namen afscheydt,

malcander behouden reys wenschende. Wy en het schip Nieu-Zeelandt

stelden onse koers om buyten St. Lourentius om te loopen, en terwijl

wy met het schip Nieu-Zeelandt in compagnie seylden, quamen malcander

altemet aen boord en voerden nacht om nacht het vyer [38], doch kreghen

achter nae differentie om de koers te stellen, konden niet accordeeren,

ja, liep soo verd', dat wy van malcander af scheyden en liepen elck die

koers die hem best docht. Nieu-Zeelandt liep 2 streecken Suydelijcker

als wy; sy hadden op die tijdt al veel sieck volck.

Nae dat wy een langhe tijdt geseylt hadden sint wy van een scheyden,

hebbende de hooghte van 23 graden besuyen de Linie Aequinoctiael,

kreghen alle dagen veel siecken, uyt welcke oorsaeck de officiers

(uyt last van 't ghemeene volck) inde kejuyt quamen, versoeckende dat

wy nae het Eylandt Madagascar souden loopen om te ververschen: waren

bevreest dat al 't volck noch sieck soude worden, want daer lagender

ontrent 40 inde koy en veel andere van 't volck klaeghden van niet

wel te pas te zijn. Besloten daerom, met de gansche scheeps-raet,

dragent te houden [39] nae het Eylandt Madagascar toe, nae een

Bay genaemt Sancte Losie. By 't landt komende konden geen plaetse

bekennen om 't schip te berghen; setten onse boot uyt en ick ben met

de boot wel gemant na 't landt gevaren; het schip hielt af en aen by

't landt. Met de boot by 't landt komende storte de zee soo tegen 't

landt, datter geen kans was aen te komen, saghen ettelijcke persoonen

op strant komen, en een van onse maets sprongh overboort en quam by

't volck op 't landt, maer hy kond' haer niet verstaen; sy wesen met

de handen neerwaert aen, als of sy seggen wilden dat daer wel plaets

was om aen te komen. Sylieden en hadden geen vervarschinge by haer,

dat wy sien konden; mosten derhalven vruchteloos wederom nae boort

toe. Als wy nu sonder vervarschinghe aen boort quamen (hoewel het

ons altesamen heel moeyelijck was) soo waren de siecken daer in

boven maten bedroeft. Resolveerden weder zee te kiezen en liepen om

de Suyd' tot de hooghte van 29 graden, en wendent doe weder over en

liepen Oost ten Suyen aen, tot dat wy ons vonden op 17 graden suyder

breete van de Aequinoctiael. Doe versocht het volck wederom om het

landt aen te doen, om te sien of wy geen ververschingh konden becomen,

't welck wy goedt vonden, want wy saghen, datter alle dagen noch meer

in vielen van ons volck, en eenige storven. Resolveerden daerom het

Eylandt Mouritius of het Eylandt de Maskarinas aen te doen en stelden

de koers tusschen beyden in, want dese eylanden legghen niet verd

van malcander [40]. Quamen alsoo op 't Oost-eynde van 't Eylandt de

Maskarinas te land, liepen dicht by de hoeck om, by de wal langhs,

vonden 40 vadem diepte dicht aen 't landt; lietent ancker vallen,

doch was een onbequame plaets om 't schip te legghen, door dien het

soo dicht aen 't landt was. Daer leggende quamen de siecken uyt haer

koyen kruypen en wouden gaern aen landt wesen; maer alsoo de zee vry

wat aenliep [41], waren wy schroomachtigh met de siecken aen landt te

varen; stuerden de boot nae landt toe, om te sien hoe of daer ghestelt

was; quamen aen landt en vonden hoop-werck van landt-schiltpadden,

quamen wederom scheep en de siecken stonden al aen, datmen haer aen

landt soude brengen, want sy de lucht in de neus hadden, seggende:

"Waren wy aen landt wy waren half ghesondt". Maer de koopman, Heyn Rol,

wilde het in geenderleye manieren consenteren; gaf voor reden dat het

daer schor was [42], dat wy licht mochten van 't landt afdrijven en van

al ons volk versteecken worden. Doch het volck hielt al aen en baden

my bynae met gevouwen handen, of ick haer aen landt wilde brengen,

soo dat sy my eyndelijck vermurruwden dat ick het consenteerde. Gingh

by de koopman Heyn Rol en vraeghde of hy het wilde toestaen. Gaf voor

antwoordt: "neen, in geender manieren". Doe seyde ick teghen hem:

"soo neem ick het dan over my, ick salse aen landt brenghen". Liep

boven by 't volck en seyde: "kom, t'sa mannen, helpt malcander inde

boot, ick sal u aen landt brengen". Doen holpen de maets de siecken

inde boot; ick liet haer een seyl geven om een tent af te maken,

oock oly en asijn, potten om in te koocken, nevens andere eetbare

waren; oock kox, die de siecken souden waernemen en bekoocken [43],

en voer datelijck met haer nae landt.

Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe · 第 1 / 11 段