't Is een steile klim en 't valt den verkenner en mij bijzonder
moeilijk; wij zijn dan ook al van 3 Juni af, aan één stuk door,
op meer of minder zware patrouilles.
Op den Wilhelminatop is de sneeuw duidelijk te zien; groote vreugde
onder de Dajaks, voor het meerendeel jonge kerels! Het zien van de
sneeuw is voor hen een heele gebeurtenis.
Op 3500 Meter hoogte wordt bivak gemaakt; er is gelukkig een weinig
water in de buurt.
Ons bivak staat aan den voet van een uit groote rotsblokken bestaanden
steilen top.
21 November, 's Morgens voor dag en dauw klim ik met den verkenner
naar boven; na ruim een uur steil klimmen bereiken wij het hoogste
punt, 3810 M. hoog.
Wij hebben hier rondom prachtig uitzicht; zien Carstensztoppen en den
Wilhelminatop met de geheele Centrale keten, die er tusschen ligt. Het
hooggebergte, dat ik op mijn vorigen tocht in September bepaald had,
is van hier weder duidelijk te herkennen, zoodat volkomen aansluiting
wordt verkregen.
Een peiling op den Wilhelminatop geeft mij een zeer groote afwijking;
een astronomische peiling wordt daarom genomen en de magn. variatie
er uit bepaald; dit geeft nu ongeveer 13° verschil met de normale
variatie. Zeer waarschijnlijk is dit hier een plaatselijke afwijking.
Den geheelen dag blijf ik met den verkenner boven en pas tegen donker
dalen wij weder naar ons bivak af.
22 November. 's Nachts zwaar onweder en hevige regen; onze lekke tenten
laten ons in den steek en de nattigheid gepaard aan de koude belet
ons te slapen. In onze dekens gewikkeld, zitten wij maar te wachten,
tot de dag weer aanbreekt.
Dadelijk weer naar boven; wij treffen een schitterend uitzicht; in
het Noorden zie ik de meervlakte met de rivieren en zelfs duidelijk de
randgebergten, die de meervlakte aan de Noordzijde begrenzen, zooals:
Van Reesgebergte, Gauthier-, Foja-, Karamoor- en Cycloopgebergte. In
het Zuiden en Westen bevindt zich een diep ravijn, waarin een
bergrivier naar de meervlakte stroomt.
De hellingen van dit ravijn zijn als bezaaid met huizen en
ladangs. Overal zien wij rook uit de huizen komen, zoodat er een
vrij groote bergbevolking moet zitten. Typisch is weer hetzelfde
verschijnsel, dat zich ook bij de Boven-Rouffaerrivier voordeed: in
de meervlakte bevolking; diep in de bergen eveneens; op de uitloopers
der bergen naar de vlakte geen spoor van verkeer. Op onzen tocht in
het hooggebergte bezuiden de Geelvinckbaai (West-Weilandgebergte)
in 1913 daarentegen vonden wij aldaar jachtpaden, strikken, enz. en
bleek er ook werkelijk wèl aansluiting plaats te hebben.
Vandaag kom ik gereed met de bergpeilingen, zoodat wij morgen kunnen
afmarcheeren. Echter wil ik van observatiepunt B nog enkele bergen
nemen.