II.

Het was 24 December, en dien avond had het quartier Latin steeds

een bijzondere physiognomie. Van vier uur af waren de bureaux

van de Bank van Leening, de winkels van uitdragers en antiquairs

in boeken overstelpt door een luidruchtige menigte, die later in

den avond een stormaanval begon op de slagerijen, gaarkeukens en

kruidenierswinkels. En hadden de winkelknechts ook al evenals Briareus

[50] honderd armen gehad, dan zouden zij toch niet in staat geweest

zijn de klanten, die elkaar de waren als het ware uit de handen

rukten, te helpen. Bij de bakkers werd, als in tijden van hongersnood,

queue gemaakt. De wijnhandelaars verkochten de opbrengst van drie

oogsten, en zelfs een handig statisticus zou moeite gehad hebben om

het getal hammen en worsten te tellen, die door den beroemden Borel

uit de rue Dauphine verkocht werden. Alleen op dien avond zette

vader Cretaine, bijgenaamd Petit-Pain, achttien uitgaven van zijn

boterkoekjes om. Gedurende den geheelen avond klonk uit alle huizen

gezang en gelach, waren de vensters hel verlicht en vulde een ware

kermis-atmospheer het stadskwartier.

Naar oud gebruik werd het "réveillon" gevierd.

Dien avond gingen tegen tien uur Marcel en Rodolphe in een vrij droeve

stemming naar huis. Toen zij door de rue Dauphine kwamen, zagen zij

in een fijne vleeschwaren- en comestibleshandel een groot gedrang

en bleven, door die geurige gastronomische producten aangelokt, een

oogenblik voor de ramen staan kijken; in hun aandachtige beschouwing

geleken de twee bohémiens op den persoon uit een Spaanschen roman,

die alleen door ernaar te kijken, de hammen mager deed worden.

"Dat noemen ze een kalkoenschen haan met truffels," zeide Marcel en

wees op een prachtigen vogel, die door zijn rose en doorzichtige

huid de Perigourdsche knolletjes liet zien, waarmede het dier

gefarceerd was. "Ik heb menschen gezien, die zòò goddeloos waren,

om die dingen te eten zonder dat ze daarbij op hun knieën vielen,"

voegde de schilder eraan toe, terwijl hij naar den kalkoen keek met

blikken, die in staat geweest zouden zijn het dier te braden.

"En wat zeg je van die heerlijke lamsbout?" vroeg Rodolphe. "Wat een

prachtkleur. Je zoudt denken, dat hij zoo pas uit dien slagerswinkel,

dien je op een schilderij van Jordaens ziet, weggehaald is. Lamsbouten

zijn de lievelingsspijzen der goden en van madame Chandelier, mijn

peettante."

"En kijk die visschen eens," ging Marcel voort en wees op eenige

forellen, "dat zijn de handigste zwemmers onder de waterbewoners. Die

kleine diertjes, die er op het eerste gezicht zoo onbeduidend uitzien,

zouden schatten kunnen verdienen, wanneer zij hun kunststukken lieten

zien; stel je voor, ze zwemmen een snellen bergstroom even makkelijk

op, als wij een paar uitnoodigingen voor een souper aannemen."

"En daar dan, die groote stapel goudkleurige vruchten, waarvan

het gebladerte gelijkt op een tropee van Turksche sabels; dat zijn

ananassen, de goudreinetten der tropen."

"Dat laat mij koud," antwoordde Marcel; "als het om fruit gaat, geef ik

den voorkeur aan dat muisje rookvleesch, dien lamsbout of dat hammetje

met zijn pantser van gelei, die zoo doorzichtig is als barnsteen."

"Je hebt gelijk!" zeide Rodolphe; "de ham is de vriend van den mensch,

als hij ze heeft. En toch zou ik die fazant niet afslaan."

"Dat geloof ik graag," antwoordde Marcel; "fazant is het gerecht van

gekroonde hoofden."

Verder voortwandelend, kwamen zij verschillende vroolijke troepjes

tegen, die naar huis terugkeerden, om Momus, Bacchus, Comus en andere

lekkerbekkerij-godheden op us te vieren, en zij vroegen elkaar af,

wie die mijnheer Camacho [51] was, wiens bruiloft met een grooten

voorraad levensmiddelen gevierd werd.

Marcel herinnerde zich plotseling welke datum het was.

"Het is vandaag réveillon," zeide hij.

"Herinner je je nog, hoe wij verleden jaar dien avond gesmuld hebben?"

"Waarachtig zeker, bij Momus. Barbemuche heeft toen betaald. Ik had

nooit kunnen denken, dat een zoo tenger meisje als Phémie zooveel

worstjes naar binnen kon werken."

"Hoe jammer, dat Momus onze vrijkaarten heeft ingetrokken," zeide

Rodolphe.

"Helaas!" antwoordde Marcel. "De dagen volgen, maar gelijken niet

op elkaar."

"Zou jij niet graag réveillon vieren?" vroeg Rodolphe.

"Met wien en waarmee?"

"Nou met mij!"

"En het geld?"

"Wacht even!" zeide Rodolphe; "ik zal even dat café hier binnenloopen,

waar altijd een paar kennissen van me zijn, die grof spelen. Ik zal

van een door het geluk begunstigde eenige sestertiën leenen en wel

zooveel meebrengen, dat we een sardientje of een varkenspootje met

een glas wijn kunnen bevochtigen."

"Doe dat!" zeide Marcel; "ik heb honger als een paard. Ik zal wel

even op je wachten."

Rodolphe ging het café, waarvan hij de meeste stamgasten kende,

binnen. Het was voor een der aanwezigen, die in tien keer drie honderd

francs gewonnen had, een waar genoegen den dichter veertig sous te

leenen, welke hij hem gaf met het slechte humeur, dat de speelkoorts

in ons opwekt. Op een ander oogenblik en op een andere plaats zou

hij hem misschien veertig francs geleend hebben.

"En?" vroeg Marcel, toen hij Rodolphe weer buiten zag komen.

"Hier heb je de recette," zeide de dichter en liet het geldstuk zien.

"Een korstje met een klein worstje!" meende Marcel.

Toch wisten zij het met die bescheiden som nog zòò ver te brengen,

dat zij brood, wijn, vleesch, tabak, vuur en licht hadden.

Dan gingen zij naar huis. Zij woonden toen in een hôtel garni,

waar zij ieder een afzonderlijke kamer hadden. Daar die van Marcel,

welke tegelijk als atelier dienst deed, grooter was, werd deze tot

feestzaal uitverkoren. De beide vrienden maakten samen hun intiemen

maaltijd gereed.

Doch aan het kleine tafeltje, dat zij naast den kachel geschoven

hadden, waarin het vochtige en slechte hout zonder vlammen of warmte

verkoolde, kwam als een melancholieke geest de schim van het verleden

aanzitten.

Minstens een uur lang bleven zij zwijgend en peinzend zoo zitten,

beiden bezig met dezelfde gedachte en beiden trachtend die voor elkaar

te verbergen. Eindelijk verbrak Marcel het eerst de stilte.

"Kom," zeide hij tot Rodolphe; "dit was toch ons plan niet!"

"Wat bedoel je?" vroeg Rodolphe.

"Lieve hemel, speel toch met mij geen kiekeboetje! Jij denkt aan wat je

moest vergeten .... en met mij is het precies zoo, dat ontken ik niet!"

"Nu dan ...."

"Maar het moet de laatste maal zijn! Naar den duivel met al

die herinneringen, die den wijn een zuren smaak geven en ons

triest stemmen, terwijl iedereen zich amuseert!" riep Marcel uit,

zinspelende op het vroolijke gelach en gezang, dat uit de kamers

ernaast klonk. "Kom laten we aan wat anders denken en laat het verleden

begraven blijven!"

"Dat zeggen we altijd, en toch ...." zeide Rodolphe en viel weer in

zijn droomen terug.

"En toch komen wij er altijd weer op terug," vulde Marcel aan. "Dat

komt, omdat we, in plaats van eerlijk de vergetelheid te zoeken,

de meest onbeteekenende dingen als voorwendsel gebruiken, om oude

herinneringen weer in ons wakker te roepen; dat komt vooral, omdat wij

maar blijven voortleven in datzelfde milieu, waarin die schepsels,

welke ons zoolang gekweld hebben, geleefd hebben. Wij zijn niet

zoozeer de slaven van een hartstocht als wel van een gewoonte. Die

boeien nu moeten wij verbreken, anders gaan wij in een belachelijke

en schandelijke slavernij ten gronde. Welnu, het verleden is het

verleden--weg met de banden, die ons daar nog aan binden; het uur is

gekomen om voorwaarts te gaan zonder achterwaarts te zien; wij hebben

onze jeugd, onzen tijd van onbezorgdheid en paradoxen gehad. Dit

alles is heel mooi, je zoudt er een aardigen roman van kunnen maken;

maar deze comedie van verliefde dwaasheden, deze tijdverspilling,

die wij bedrijven met de verkwisting van menschen, die denken, dat zij

de eeuwigheid uit kunnen geven, dat alles moet nu eindelijk eens een

einde nemen! Wij zouden de verachting, die ons zou treffen, verdienen,

wij zouden ons zelf moeten verachten, indien wij dit leven buiten

de maatschappij, ja bijna buiten het leven zelf, nog langer zouden

voortzetten. Want is het bestaan, dat wij leiden, eigenlijk wel een

leven? En zijn die onafhankelijkheid, die vrijheid van zeden, waarop

wij zoo prat gaan, eigenlijk geen heel middelmatige voordeelen? De

ware vrijheid is: zonder hulp van anderen, uit eigen kracht kunnen

leven. En kunnen wij dat? Neen. De eerste de beste domkop, wiens

naam we geen vijf minuten zouden willen dragen, wreekt zich over onze

spotternijen en wordt onze meester van af den dag, waarop wij honderd

sous van hem leenen, die hij ons geeft, na ons voor honderd daalders

aan listen en zelfvernedering te hebben laten uitgeven. Ik voor mij

heb er genoeg van. De poëzie bestaat niet alleen in een ongeordend

bestaan, in onverwachte meevallertjes, in verliefdheden, die den

levensduur van een kaars hebben, in min of meer excentriek verzet

tegen bestaande vooroordeelen, die eeuwig de wereld zullen blijven

beheerschen, want het is makkelijker een dynastie omver te werpen

dan een vooroordeel, hoe belachelijk het ook zijn mag. Het is nog

geen bewijs van talent of genie, om midden in December een zomerjas

te dragen; en je kan heel goed een echt dichter of kunstenaar zijn,

wanneer je voor warme voeten zorgt en driemaal per dag eet. Hoe je de

zaak ook draait of keert, indien je iets wilt bereiken, moet je den

weg nemen, dien ook anderen inslaan. Deze woorden zullen je misschien

wel verbazen, beste kerel, misschien zal je zeggen, dat ik mijn

idealen verraad, je noemt me misschien verdorven, maar toch is wat

ik zeg de uitdrukking van mijn vaste overtuiging. Buiten mijn weten

heeft zich in mij een langzame en heilzame metamorphose voltrokken:

het gezonde verstand is in mijn geest binnengekomen, met inbraak,

wanneer je wilt, en ondanks mijzelf misschien; maar hoe dit zij,

het is eindelijk binnengekomen en heeft mij bewezen, dat ik op den

verkeerden weg was en dat het even belachelijk als gevaarlijk zou

zijn daarop te blijven voortgaan. Ik vraag je af, wat zal er van

ons worden, indien wij dit eentonige en nuttelooze vagabonden-leven

blijven voortzetten? Wij loopen zoo langzamerhand naar de dertig en

zijn nog steeds onbekend, hebben geen relaties, zijn ontevreden met

alles en met ons zelf, afgunstig op allen, die wij een doel, wat het

dan ook zij, zien bereiken, verplicht onze toevlucht te nemen tot een

schandelijk parasiteeren, om verder te kunnen leven. En denk nu niet,

dat dit een phantasiebeeld is, dat ik oproep, om je bang te maken! Ik

zie volstrekt de toekomst niet systematisch zwart in, maar evenmin

rooskleurig; ik zie ze met een juisten blik. Tot nog toe was het

leven, dat wij geleid hebben, ons door de omstandigheden opgedrongen;

wij hadden het excuus der noodwendigheid. Maar thans zouden we die

verontschuldiging niet meer kunnen doen gelden; en wanneer wij niet in

het gewone leven terugkeeren, dan is dat heelemaal onze vrije wil, want

de hindernissen, waartegen we te vechten hadden, bestaan niet meer."

"Maar kerel," zeide Rodolphe; "waar wil je eigenlijk heen? Om welke

reden en met welk doel sta je zoo te preeken?"

"Je begrijpt me heel goed," antwoordde Marcel op denzelfden ernstigen

toon; "ik heb daarnet gezien, hoe jij, evenals ik trouwens, bestormd

werdt door herinneringen, die je het verleden deden terugverlangen:

jij dacht aan Mimi, zooals ik aan Musette; jij zoudt, evenals ik,

je vriendinnetje graag naast je zien zitten. Welnu, ik zeg je, dat

we niet meer aan die schepsels moeten denken, dat wij niet alleen

geschapen en op de wereld gekomen zijn, om ons geheele bestaan op

te offeren aan die vulgaire Manons, en dat die chevalier Desgrieux,

die zoo mooi, zoo waar en zoo poëtisch is, alleen door zijn jeugd

en door de illusies, die hij had weten te bewaren, niet belachelijk

geworden is. Toen hij twintig jaar was, kon hij, zonder op te houden

interessant te zijn, zijn geliefde naar de Antillen volgen; maar indien

hij vijf-en twintig geweest was, zou hij Manon de deur gewezen hebben,

en dat met het volste recht. Wij kunnen er onze oogen wel voor sluiten,

beste kerel, maar het feit blijft bestaan: wij zijn oud, wij hebben te

veel en te snel geleefd; ons hart is gesprongen en brengt nog slechts

valsche tonen voort: je blijft niet drie jaar lang ongestraft verliefd

op een Musette of een Mimi. Doch voor mij is het nu voor goed uit;

en daar ik volkomen wil breken met de herinneringen aan Musette, zal

ik nu onmiddellijk enkele kleinigheden, die zij bij mij achtergelaten

heeft en die me dwingen aan haar te denken, als ik ze weer zie,

in het vuur werpen."

Marcel stond op en ging uit de lade van zijn commode een kartonnen

doos halen, waarin de souvenirs aan Musette lagen, te weten een

verdorde bouquet, een ceintuur, een stuk lint en enkele brieven.

"Kom, Rodolphe, volg mijn voorbeeld!" zeide hij tot den dichter.

"Welnu, het zij zoo!" riep Rodolphe, als kostte het hem moeite, uit;

"je hebt gelijk. Ook ik wil een einde maken aan die herinnering aan

dat meisje met haar blanke handen."

En hij vloog de kamer uit, om een klein pakje met de souvenirs aan

Mimi te halen, zoo ongeveer van denzelfden aard als die, waarvan

Marcel nu zwijgend den inventaris opmaakte.

"Dat treft prachtig," mompelde de schilder. "Deze snuisterijen kunnen

gelijk het vuur, dat bijna uit is, nog wat aanwakkeren."

"Waarachtig," antwoordde Rodolphe, "het is hier in de kamer een

temperatuur voor een ijsberenfokkerij."

"Kom," zeide Marcel, "laten we het brandduet aanheffen. Kijk, het

proza van Musette vlamt als een punchbowl; het arme kind hield zoo

van punch. Allo, Rodolphe, jouw beurt!"

En gedurende enkele minuten wierpen zij beurtelings de reliquieën

van hun liefde stuk voor stuk in het vuur, dat vroolijk knetterend

opvlamde.

"Arme Musette," zeide Marcel zacht, terwijl hij naar het laatste

souvenir, dat hij in zijn handen had, keek.

Het was een klein verwelkt bouquetje van veldbloemen.

"Arme Musette, ze was toch wel mooi en ze hield wel van me, niet waar,

klein bouquetje, heeft haar hart het je niet gezegd, toen je bloemen

in haar corsage prijkten? Arm, klein bouquetje, het is net alsof je

om genade smeekt; nu ik schenk je die, maar onder voorwaarde, dat je

niet meer met mij over haar praat, nooit, nooit meer!"

En hij maakte gebruik van een oogenblik, waarop hij meende, dat

Rodolphe niet op hem lette, om het bouquetje in zijn borstzak te

laten glijden.

"Het spijt mij, maar ik kan niet anders," dacht de schilder.

Toen hij echter tersluiks naar Rodolphe keek, zag hij, hoe de dichter

aan het slot van zijn auto-da-fé een nachtmutsje, dat Mimi gedragen

had, eerbiedig kuste en dan heimelijk in zijn zak stak.

"Zoo," mompelde Marcel, "die is al even laf als ik."

Toen Rodolphe naar zijn eigen kamer wilde gaan, werd er tweemaal

zacht op de deur van Marcel geklopt.

"Wie voor den duivel kan nog zoo laat hier willen zijn?" zeide de

schilder.

Een kreet van verbazing ontsnapte hem, toen hij de deur geopend had.

Het was Mimi.

Daar het donker in de kamer was, herkende Rodolphe zijn vriendinnetje

niet dadelijk. Hij kon slechts een vrouwelijk wezen onderscheiden,

en daar hij dacht, dat het een van die tijdelijke veroveringen van

zijn vriend was, wilde hij zich uit discretie verwijderen.

"Stoor ik jullie?" vroeg Mimi, die op den drempel was blijven staan.

Bij het hooren van die stem viel Rodolphe, als door den bliksem

getroffen, op zijn stoel neer.

"Goeden avond," zeide Mimi, die naar hem toe ging en hem de hand

drukte, wat hij werktuigelijk toeliet.

"Wat voor den duivel kom jij hier doen?" vroeg Marcel; "en nog wel

op dit uur?"

"Ik heb het zoo koud," antwoordde Mimi rillend; "en daar ik in het

voorbijgaan nog licht hier zag, ben ik, al is het wat laat, naar

boven gekomen."

Zij rilde nog steeds. Haar stem had een bijzonderen, kristalhelderen

klank, die als een doodsklok in het hart van Rodolphe echode en het

met een doffen angst vervulde: heimelijk nam hij haar nauwkeuriger

op. Het was Mimi niet meer, het was haar schim.

Marcel schoof een stoel naast den kachel voor haar.

Mimi glimlachte, toen zij de heldere vlam vroolijk in de haard

zag dansen.

"Dat doet je goed," zeide zij, terwijl zij haar arme, door de koude

blauwe handjes boven het vuur hield. "Tusschen twee haakjes, Marcel,

weet je, waarom ik hier kom?"

"Op mijn woord van eer niet!" antwoordde deze.

"Nou," zeide Mimi; "ik kwam vragen of jullie niet zoudt kunnen zorgen,

dat ik een kamer in dit huis krijg. In mijn hôtel garni hebben ze mij

de deur gewezen, omdat ik in een maand geen huur betaald heb. Ik weet

niet, waar ik heen moet."

"Duivels," zeide Marcel hoofdschuddend; "wij staan bij den huisbaas

ook niet erg in den pas, en een aanbeveling van ons zou je eer schaden

dan nuttig zijn."

"Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet werkelijk niet, waar ik

heen moet."

"Wat, ben je dan geen vicomtesse meer?" vroeg Marcel.

"O God, neen!"

"Al hoe lang niet meer?"

"Al sedert twee maanden!"

"Heb je den jongen vicomte te veel geplaagd?"

"Neen," zeide zij, terwijl zij een steelschen blik wierp op Rodolphe,

die in den donkersten hoek van de kamer was gaan zitten; "de vicomte

heeft me een scène gemaakt naar aanleiding van het gedicht, dat men

op mij gemaakt heeft. Wij hebben woorden gekregen, en toen heb ik

hem den bons gegeven! Het is een echte gierigaard!"

"Maar hij had je toch aardig in de kleeren gestoken, ten minste te

oordeelen naar den keer, dat ik je eens gezien heb."

"Dat wel!" zeide Mimi, "maar stel je voor, dat hij, toen ik den

liaison afgebroken had, mij alles weer afgenomen heeft, en dat hij,

zooals ik later gehoord heb, mijn kleeren verloot heeft aan een slechte

table d'hôte, waar ik dikwijls met hem gegeten heb. En toch is het een

rijke jongen, maar met al zijn fortuin is hij zoo gierig als een vrek

en zoo stom als het achtereind van een koe; ik mocht niet eens wijn

zonder water drinken en Vrijdag moest ik altijd vasten. Wil je wel

gelooven, dat hij me zwarte wollen kousen wilde laten dragen, omdat

die niet zoo gauw vuil worden als witte? Je kunt je niet voorstellen

hoe driftig hij is. Hij heeft me dan ook aardig geërgerd. Ik kan wel

zeggen, dat ik bij hem mijn vagevuurtijd doorgemaakt heb!"

"En weet hij in welken toestand je nu bent?"

"Ik heb hem niet meer teruggezien en wil hem ook niet

terugzien!" antwoordde Mimi. "Alleen door aan hem te denken word ik

al zeeziek! Ik zou liever van honger sterven dan hem om een stuiver

vragen."

"Maar," vroeg Marcel verder, "je bent, nadat je hem verlaten hebt,

toch zeker niet alleen gebleven?"

"Zeker wel, Marcel, zeker wel!" riep Mimi eenigszins heftig uit;

"ik heb gewerkt om te kunnen leven; maar daar ik met het bloemenmaken

niet genoeg verdienen kon, heb ik een ander beroep gekozen: ik poseer

nu voor schilders. Als je soms werk voor mij hebt...." voegde zij er

lachend aan toe.

En toen zij zag, hoe Rodolphe, dien zij, hoewel zij tot zijn vriend

sprak, geen oogenblik uit het oog verloor, een ongeduldige beweging

maakte, ging zij verder:

"O, maar ik poseer alleen maar voor mijn hoofd en mijn handen. Ik

heb nog al wat te doen en van twee of drie schilders moet ik nog

geld hebben. Binnen een paar dagen krijg ik het, maar tot zoolang

moet ik onderdak hebben. Zoodra ik weer geld heb, ga ik naar mijn

hôtel terug. Zoo," zeide zij met een blik op de tafel, waarop nog de

praeparatieven stonden voor het bescheiden maal, dat de twee vrienden

nauwlijks hadden aangeraakt; "zoo, gaan jullie soupeeren?"

"Neen," zeide Marcel; "wij hebben geen honger."

"Dan zijn jullie wel gelukkig," merkte Mimi naïef op.

Bij die woorden voelde Rodolphe een steek in zijn hart; hij gaf Marcel

een wenk, dien deze dadelijk begreep.

"Maar nu je eenmaal hier bent," zeide de schilder, "moest je maar à

la fortune du pot bij ons blijven eten. Wij waren van plan réveillon

te vieren, maar ..... toen zijn we waarachtig aan iets anders gaan

denken."

"Ik val met mijn neus in de boter," zeide Mimi, terwijl zij een bijna

hongerigen blik op de tafel wierp; "ik heb vanmiddag in het geheel niet

gegeten," fluisterde zij den schilder in, opdat Rodolphe, die op zijn

zakdoek beet, om niet in tranen uit te barsten, het niet zou hooren.

"Schuif wat bij, Rodolphe!" zeide Marcel tot zijn vriend; "we zullen

met ons drieën soupeeren!"

"Neen!" zeide dichter, die in zijn hoek bleef zitten.

"Ben je boos, Rodolphe, dat ik hier gekomen ben," vroeg Mimi zacht;

"heb je liever, dat ik weer weg ga?"

"Neen, neen!" antwoordde Rodolphe; "maar het doet mij pijn, dat ik

je zoo terugzie."

"Dat is mijn eigen schuld, Rodolphe--ik klaag dan ook niet; wat voorbij

is, is voorbij, denk er maar niet verder aan. Kan je mijn vriend niet

zijn, omdat je vroeger wat anders geweest ben? Ja toch! Zet dus niet

zoo'n verdrietig gezicht meer en kom bij ons zitten!"

Zij stond op, om naar hem toe te gaan; maar zij was zoo zwak, dat

zij geen stap doen kon en op haar stoel terugviel.

"De warmte heeft me bevangen," zeide zij; "ik kan niet meer op mijn

beenen staan."

"Kom nou bij ons zitten, Rodolphe," zeide Marcel.

De dichter kwam bij hen zitten en begon met hen te eten. Mimi was

erg uitgelaten.

Toen het eenvoudige maal afgeloopen was, zeide Marcel tot Mimi:

"Beste kind, het is ons niet mogelijk je hier in dit huis een kamer

te geven."

"Dus moet ik gaan!" zeide zij, terwijl zij trachtte op te staan.

"Wel neen!" riep Marcel uit; "er is nog wel een andere manier, om de

zaak te regelen; jij blijft hier in deze kamer en ik ga zoolang bij

Rodolphe logeeren."

"Dat is wel lastig voor jullie!" zeide Mimi; "maar het zal niet langer

dan een paar dagen duren."

"Het is volstrekt niet lastig voor ons," antwoordde Marcel; "dus zoo

blijft het afgesproken: jij blijft hier en Rodolphe en ik slapen op

de kamer van Rodolphe. Bonsoir, Mimi, slaap lekker!"

"Ik dank jullie wel!" zeide zij, terwijl zij Marcel en Rodolphe,

die weggingen, de hand gaf.

"Wil ik de deur afsluiten?" vroeg Marcel, toen hij bij de deur was.

"Waarom?" zeide Mimi met een blik op Rodolphe; "ik ben niet bang."

Toen de twee vrienden in de kamer ernaast waren, vroeg Marcel

plotseling aan Rodolphe:

"En wat ben jij nu van plan te doen?"

"Ik weet het zelf niet!" stamelde Rodolphe.

"Kom, sta niet zoo te treuzelen, ga naar Mimi! Ik voorspel je, dat,

wanneer je naar haar toegaat, jullie morgen weer verzoend zullen zijn!"

"Wat zou jij gedaan hebben, als Musette teruggekomen was?" vroeg

Rodolphe.

"Als Musette in de kamer hiernaast was," antwoordde Marcel, "dan zou

ik al een kwartier geleden niet meer in deze zijn."

"Nou," zeide Rodolphe; "ik zal moediger zijn dan jij, ik blijf hier!"

"Dat zullen we nog eens zien!" zeide Marcel, die reeds in bed lag;

"ga jij ook naar bed?"

"Zeker!" antwoordde Rodolphe.

Doch toen Marcel midden in den nacht wakker werd, zag hij, dat Rodolphe

weg was.

's Ochtends klopte Marcel zachtjes op de deur van de kamer, waarin

Mimi sliep.

"Binnen," riep zij. Toen zij hem zag, gaf zij hem een wenk zachtjes

te praten, om Rodolphe, die nog sliep, niet wakker te maken. Hij zat

in een fauteuil, dien hij bij het bed geschoven had, en rustte met

zijn hoofd op het kussen naast Mimi.

"Hebben jullie zoo den nacht doorgebracht?" vroeg Marcel verwonderd.

"Ja," antwoordde het jonge meisje.

Plotseling werd Rodolphe wakker. Na Mimi een kus gegeven te hebben,

stak hij den schilder, die hoe langer hoe verbaasder scheen, de

hand toe.

"Ik zal zien, dat ik wat geld krijg, om eten te koopen," zeide hij

tot Marcel; "houd jij Mimi zoo lang gezelschap."

"En," vroeg Marcel aan het jonge meisje, toen zij alleen waren,

"wat is er vannacht gebeurd?"

"Ach God, niets dan treurige dingen," zeide Mimi; "Rodolphe houdt

nog altijd van me."

"Dat weet ik!"

"Ja, jij hebt hem van mij willen aftrekken," zeide zij; "maar dat

neem ik je niet kwalijk, Marcel, je hadt gelijk; ik heb dien armen

jongen leelijk behandeld!"

"En jij," vroeg Marcel, "houdt jij nog altijd van hem?"

"Of ik van hem houd!" zeide zij handenwringend. "En dat is juist zoo'n

pijniging voor me. Ik ben wel veranderd, beste jongen, en daarvoor

is niet veel tijd noodig geweest."

"Nou, als hij van jou houdt en jij van hem en jullie niet buiten

elkaar kunt, moeten jullie maar weer samen gaan leven en dan probeeren,

dat het ditmaal voor goed is."

"Dat is onmogelijk," zeide Mimi.

"Waarom?" vroeg Marcel; "zeker, het zou verstandiger zijn, indien

jullie voor goed van elkaar gingen; maar om elkaar niet meer te zien,

zouden jullie wel duizend mijl van elkaar moeten zijn!"

"Wat bedoel je daarmee?"

"Spreek er niet met Rodolphe over, dat zou hem te veel aanpakken--maar

ik ga gauw voor goed weg."

"Maar waarheen?"

"Kijk eens, Marcel," zeide Mimi snikkend.

En de dekens wat terugslaande, liet zij den schilder haar schouders,

haar hals en haar armen zien.

"Goede God!" riep Marcel verschrikt uit. "Arme meid!"

"Zie je wel, beste jongen, dat ik mij niet vergis en dat ik spoedig

sterven zal?"

"Maar hoe is dat in zoo'n korten tijd kunnen gebeuren?" vroeg Marcel.

"Ach!" antwoordde Mimi; "bij het leven, dat ik sedert twee maanden

leid, is dat niet te verwonderen: al die slapelooze, doorweende

nachten, dat poseeren in onverwarmde ateliers, het slechte voedsel,

het vele verdriet.... En dan weet je nog niet alles: ik heb me

met eau de Javel willen vergiftigen; ze hebben me gered, maar niet

voor lang, zooals je ziet. Bovendien ben ik nooit heelemaal gezond

geweest. Enfin, het is mijn eigen schuld: als ik kalm bij Rodolphe

gebleven was, zou het zoover niet gekomen zijn. En nu kom ik dien

armen jongen weer lastig vallen, maar het zal niet voor lang zijn:

het laatste kleedingstuk, dat hij me geven zal, zal heelemaal wit

zijn, Marcel, en daarin zal ik begraven worden. O, als je eens wist,

hoe vreeselijk ik het vind, dat ik sterven moet! Rodolphe weet, dat ik

ziek ben; gisteren heeft hij langer dan een uur sprakeloos naast mijn

bed gezeten, toen hij mijn magere armen en schouders heeft gezien:

hij herkende zijn Mimi niet meer ..... ach, mijn spiegel herkent

me zelfs niet meer. Maar enfin, ik ben knap geweest en hij heeft

veel van me gehouden. O lieve God," riep zij uit, terwijl zij haar

gezicht in Marcel's handen verborg, "ik ga je verlaten, beste jongen,

en Rodolphe ook. O, lieve God!"

Tranen verstikten haar stem.

"Kom, Mimi," zeide Marcel, "doe niet zoo wanhopig, je zult weer beter

worden; je hebt alleen een goede verpleging en rust noodig."

"Ach, neen!" antwoordde Mimi; "het loopt af met mij, ik voel het heel

goed. Ik ben zoo vreeselijk zwak: toen ik gisterenavond hier kwam,

heb ik meer dan een uur noodig gehad om boven te komen. En als ik hier

een andere vrouw had aangetroffen, zou ik me uit het raam geworpen

hebben. En toch was hij vrij, nu wij niet meer samen waren; maar

zie je, Marcel, ik was er zeker van, dat hij nog van me hield. En

daarom"--en weer barstte Mimi in tranen uit--"daarom alleen heb ik

niet dadelijk willen sterven. Maar toch is het gedaan met mij. Och,

Marcel, wat is hij toch een goede jongen, dat hij mij na alles wat ik

hem aangedaan heb, toch nog bij zich genomen heeft. Ach, de lieve God

is niet rechtvaardig, dat hij mij den tijd zelfs niet laat om weer

goed te maken wat ik tegenover Rodolphe misdaan heb. En hij begrijpt

heel goed hoe het met mij gesteld is. Ik wou niet, dat hij naast mij

kwam liggen, want het is net alsof ik de wormen al aan mijn lichaam

voel vreten. Wij hebben den geheelen nacht door samen geweend en over

vroeger gesproken. O, wat is het toch droevig, dat je het geluk dan

eerst ziet, wanneer het niet meer bereikbaar is en nadat het aan je

voorbijgegaan is, zonder het te zien!.... O, het brandt me in mijn

borst als vuur; en wanneer ik mijn ledematen beweeg, is het net,

alsof zij zullen breken ..... Och, Marcel, geef me mijn japon even

aan. Ik wil de kaart leggen, om te zien of Rodolphe geld meebrengen

zal. Ik zou nog zoo graag eens lekker met jullie willen dejeuneeren,

net als vroeger--het zal me geen kwaad doen, want God kan me toch niet

zieker maken dan ik al ben. Kijk," zeide zij, terwijl ze Marcel de

kaart liet zien, die zij gecoupeerd had; "dat is schoppen, de kleur

van den dood. En hier klaveren," voegde zij er vroolijk aan toe. "We

krijgen geld."

Marcel wist niet wat hij moest zeggen bij die helderziende ijlkoortsen

van dit ongelukkige schepseltje, dat, zooals zij zeide, de wormen

reeds aan zich voelde vreten.

Na een uur kwam Rodolphe terug. Hij bracht Schaunard en Colline

mede. De musicus had zijn zomerjas aan: hij had, zoodra hij gehoord

had, dat Mimi ziek was zijn winterjas verkocht, om Rodolphe geld te

kunnen leenen. Colline van zijn kant had verschillende boeken van

de hand gedaan. Weliswaar had hij liever een arm of been verzilverd,

maar Schaunard had hem aan zijn verstand gebracht, dat men met zijn

arm of been niets beginnen kan, waarom hij maar besloten had van zijn

lievelingen afstand te doen.

Mimi spande al haar krachten in om haar oude vrienden met een vroolijk

gezicht te ontvangen.

"Ik ben niet ondeugend meer," zeide zij tot hen, "en Rodolphe heeft

mij vergiffenis geschonken. Als hij mij bij zich wij houden, zal ik

klompen aantrekken en een halsdoek omdoen. Zijde is niet goed voor mijn

gezondheid," voegde zij er met een hartverscheurend glimlachje aan toe.

Op aandringen van Marcel had Rodolphe een van zijn vrienden, die

pas dokter geworden was, laten halen. Het was dezelfde, die vroeger

de kleine Francine behandeld had. Toen hij kwam, liet men hem met

Mimi alleen.

Rodolphe was door Marcel reeds te voren op de hoogte gebracht van

den gevaarlijken toestand, waarin Mimi verkeerde. Toen de dokter Mimi

onderzocht had, zeide hij tot Rodolphe:

"Je kunt haar hier niet houden. Slechts een wonder kan haar redden. Zij

moet naar het ziekenhuis. Ik zal je een brief voor de Pitié geven;

een van mijn kennissen is daar assistent; ik zal hem vragen haar

te behandelen. Als zij de lente haalt, kunnen we haar misschien nog

heelemaal beter maken; maar als zij hier blijft, is het binnen acht

dagen afgeloopen."

"Ik zal het haar nooit durven voorstellen," zeide Rodolphe.

"Ik heb het haar al gezegd," antwoordde de dokter, "en zij vindt het

goed. Morgen zal ik je een formulier voor de Pitié zenden."

"Beste jongen," zeide Mimi tot Rodolphe, "de dokter heeft gelijk. Je

zoudt me hier niet kunnen verplegen, zooals het behoort; je moet

mij naar het ziekenhuis laten gaan. O, ik zou nu zòò graag blijven

leven, dat ik de rest van mijn leven mijn linkerhand in het vuur

zou houden, als ik de jouwe in mijn rechter mocht hebben. Je komt me

toch zeker dikwijls opzoeken. Kom wees niet zoo bedroefd: ik zal daar

goed verpleegd worden, heeft de dokter gezegd. Je krijgt kalfssoep

in het ziekenhuis, en het is er warm. En terwijl ik daar aan het

opknappen ben, moet jij werken, om geld te verdienen; en wanneer ik

weer beter ben, kom ik weer bij je terug en blijf ik altijd bij je. Ik

heb nu heel veel hoop. Ik kom even knap als vroeger terug. Vroeger,

toen ik je nog niet kende, ben ik ook eens ziek geweest, en toen

ben ik ook beter geworden. En in dien tijd was ik niet gelukkig,

en het zou beter geweest zijn, als ik toen maar gestorven was. Nu

ik jou teruggevonden heb en wij nog gelukkig kunnen zijn, zullen

ze me ook wel beter maken, want ik zal me krachtig tegen de ziekte

verzetten. Ik zal alle leelijke drankjes, die ze me geven, slikken,

en de dood zal me alleen maar met geweld van je kunnen nemen. Geef den

spiegel eens, het is net, of ik al weer een kleur krijg. Ja," zeide

zij, terwijl zij in den spiegel keek, "mijn mooie tint komt alweer

terug. En kijk, mijn handen zijn nog altijd mooi; geef er nog eens

een zoen op; het zal heusch de laatste keer niet zijn, jongenlief!"

Toen zij dit gezegd had, sloeg zij haar armen om zijn hals en bedekte

zijn gezicht onder haar loshangende haren.

Voor zij naar het ziekenhuis ging, wilde zij nog een avond met al de

vroegere vrienden samen zijn.

"Laat me lachen," zeide zij; "vroolijkheid is voor een mensch het

beste geneesmiddel. Die slaapmuts van een vicomte heeft mij ziek

gemaakt. Hij wou me orthographie leeren, stel je voor; wat moest ik

daarmede beginnen? En zijn vrienden--lieve God, wat een kerels! Je

reinste hoenderhof, waarin de vicomte de pauw was. Hij merkte, God

betert, zijn eigen linnengoed. Als hij ooit trouwt, krijgt hij vast

de kinderen."

Niets kon aangrijpender zijn dan deze opgewekte stemming, die, om zoo

te zeggen, den dood van het lichaam overleefde. Slechts met inspanning

van al hun geestkracht slaagden de bohémiens erin hun tranen terug

te houden en het gesprek in den schertsenden toon te houden, waarin

het gebracht was door dat arme kind, voor wie het noodlot zoo vlug

het linnen voor haar laatste kleed weefde.

Den volgenden ochtend kreeg Rodolphe het formulier voor het

ziekenhuis. Mimi kon onmogelijk meer loopen: ze moest in het rijtuig

worden gedragen. Tijdens het rijden leed zij vreeselijk onder de

schokken. Maar het laatste, dat bij vrouwen sterft, de ijdelheid,

overwon ook nu nog die pijnen: twee of driemaal liet zij het rijtuig

voor mode-magazijnen stil staan, om naar de étalages te kijken.

Toen zij in de op het formulier aangegeven zaal kwam, voelde Mimi

haar hart samenkrimpen; een inwendige stem zeide haar, dat zij haar

leven tusschen deze kale, droefgeestige muren zou eindigen. Al haar

wilskracht moest zij te hulp roepen, om den somberen indruk, die haar

had doen rillen, voor Rodolphe te verbergen.

Toen zij te bed lag, omhelsde zij hem voor de laatste maal en drukte

hem op het hart haar den volgenden Zondag te komen opzoeken.

"Het ruikt hier zoo akelig," zeide zij; "breng bloemen voor me mee,

viooltjes, die zijn er nog!"

"Ja," zeide Rodolphe; "adieu, tot Zondag!"

En hij trok de gordijnen dicht. Toen Mimi hoorde hoe de stappen van

haar geliefde zich steeds verder verwijderden, kreeg zij plotseling

een koortsaanval. Zij sloeg wild de gordijnen open, boog zich half

uit haar bed en riep met een door tranen verstikte stem:

"Rodolphe, neem me weer mee; ik wil weg!"

De zuster kwam naar haar toe en trachtte haar te kalmeeren.

"O," steunde Mimi; "ik zal hier sterven!"

's Zondagsochtends, den dag dat hij Mimi zou gaan opzoeken,

herinnerde Rodolphe zich, dat hij haar beloofd had viooltjes mee

te zullen brengen. Door een poëtisch bijgeloof gedreven, ging hij,

niettegenstaande het vreeselijke weer, te voet naar de bosschen van

Aulnay en Fontenay, waar hij zoo dikwijls met haar geweest was, om daar

zelf de bloemen te zoeken, waarom zij hem gevraagd had. Twee uur lang

dwaalde hij door het met sneeuw bedekte kreupelhout en lichtte met

een klein stokje de struiken en het heidekruid op, tot hij eindelijk

een paar viooltjes vond vlak bij het struikgewas langs den vijver

van Le Plessis, hun lievelingsplekje, waar ze altijd heengingen,

als ze buiten waren.

Toen hij op den terugweg naar Parijs door het dorp Châtillon kwam, zag

hij op het kerkplein een doopstoet en daarbij een van zijn vrienden,

die met een zangeres van de Opéra peet was.

"Wat voer jij hier uit?" vroeg hij, verwonderd Rodolphe daar te zien.

De dichter vertelde wat er gebeurd was.

De jonge man, die Mimi gekend had, werd door het verhaal zeer

aangegrepen. Hij haalde een doos bonbons uit zijn zak en gaf die

aan Rodolphe.

"Die arme Mimi, geef haar dit uit mijn naam en zeg, dat ik eens naar

haar kom kijken!"

"Als je dat wil, moet je je haasten, anders zou je te laat kunnen

komen," zeide Rodolphe en ging verder.

Toen hij in het hospitaal kwam, vloog Mimi, die zich niet meer bewegen

kon, hem met een blik om de hals.

"Ha, daar zijn mijn bloemen!" riep zij, terwijl een glimlach van

geluk om haar lippen speelde.

Rodolphe vertelde haar zijn pelgrimstocht naar het struikgewas langs

den vijver, dat het paradijs van hun liefde geweest was.

"Lieve bloemen!" zeide het arme kind, terwijl zij de viooltjes kuste.

Ook de bonbons vielen in haar smaak.

"Ze hebben me dus nog niet heelemaal vergeten!" zeide zij. "Wat zijn

jullie toch allemaal goed. Ik mag al je vrienden graag, Rodolphe!"

Het samenzijn was bijna vroolijk te noemen. Ook Schaunard en Colline

waren gekomen. De zuster moest hen tot weggaan aansporen, daar de

bezoektijd reeds lang voorbij was.

"Vaarwel!" zeide Mimi; "tot Donderdag dus! En zorg op tijd te zijn!"

Toen Rodolphe den volgenden avond thuis kwam, vond hij een brief van

een jongen assistent uit het ziekenhuis, aan wien hij Mimi bijzonder

aanbevolen had. De brief bevatte slechts deze woorden:

"Amice, ik moet je een treurige tijding geven: No. 8 is dood. Toen

ik vanochtend door de zaal kwam, vond ik het bed leeg."

Rodolphe viel op een stoel neer, maar geen tranen kwamen hem

verlichting brengen. Toen Marcel later op den avond bij hem kwam,

vond hij zijn vriend nog in dezelfde wezenlooze houding; met een

handgebaar wees Rodolphe hem op den brief.

"Arme meid!" zeide Marcel.

"Het is vreemd," merkte Rodolphe op; "ik voel niets. Zou mijn liefde

reeds gestorven zijn, toen ik hoorde, dat Mimi sterven moest?"

"Wie zal het zeggen?" mompelde de schilder.

Mimi's dood veroorzaakte in den kring der bohémiens een groote

ontroering.

Acht dagen later ontmoette Rodolphe op straat den assistent, die hem

den dood van zijn vriendinnetje gemeld had.

"Beste Rodolphe," zeide hij, "je neemt het me toch niet al te kwalijk,

dat ik je door mijn voorbarigheid verdriet gedaan heb?"

"Wat bedoel je?" vroeg Rodolphe verwonderd.

"Wat? .... Weet je het niet? Heb je haar dan niet meer gezien?"

"Wie?" schreeuwde Rodolphe.

"Maar Mimi natuurlijk!"

"Wat?" stamelde de dichter, die doodsbleek werd.

"Ik had me vergist. Toen ik je die vreeselijke tijding schreef,

was ik het slachtoffer van een dwaling. Kijk eens, ik was in twee

dagen niet in het ziekenhuis geweest. Toen ik den derden dag weer

terugkwam, vond ik het bed van je vrouw leeg. Op mijn vraag aan de

zuster waar de zieke was, kreeg ik ten antwoord, dat zij 's nachts

gestorven was. De zaak zit zoo in elkaar. Tijdens mijn afwezigheid

was Mimi naar een andere zaal gebracht. In bed No. 8 hadden ze een

andere vrouw gelegd, die nog denzelfden dag gestorven is. Dat is de

oorzaak van mijn vergissing. Den dag, nadat ik je geschreven had,

vond ik Mimi in een zaal ernaast. Jouw wegblijven had haar vreeselijk

veel verdriet gedaan; zij gaf me een brief voor je, dien ik dadelijk

naar je kamer gebracht heb."

"Lieve God!" riep Rodolphe uit; "vanaf het oogenblik dat ik dacht,

dat Mimi dood was, ben ik niet meer op mijn kamer geweest. Ik heb

hier en daar bij mijn vrienden geslapen. Mimi leeft. God, wat moet

zij wel van mijn wegblijven denken! Arme, arme meid! En hoe is het

met haar? Wanneer heb je haar voor het laatst gezien?"

"Eergisterenochtend. Zij was niet erger en niet beter, maar zij is

erg ongerust over jou, ze denkt, dat je ziek bent!"

"Ga dadelijk met me naar de Pitié," zeide Rodolphe; "ik moet ze zien."

"Wacht hier een oogenblik," zeide de assistent, toen zij bij den

ingang van het ziekenhuis waren, "ik zal den directeur vragen, of je

haar zien mag."

Rodolphe wachtte een kwartier in de vestibule. Toen kwam de assistent

terug, greep de hand van den dichter en zeide:

"Je moet maar denken, beste kerel, dat de brief, dien ik je acht

dagen geleden geschreven heb, waarheid gesproken heeft."

"Wat?" zeide Rodolphe, terwijl hij wankelde en steun zocht tegen een

pilaar; "Mimi....."

"Vanochtend om vier uur."

"Breng mij naar de snijkamer, dan kan ik ze nog eenmaal zien,"

vroeg Rodolphe.

"Daar is ze niet meer," zeide de dokter. En terwijl hij den dichter op

een grooten wagen wees, die op de binnenplaats stond voor een gebouw,

waarboven het woord: Snijkamer te lezen was, voegde hij eraan toe:

"Daarin is zij."

Het was inderdaad de lijkwagen, waarin de niet opgevraagde lijken

naar de gemeenschappelijke graven gebracht worden.

"Adieu," zeide Rodolphe tot den assistent.

"Wil ik soms met je meegaan?" vroeg deze.

"Neen, dank je," zeide Rodolphe, terwijl hij zich langzaam

verwijderde. "Ik wil alleen zijn!"

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 72 / 77 题