I.

In de eerste dagen na zijn definitieven breuk met mademoiselle Mimi,

die hem, zooals onze lezers zich herinneren zullen, verlaten had,

om plaats te nemen in de equipage van vicomte Paul, had Rodolphe

getracht zijn smart te vergeten door een nieuwe liefdesbetrekking

aan te knoopen.

Zijn nieuwe vriendinnetje was de blondine, voor wie wij hem op

den dag van paradoxale dwaasheid het kostuum van Romeo hebben zien

aantrekken. Doch deze liaison, die hij uit dépit en zij uit een gril

begonnen waren, kon onmogelijk van langen duur zijn, daar Julia, in

één woord gezegd, een ongestadige deerne was, die alle vrouwenstreken

van a tot z kende, geestrijk genoeg was, om den geest van anderen

op te merken en daarvan, als de gelegenheid zich voordeed, gebruik

te maken, en slechts zooveel hart had, dat zij hartwater kreeg, als

zij te veel gegeten had. Daarbij kwam nog een ongebreidelde zelfzucht

en een grenzenlooze ijdelheid, die haar minder deden treuren om een

gebroken been van haar minnaar dan om een volant minder aan haar japon

of een verkleurd lint om haar hoed. Een betwistbare schoonheid, een

ordinair schepsel, van nature begiftigd met alle slechte instincten,

was zij toch door sommige eigenschappen en op sommige oogenblikken

verleidelijk. Al heel gauw bemerkte zij, dat Rodolphe haar alleen

genomen had, om hem met haar hulp de verlorene te doen vergeten,

aan wie hij integendeel met meer verlangen dan ooit begon terug te

denken, want nooit was de herinnering aan zijn vroeger vriendinnetje

zoo levendig geweest.

Op een goeden dag praatte Julia met een student in de medicijnen, die

haar sedert eenigen tijd het hof maakte. Het gesprek kwam op Rodolphe.

"Maar lieve kind," zeide de student, "die jongen gebruikt je,

zooals wij helschen steen gebruiken om wonden te branden; hij wil

zijn hart cauteriseeren. Je behoeft je voor hem niet druk te maken,

en hem trouw zijn is absoluut niet noodig."

"Maar," riep het jonge meisje lachend uit; "dacht je dan heusch,

dat ik mij voor hem geneer?"

En denzelfden avond nog gaf zij den student het bewijs van het

tegendeel.

Dank zij de babbelzucht van een van die gedienstige vrienden, die

voor geen geld ter wereld een tijding, welke je bedroefd maken kan,

onder zich zouden houden, kreeg Rodolphe lucht van de zaak en maakte

er onmiddellijk gebruik van, om den ad-interim liaison af te breken.

Hij zonderde zich nu af in een volkomen eenzaamheid, waarin al heel

gauw alle vleermuizen der verveling hun nest kwamen maken. Dan riep

hij het werk te hulp, maar het was vergeefsche moeite. lederen avond

schreef hij, nadat hij evenveel droppels water gezweet als droppels

inkt gebruikt had, een twintigtal regels, waarin een oud denkbeeld,

nog meer levensmoe dan de Wandelende Jood, en gehuld in lompen,

die hij gehaald had in een uitdragerswinkel, op het slappe koord der

paradoxen danste. Bij het overlezen van die regels voelde Rodolphe

zich als iemand, die in het bloembed, waar hij rozen gezaaid meent te

hebben, brandnetels ziet groeien. Hij verscheurde dan het blad papier,

waarop hij die rozenkrans van zotheden had afgebeden, en vertrapte

het woedend onder zijn voet.

"Waarachtig," zeide hij, terwijl hij zich op zijn linkerborst sloeg,

"de snaar is gesprongen; ik moet van de kunst afzien."

En daar eenigen tijd achtereen op al zijn pogingen, om te werken, een

zelfde teleurstelling volgde, maakte een van die moedeloosheden zich

van hem meester, welke het krachtigste zelfvertrouwen doen wankelen

en de helderste geesten afstompen. Inderdaad niets is vreeselijker

dan die eenzame worstelingen, welke nu en dan plaats vinden tusschen

den koppig volhoudenden kunstenaar en de weerspannige kunst; niets

is aangrijpender dan die nu eens smeekende, dan weer gebiedende

aanroepingen van den scheppen willenden dichter tot de minachtend op

hem neerziende of hem ontvluchtende Muze.

De hevigste zielsangsten, de diepste aan het hart toegebrachte

wonden veroorzaken geen lijden, dat te vergelijken is met dat,

hetwelk men ondergaat in die uren van wanhoop en twijfel, welke maar

al te dikwijls voorkomen bij hen, die zich wijden aan het gevaarlijke

kunstenaarsberoep.

Op die heftige crisissen volgden pijnlijke afmattingen. Uren lang bleef

Rodolphe dan in een doffe wezenloosheid als versteend zitten. Zijn

ellebogen rustend op de tafel, zijn oogen strak gericht op den

lichtplek, dien het lamplicht op het blad papier beschreef, op het

"slagveld", waarop zijn geest dagelijks overwonnen werd en zijn pen

zich vergeefs inspande om het ongrijpbare denkbeeld te vervolgen,

zag hij, gelijk aan figuren uit een tooverlantaren, waarmede men

kinderen bezig houdt, fantastische beelden aan zich voorbijtrekken,

die een panorama van zijn verleden voor hem ontrolden. Eerst kwamen

de dagen van harden arbeid, waarin ieder uur van de wijzerplaat de

vervulling van een plicht eischte, de aan de studie gewijde nachten,

waarin hij sprak met de muze, die zijn in eenzaamheid en geduld

gedragen armoede als in een tooverweelde herschiep. En met afgunst

dacht hij terug aan het trotsche gevoel van zelfvertrouwen, dat hem

vroeger bezielde, wanneer hij de taak, die hij zichzelf gesteld had,

ten einde had gebracht.

"O," riep hij uit; "niets gelijkt op u, niets evenaart u, genotrijke

uitputting na volbrachten arbeid, die de rust van het far niente

zachter doet schijnen. Noch de bevrediging van de ijdelheid noch de

koortsachtige, onder de zware gordijnen van geheimzinnige alkoven

verstikte zinnenzwijmel--niets gelijkt op dien edelen, kalmen vrede,

die gewettigde zelfvoldaanheid, welke de arbeid den vlijtigen als

eerste belooning geeft."

En zijn blikken nog steeds gericht op de visioenen, die de tooneelen

uit het verleden voor zijn geest bleven tooveren, klom hij weer naar de

dakkamertjes, die hij gedurende zijn avontuurlijk bestaan bewoond had,

en waarheen zijn muze, zijn eenige liefde en trouwe en standvastige

vriendin toen, hem steeds gevolgd had, en het met de armoede goed

vinden kon, zonder ooit haar hoopvol gezang te onderbreken. Doch

daar verscheen plotseling midden in dit rustige, vredige en kalme

bestaan de gestalte van een vrouw, en toen de muze die vrouw zag

binnentreden in de woning, waarin zij tot dat oogenblik de eenige

koningin en meesteresse geweest was, stond zij bedroefd op en ruimde

haar plaats in voor de nieuw-aangekomene, in wie zij dadelijk een

mededingster vermoedde. Een oogenblik aarzelde Rodolphe tusschen de

muze, wie zijn blik een: "Blijf!" scheen toe te werpen, en de vreemde,

tot wie zijn gebaar een: "Kom!" zeide. Hoe zou hij ook het bekoorlijke

schepseltje, dat, gewapend met de verleidelijke bekoorlijkheden van een

ontluikende schoonheid, tot hem kwam, hebben kunnen van zich stooten,

dat schepseltje met haar kleine mondje en rose lipjes, dat een naief

en tevens brutaal taaltje, vol guitige beloften, sprak? Hoe kon hij

zijn hand weigeren aan het blanke, blauw geaderde handje, dat zich

liefkozend naar hem uitstrekte? Hoe had hij: "Gaat heen!" kunnen

roepen tot die bloeiende achttien jaren, wier aanwezigheid het huis

reeds met een geur van jeugd en vreugde vervulde. En met haar zachte,

licht bewogen stem zong zij de cavatine der verzoeking zoo verleidelijk

mooi! Met haar levendige en schitterende oogen zeide zij: "Ik ben

de liefde"; met haar lippen, waarop de kussen ontloken: "Ik ben het

genot"; met haar bloeiend lichaam: "Ik ben het geluk" zòò wondermooi,

dat Rodolphe zich liet medesleepen. En was die jonge vrouw dan ook

in werkelijkheid niet de levende, geïncarneerde poëzie? Dankte hij

haar niet de oogenblikken van meest verheven inspiratie? Had zij hem

niet dikwijls bezield tot een enthousiasme, dat hem zoo hoog in den

aether van het ideaal meevoerde, dat hij al het aardsche uit het oog

verloor? En als hij om en door haar veel geleden had--was dan dat

lijden niet een boetedoening voor al de ontzaglijke genietingen,

die zij hem geschonken had; was het niet de gewone wraak van het

noodlot, dat het volmaakte, ongestoorde geluk als iets goddeloos

verbiedt? Indien de christelijke leer hun vergiffenis schenkt, die

veel hebben lief gehad, dan schenkt zij die slechts, omdat zij ook

veel geleden hebben, want aardsche liefde wordt eerst goddelijke

hartstocht, als zij door tranen gelouterd is.

Evenals men zich soms bedwelmt door den geur van reeds lang verwelkte

rozen in te ademen, zoo bedwelmde Rodolphe zich door voor zijn geest

te roepen zijn vroeger leven, waarin iedere dag een nieuwe elegie,

een schokkend drama, een groteske comedie bracht. Hij doorleefde

nogmaals alle phasen van zijn liefde voor de verloren geliefde,

van af hun wittebroodsweken tot de huiselijke stormen, die tot hun

laatsten breuk geleid hadden. Hij riep het geheele repertoire van

alle listen van zijn vroeger vriendinnetje in zijn geheugen terug, hij

herhaalde in zichzelf al haar kwinkslagen. Hij zag weer voor zich hoe

zij in hun klein huishoudentje om hem heen draaide, haar lijfdeuntje:

Ma mie Annette op de lippen, met dezelfde zorgelooze opgewektheid

zoowel blijde als droeve dagen aanvaardend. En ten slotte moest hij

erkennen, dat het verstand in liefdesaangelegenheiden altijd ongelijk

heeft. Immers wat had hij bij dien breuk gewonnen? Toen hij met Mimi

samenleefde, bedroog zij hem, dat is waar--maar dat hij het wist, was

zijn eigen schuld, omdat hij zich de grootste moeite getroostte, om

het te weten te komen, omdat hij altijd op den loer lag naar bewijzen,

omdat hij zelf de dolken scherpte, die hij zich in het hart boorde. Was

bovendien Mimi niet handig genoeg om hem zoo noodig te bewijzen, dat

hij zich vergiste? En bovendien met wie was zij hem ontrouw? Meestal

was het met een sjaal, een hoed, met dingen, niet met mannen. En had

hij nu die rust, die kalmte, welke hij van een breuk met Mimi verwacht

had, na haar vertrek teruggevonden? Helaas, neen! Alles, behalve zij,

was gebleven. Vroeger kon hij tenminste nog uiting geven aan zijn

smart, kon hij zijn hart luchten in beleedigingen en verwijten, kon

hij laten zien, wat hij leed en het medelijden opwekken van haar,

die de oorzaak van dat lijden was. Doch nu moest hij zijn smart in

zich opkroppen, nu was zijn ijverzucht machtelooze woede geworden,

want vroeger kon hij, wanneer hij achterdocht koesterde, Mimi beletten

uit te gaan, haar bij zich houden en bewaken; maar thans zag hij

haar aan den arm van haar nieuwen minnaar op straat en moest hij

zich afwenden, om haar van vreugde stralend en op weg naar het een

of ander pleiziertje, voorbij te laten gaan.

Dat ellendige leven duurde een maand of drie, vier. Dan werd Rodolphe

langzamerhand rustiger. Marcel, die, om te trachten Musette te

vergeten, een lange reis gemaakt had kwam in Parijs terug en ging

weer met Rodolphe samen wonen, zoodat zij elkaar konden troosten.

Toen Rodolphe op een Zondag door den Luxembourg wandelde, kwam

hij Mimi in groot toilet tegen. Zij ging naar een bal. Zij knikte

hem in het voorbijgaan toe, wat hij met het afnemen van zijn hoed

beantwoordde. Deze ontmoeting gaf hem weliswaar een steek door zijn

hart, maar de emotie was toch minder pijnlijk dan gewoonlijk. Hij

bleef nog wat in den Jardin du Luxembourg wandelen en ging vervolgens

naar huis. Toen Marcel 's avonds ook thuiskwam, vond hij Rodolphe

aan zijn schrijftafel.

"Wat?" vroeg Marcel, terwijl hij over den schouder van den dichter

keek, "ben je aan het werk ... en zelfs verzen?"

"Ja," antwoordde Rodolphe vroolijk; "dat kleine dingetje hier in mijn

borst is blijkbaar niet heelemaal dood. De vier uur, die ik hier

nu al zit, heb ik het dichtvuur uit vroegere dagen teruggevonden,

ik heb Mimi gezien!"

"Ei!" zeide Marcel bang. "En hoe staat het met jullie?"

"O, wees maar niet bang, we hebben elkaar slechts gegroet--verder

niets."

"Heusch?" vroeg Marcel.

"Heusch! Tusschen ons is het voor goed uit, dat voel ik; maar als ik

weer werken kan, schenk ik haar graag vergiffenis."

"Maar waarom maak je, wanneer alles tusschen jullie uit is, nog verzen

voor haar?" vroeg Marcel, die Rodolphe's verzen intusschen gelezen had.

"Ach!" zeide de dichter; "ik neem mijn poëzie waar ik ze vind!"

Acht dagen lang werkte hij aan dit kleine gedicht. Toen het klaar

was, las hij het aan Marcel voor, die er heel tevreden over was en

Rodolphe aanspoorde om zijn dichtader, die weer ontsprongen was,

ook op ander gebied te laten vloeien.

"Want," zoo merkte hij op, "het zou de moeite niet loonen van Mimi

te scheiden, als je toch altijd met haar schim blijft leven. Maar,"

voegde hij er glimlachend aan toe, "ik zou beter doen, wanneer ik,

in plaats van tot anderen te preeken, tegen mezelf een strafpredikatie

hield, want mijn hart is nog vol van Musette. Maar enfin, wij zullen

toch niet altijd jonge menschen blijven, die op zulk duivelsgebroed

verliefd zijn."

"Ach!" zeide Rodolphe; "tot de jeugd behoef je helaas niet te zeggen:

Ingerukt, marsch!"

"Dat is wel zoo," antwoordde Marcel, "maar toch zijn er dagen, waarop

ik een eerwaardige grijsaard zou willen zijn, lid van het Instituut,

ridder van verschillende orden, en los van alle Musettes ter wereld. En

de duivel mag me halen, als ik ooit weer tot haar terug keeren zou! En

jij," vroeg hij lachend, "zou jij al graag zestig jaar achter den

rug hebben?"

"Vandaag had ik liever zestig francs in mijn zak!"

Eenige dagen later sloeg mademoiselle Mimi, die met den jongen vicomte

Paul in een koffiehuis zat, een revue open, waarin de verzen stonden,

die Rodolphe voor haar gemaakt had.

"Zoo, zoo!" zeide zij eerst lachend, "mijn vriend Rodolphe spreekt

kwaad van me in tijdschriften."

Doch toen zij het gedicht heelemaal uitgelezen had, bleef zij stil

en peinzend voor zich uit zitten staren. Vicomte Paul vermoedde,

dat zij aan Rodolphe dacht, en trachtte haar af te leiden.

"Ik zal dat paar mooie oorbelletjes voor je koopen!" zeide hij

tot haar.

"Ja," zeide Mimi; "jij ..... jij hebt geld!"

"En een hoed van Italiaansch stroo," voegde hij eraan toe.

"Dank je," zeide Mimi, "maar als je me een pleizier wilt doen, koop

dan dat hier voor mij."

En zij wees op de aflevering, waarin zij het gedicht van Rodolphe

gelezen had.

"Dat? Neen!" zeide de vicomte boos.

"Goed!" antwoordde Mimi koel. "Ik zal het zelf koopen voor geld,

dat ik zelf verdienen wil. Ik koop het liever niet voor jouw geld."

En werkelijk keerde Mimi voor twee dagen terug naar het atelier,

waar zij vroeger bloemen gemaakt had, en verdiende daar het geld,

dat zij noodig had, om de aflevering te kunnen koopen. Zij leerde

Rodolphe's verzen van buiten en droeg ze, om den vicomte te plagen,

dagelijks aan zijn vrienden voor.

Het gedicht luidde:

Alors que je voulais choisir une maîtresse

Et qu'un jour le hasard fit rencontrer nos pas,

J'ai mis entre tes mains mon coeur et ma jeunesse

Et je t'ai dit: Fais-en tout ce que tu voudras.

Hélas! ta volonté fut cruelle, ma chère:

Dans tes mains ma jeunesse est restée en lambeaux.

Mon coeur s'est en éclats brisé comme du verre,

Et ma chambre est le cimetière

Où sont enterrés les morceaux

De ce qui t'aima tant naguère.

Entre nous maintenant, n-i, ni- c'est fini,

Je ne suis plus qu'un spectre et tu n'es qu'un fantôme,

Et sur notre amour mort et bien enselevi,

Nous allons, si tu veux, chanter le dernier psaume.

Pourtant ne prenons point un air écrit trop haut,

Nous pourrions tous les deux n'avoir pas la voix sûre;

Choisissons un mineur grave et sans fioriture;

Moi je ferai la basse et toi le soprano.

Mi, ré, mi, do, ré, la.--Pas cet air, ma petite!

S'il entendait cet air que tu chantais jadis,

Mon coeur, tout mort qu'il est, tressaillirait bien vite,

Et ressusciterait à ce De profundis.

Do, mi, fa, sol, mi, do,--Celui-ce me rappelle

Une valse à deux temps, qui me fit bien du mal,

Le fifre du rire aigu raillait le violoncelle,

Qui pleurait sous l'archet ses notes de cristal.

Sol, do, do, si, si, la.--Point cet air, je t'en prie,

Nous l'avons, l'an dernier, ensemble répété

Avec les Allemands qui chantaient leur patrie

Dans les bois de Meudon, par une nuit d'été.

Eh, bien, ne chantons pas, restons-en là, ma chère;

Et pour n'y plus penser, pour n'y plus revenir,

Sur nos amours défunts, sans haine et sans colère,

Jetons en souriant un dernier souvenir.

Nous étions bien heureux dans la petite chambre

Quand ruisselait la pluie et que soufflait le vent;

Assis dans le fauteuil, pres de l'âtre, en décembre,

Aux lueurs de tes yeux j'ai rêvé bien souvent.

La houille petillait; en chauffant sur les cendres,

La bouilloire chantait son refrein régulier,

Et faisait un orchestre au bal des salamandres

Qui voltigeaient dans le foyer.

Feuilletant un roman, paresseuse et frileuse,

Tandis que tu fermais tes yeux ensommeillés,

Moi je rajeunissais ma jeunesse amoureuse,

Mes lèvres sur tes mains et mon coeur à tes pieds.

Aussi, quand on entrait, la porte ouverte à peine,

On sentait le parfum d'amour et de gaîté

Dont notre chambre était du matin au soir pleine,

Car le bonheur aimait notre hospitalité.

Puis l'hiver s'en alla; par la fenêtre ouverte,

Le printemps un matin vint nous donner l'éveil,

Et ce jour-là tous deux dans la campagne verte

Nous allâmes courir au-devant du soleil.

C'était le vendredi de la sainte semaine,

Et, contre l'ordinaire, il faisait un beau temps,

Du val à la colline, et du bois à la plaine

D'un pied leste et joyeux, nous courûmes longtemps.

Fatigués cependant par ce pèlerinage,

Dans un lieu qui formait un divan naturel

Et d'où l'on pouvait voir du loin le paysage,

Nous nous sommes assis en regardant le ciel.

Les mains pressant les mains, épaule contre épaule,

Et sans savoir pourquoi, l'un et l'autre oppressés,

Notre bouche s'ouvrit sans dire une parole,

Et nous nous sommes embrassés.

Près de nous l'hyacinthe avec la violette

Mariaient leur parfum qui montait dans l'air pur;

Et nous vîmes tous deux, en relevant la tête,

Dieu qui nous souriait à son balcon d'azur.

Aimez-vous, disait-il; c'est pour rendre plus douce

La route où vous marchez que j'ai fait sous vos pas

Dérouler en tapis le velours de la mousse,

Embrassez-vous encore,--je ne regarde pas.

Aimez-vous, aimez-vous: dans le vent qui murmure,

Dans les limpides eaux, dans les bois reverdis,

Dans l'astre, dans la fleur, dans la chanson des nids,

C'est pour vous que j'ai fait renaître ma nature.

Aimez-vous, aimez-vous; et de mon soleil d'or,

De mon printemps nouveau qui réjouit la terre,

Si vous êtes contents, au lieu d'une prière

Pour me remercier--embrassez-vous encore.

Un mois après ce jour, quand fleurirent les roses,

Dans le petit jardin que nous avions planté,

Quand je t'aimais le mieux, sans m'en dire les causes,

Brusquement ton amour de moi s'est écarté.

Où s'en est-il allé? partout un peu, je pense;

Car, faisant triompher l'une et l'autre couleur,

Ton amour inconstant flotte sans préférence

D'un brun valet de pique au blond valet de coeur.

Te voilà maintenant heureuse: ton caprice

Règne sur une cour de joyeux jouvenceaux

Et tu ne peux marcher sans qu'à tes pieds fleurisse

Un parterre émaillé d'odorants madrigaux.

Dans les jardins de bal, quand tu fais ton entrée,

Autour de toi se forme un cercle langoureux;

Et le frémissement de la robe moirée,

Pâme en choeur laudatif ta meute d'amoureux.

Elégamment chaussé d'une souple bottine

Qui serait trop étroite au pied de Cendrillon,

Ton pied est si petit qu'à peine on le devine

Quand la valse t'emporte en son gai tourbillon.

Dans les bains onctueux d'une huile de paresse,

Tes mains, brunes jadis, ont retrouvé depuis

La pâleur de l'ivoire ou du lis que caresse

Le rayon argenté dont s'éclairent les nuits.

Autour de ton bras blanc une perle choisie

Constelle un bracelet ciselé par Froment,

Et sur tes reins cambrés un grand châle d'Asie

En cascade de plis ondule artistement.

La dentelle de Flandres et le point d'Angleterre,

La guipure gothique à la mate blancheur

Chef d'oeuvre arachnéen d'un age séculaire,

De ta riche toilette achève la splendeur.

Pour moi, je t'aimais mieux dans tes robes de toile

Printanière, indienne ou modeste organdi,

Atours frais et coquets, simple chapeau sans voile,

Brodequins gris ou noirs, et col blanc tout uni.

Car ce luxe nouveau qui te rend si jolie

Ne me rappelle pas mes amours disparus,

Et tu n'es que plus morte et mieux enselevie

Dans ce linceul de soie où ton coeur ne bat plus.

Lorsque je composai ce morceau funéraire

Qui n'est qu'un long regret de mon bonheur passé,

J'étais vêtu de noir comme un parfait notaire

Moins les bésicles d'or et le jabot plissé.

Un crêpe enveloppait le manche de ma plume

Et des filets de deuil encadraient le papier

Sur lequel j'écrivais ces strophes où j'exhume

Le dernier souvenir de mon amour dernier.

Arrivé cependant à la fin d'un poëme

Où je jette mon coeur dans le fond d'un grand trou,

--Gaîté de croque-mort qui s'enterre lui-même

Voilà que je me mets à rire comme un fou.

Mais cette gaîté-là n'est qu'une raillerie

Ma plume en écrivant a tremblé dans ma main,

Et quand je souriais, comme une chaude pluie,

Mes larmes effaçaient les mots sur le vélin.

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 71 / 77 题