Het was de ochtend van Allerheiligen. Francine was zooeven gestorven.
Twee mannen waakten aan het sterfbed: de een, die erbij stond, was de
dokter; de ander, die naast het bed geknield lag, drukte zijn lippen op
de handen der doode en scheen die er in een wanhopigen kus voor eeuwig
aan vast te willen kleven; dat was Jacques, Francine's minnaar. Reeds
zes uur lang lag hij daar in een toestand van gevoelloosheid, die een
gevolg van diepen smart schijnt te zijn. Een draaiorgel, dat onder
zijn raam begon te spelen, riep hem eindelijk weer tot het leven terug.
Dit orgel speelde een wijsje, dat Francine 's morgens bij het wakker
worden placht te zingen.
Een van die waanzinnige verwachtingen, welke slechts in de grootste
wanhoop kunnen geboren worden, doorflitste plotseling Jacques'
geest. Hij ging in gedachten een maand in het verleden terug, naar
den tijd, dat Francine nog slechts stervende was; hij vergat het
heden en beeldde zich een oogenblik in, dat de doode slechts sliep
en dadelijk met het gewone morgenliedje op de lippen wakker zou worden.
Doch nog voor de tonen van het orgel geheel weggestorven waren, was
Jacques reeds tot de werkelijkheid teruggekeerd. Francine's mond was
voor altijd verstomd en de glimlach, die haar laatste gedachte op
haar lippen getooverd had, verdween reeds, om plaats te maken voor
de trekken des doods.
"Moed, Jacques!" zeide de dokter tot zijn vriend.
Jacques stond op en keek den dokter aan:
"Het is afgeloopen, niet waar? Er is geen hoop meer?"
Zonder op die droevig-dwaze vraag te antwoorden, ging de dokter
naar het bed, trok de gordijnen dicht, wendde zich dan weer tot den
beeldhouwer en drukte hem de hand.
"Francine is dood ....." zeide hij; "het was te verwachten. God weet,
dat wij alles, wat in onze macht stond, gedaan hebben, om haar te
redden. Het was een braaf meisje, Jacques, dat veel van je gehouden
heeft, meer en anders, dan jij van haar hieldt; want haar liefde was
niets dan liefde, terwijl er bij jou nog iets anders bij kwam. Francine
is dood .... maar alles is nog niet afgeloopen; we moeten nu aan de
voor de begrafenis noodige maatregelen denken. Wij zullen dat samen
doen en een buurvrouw vragen tijdens onze afwezigheid bij het lijk
te waken."
Willoos liet Jacques zich door zijn vriend medenemen. De geheele
dag ging heen met bezoeken aan de mairie, den begrafenisondernemer
en het kerkhof. Daar Jacques in het geheel geen geld had, verpandde
de dokter zijn horloge, een ring en verschillende kleedingstukken,
om de kosten voor de begrafenis, die den volgenden dag zou plaats
hebben, te kunnen bestrijden.
Eerst laat in den avond kwamen zij samen terug. De buurvrouw drong
er bij Jacques op aan wat te eten.
"Goed," zeide hij; "geef maar wat; ik heb het koud en moet weer wat
krachten verzamelen, want ik moet vannacht nog werken."
De buurvrouw en de dokter begrepen niet wat hij bedoelde.
Jacques ging aan tafel zitten en slokte zoo gulzig een paar happen
naar binnen, dat hij er bijna in stikte. Toen vroeg hij wat te
drinken. Doch toen hij het glas naar zijn mond bracht, liet hij het
op den grond vallen. Het brak. Het glas had een herinnering in hem
wakker geroepen, die op haar beurt zijn verdriet, dat een oogenblik
ingesluimerd was, weer tot nieuw leven wekte. Op den dag n.l., dat
Francine voor het eerst bij hem gekomen was, had het jonge meisje,
dat toen reeds lijdende was, zich plotseling onwel gevoeld, en had
Jacques haar uit dat glas wat suikerwater laten drinken. Later,
toen zij samen woonden, hadden zij er een liefde-reliquie van gemaakt.
Ook had de beeldhouwer in zijn zeldzame oogenblikken van rijkdom een
paar maal voor zijn vriendinnetje een of twee flesschen versterkenden
wijn, die haar door den dokter was voorgeschreven, gekocht, en dan
had Francine altijd uit dat glas dien drank gedronken, waaruit haar
liefde een betooverende vroolijkheid putte.
Langer dan een half uur bleef Jacques sprakeloos naar die
overblijfselen van dat dierbare, brooze souvenir te staren. Hij had
een gevoel alsof ook zijn hart gebroken was en de scherven daarvan
zijn borst verscheurden. Toen hij eindelijk weer tot de werkelijkheid
teruggekeerd was, raapte hij de scherven van het glas bijeen en sloot
die weg in een kast. Dan vroeg hij zijn buurvrouw twee kaarsen te
halen en door den portier een emmer water te laten boven brengen.
"Ga niet weg," verzocht hij den dokter, die daar geen oogenblik aan
dacht; "ik heb je straks noodig."
Toen het water en de kaarsen gebracht waren, bleven de twee vrienden
alleen.
"Wat wil je doen?" vroeg de dokter, toen hij zag, dat Jacques, na
het water in een houten bak gegoten te hebben, er gips bij wierp.
"Wat ik doen wil?" antwoordde Jacques; "kan je het niet raden? Ik
wil een afdruk maken van Francine's hoofd; en omdat de moed daartoe
mij zou ontbreken, als ik alleen bleef, mag je niet weggaan."
Jacques trok de gordijnen van het bed open en sloeg het laken, waarmede
het gelaat van de doode bedekt was, weg. Zijn hand begon te beven en
een half-verstikte zucht steeg uit zijn borst op.
"Breng de kaarsen eens hier," riep hij zijn vriend toe, "en houd den
bak eens vast."
De eene kaars werd aan het hoofdeinde van het bed gezet, zoodat het
volle licht ervan op het gelaat der doode viel; de andere aan het
voeteneinde. Dan doopte hij een penseel in olijfolie en wreef daarmede
de wenkbrauwen, de wimpers en het haar in, dat hij opgemaakt had,
zooals Francine het gewoonlijk droeg.
"Op die manier zal het haar geen pijn doen, wanneer wij het masker
afnemen," zeide hij tot zichzelf.
Na deze voorzorgsmaatregelen genomen en het hoofd in een gemakkelijke
houding gelegd te hebben, begon Jacques het gips in gelijke lagen op
te leggen, totdat het masker de vereischte dikte had. Na een kwartier
was de bewerking afgeloopen en volkomen geslaagd.
Door een eigenaardig proces had op het gelaat van Francine een
merkwaardige verandering plaats gegrepen. Het bloed, dat nog geen
tijd gehad had geheel en al te verstijven, was ongetwijfeld door de
hooge temperatuur van het gips weer warm geworden en naar de bovenste
lichaamsdeelen gestroomd, zoodat het matwitte van het voorhoofd en de
wangen langzamerhand een rosen tint begon te krijgen. De oogleden, die
door het wegnemen van het masker eenigszins geopend waren, lieten het
rustige blauw der oogen zien, welker blik een vaag begrijpen scheen
te verraden, en de door een half glimlachje even geopende lippen
schenen het bij het laatste afscheid vergeten woord te spreken,
dat men slechts met het hart hoort.
Trouwens, wie zou kunnen verzekeren, dat het begrip ophoudt op
hetzelfde oogenblik, dat de gevoelloosheid van een wezen intreedt? Wie
kan zeggen, dat de hartstochten sterven en verdwijnen tegelijk met
den laatsten harteklop? Zou de ziel niet een enkele maal vrijwillig
besloten kunnen blijven in het reeds voor de begrafenis gekleede
lichaam, en van uit haar vleeschelijk omhulsel een oogenblik de
droefheid en de tranen bespieden kunnen? Zij, die van ons scheiden,
hebben zooveel redenen om hen, die blijven, te wantrouwen.
Wie weet, of niet misschien op het oogenblik, dat Jacques besloot haar
trekken met behulp der kunst te vereeuwigen, een laatste aardsche
gedachte Francine weer was komen wekken uit den eersten sluimer van
haar eeuwige rust. Misschien had zij zich herinnerd, dat hij, dien
zij zoo pas verlaten had, behalve een minnaar ook een kunstenaar was;
dat hij beide was, omdat hij niet het een zonder het andere kon zijn;
dat voor hem de liefde de ziel der kunst was, en dat hij haar daarom
slechts zoo lief gehad had, omdat zij voor hem vrouw en minnares
tegelijk, een gevoel in een vorm had kunnen zijn. En toen had in haar
begeerte om Jacques dat menschelijk beeld, dat voor hem het ideaal
zelve geworden was, achter te laten, Francine misschien, hoewel reeds
dood en koud en stijf, nog eenmaal op haar gelaat den glans van haar
liefde en al de bekoring van haar jeugd weten te voorschijn te roepen:
zij blies het kunstwerk leven in.
En misschien had het arme meisje goed gedacht: want er bestaan onder
de ware kunstenaars van die Pygmalions, die, in tegenstelling met
hun klassieken naamgenoot, gaarne hun levende Galathea's in marmer
zouden willen veranderen.
Bij het zien van die kalme rust op dat gelaat, waarop de doodstrijd
geen sporen achtergelaten had, zou niemand hebben kunnen gelooven aan
het lange lijden, dat aan den dood voorafgegaan was. Francine scheen
een liefdesdroom verder te droomen; en wanneer men haar daar zoo zag
liggen, zou men gezegd hebben, dat zij aan schoonheid gestorven was.
Uitgeput door vermoeienis, was de dokter in een hoek in slaap gevallen.
Jacques daarentegen was opnieuw ten prooi aan zijn twijfel van
zooeven. Zijn aan zinsbegoochelingen lijdende geest bleef hardnekkig
in den waan, dat de vrouw, die hij zoo grenzenloos lief had, weer zou
ontwaken; en daar van tijd tot tijd zwakke zenuwtrekkingen (het gevolg
van het mouleeren van het gezicht) de onbeweeglijkheid van het lijk
verbraken, versterkte dit schijnbare leven Jacques in zijn gelukkige
illusie, die voortduurde tot den ochtend, toen een ambtenaar den dood
constateeren en verlof tot begraven geven kwam.
Trouwens evenals men geheel waanzinnig van wanhoop moest zijn, om aan
haar dood te twijfelen, zoo moest men de onfeilbaarheid der wetenschap
te hulp roepen om bij het zien van dat schoone wezen aan den dood te
kunnen gelooven.
Toen de buurvrouw Francine in de lijkkist legde, bracht men Jacques
in een ander vertrek, waar hij enkele van zijn vrienden vond,
die gekomen waren, om de ontslapene de laatste eer te bewijzen. De
bohémiens onthielden zich tegenover Jacques, hoewel zij hem heel graag
mochten lijden, van al die troostwoorden, die het verdriet toch slechts
grooter maken. Zonder een van die woorden te spreken, welke in zulke
oogenblikken zoo moeilijk te vinden en zoo pijnlijk om aan te hooren
zijn, drukten zij, de een na den ander, hun vriend zwijgend de hand.
"Het sterven van Francine is een groot ongeluk voor Jacques," zeide
een hunner.
"Zeker," antwoordde de schilder Lazare, een bizarre persoonlijkheid,
die reeds vroeg alle hartstochten der jeugd had weten te overwinnen
door daartegenover de onbuigzaamheid van een vasten wil te stellen,
zoodat eindelijk de mensch in den kunstenaar ten onder gegaan
was--"zeker, maar dan toch een ongeluk, waarvan hij zelf de grootste
schuld is. Sedert Jacques Francine kent, is hij vreeselijk veranderd."
"Zij heeft hem gelukkig gemaakt," merkte een derde op.
"Gelukkig?" antwoordde Lazare; "wat noem je gelukkig? Hoe kunt ge een
hartstocht, die iemand brengt in een toestand, waarin Jacques thans
verkeert, geluk noemen? Laat hem eens een meesterwerk zien, hij zal
er zich van afwenden; en om nog eenmaal zijn vriendinnetje levend te
zien, zou hij desnoods een Titiaan of een Raphaël vertrappen. Mijn
geliefde daarentegen is onsterfelijk en zal mij nooit bedriegen;
zij woont in den Louvre en heet Joconda."
Juist toen Lazare zijn theorieën over kunst en gevoel nader uiteen
wilde gaan zetten, vertrok de stoet naar de kerk.
Na enkele fluisterend uitgesproken gebeden zette de stoet zich in
beweging naar het kerkhof.
Daar het toevallig Allerzielen was, verdrong zich een groote menigte
op den doodenakker. Velen keken om naar Jacques, die blootshoofds
achter den lijkwagen liep.
"Arme jongen!" zeide er een; "zeker zijn moeder."
"Neen zijn vader!" dacht een ander.
"Of zijn zuster!" merkte een derde op.
Slechts een dichter, die op dit feest der herinnering, dat eenmaal
per jaar in de nevels van November herdacht wordt, den doodenakker
was komen bezoeken, om de gebaren van droefheid te bestudeeren, zou
bij het zien van Jacques, als bij instinct gevoeld hebben, dat hij
zijn geliefde naar haar laatste rustplaats bracht.
Toen zij bij het graf gekomen waren, ontblootten de bohémiens het hoofd
en plaatsten zich in een kring erom heen. Jacques stond aan den rand,
zijn vriend de dokter hield zijn arm vast.
De doodgravers hadden haast en wilden zoo gauw mogelijk klaar zijn.
"Er wordt gelukkig niet gesproken," zeide er een. "Des te
beter. Vooruit kameraad, opgepast!"
En in een oogwenk werd de kist uit den wagen genomen en aan touwen in
het graf neergelaten. De man trok nu de touwen onder de kist uit en
kwam uit het gat, nam dan een schop en begon met een van zijn kameraads
aarde op de kist te werpen. Weldra was het graf dichtgegooid. Een
klein houten kruis werd erop geplaatst.
Toen hoorde de dokter Jacques onder luide zuchten deze egoïstische
woorden uitstooten:
"Daar wordt mijn jeugd begraven!"
Jacques behoorde tot een club, waarvan de leden zich "Waterdrinkers"
noemden, en die een navolging scheen te zijn van den beroemden
vriendenkring uit de rue des Quatre-Vents, waarvan sprake is in
Balzac's mooien roman: "Un Grand Homme de province." Maar toch bestond
er een groot verschil tusschen de helden van dien vriendenkring en
de Waterdrinkers, die, zooals alle navolgers, het systeem, dat zij
in praktijk wilden brengen, gruwlijk overdreven hadden. Dit verschil
zal men alleen reeds uit dit enkele feit kunnen begrijpen, dat in
het boek van Balzac de leden van den vriendenkring het doel, dat zij
zich voor oogen gesteld hadden, ten slotte bereikten en daarmede het
bewijs leverden, dat ieder systeem, dat tot het doel leidt, goed is,
terwijl de club der waterdrinkers na een bestaan van vele jaren op
heel natuurlijke wijze, n.l. door den dood van al haar leden, aan
haar eind kwam, zonder dat de naam van een hunner verbonden was aan
een werk, dat van hun bestaan had kunnen getuigen.
Gedurende zijn liaison met Francine was de verhouding van Jacques
tot de club der Waterdrinkers minder intiem geworden. Om in het
onderhoud van hem en zijn vriendinnetje te kunnen voorzien, had
hij enkele wetten en voorschriften, die op den oprichtingsdag der
club door de Waterdrinkers plechtig onderteekend en bezworen waren,
moeten overtreden.
Steeds doorstappend op de stelten van een onzinnigen trots hadden deze
jonge menschen als hoofdprincipe van hun club opgesteld, dat zij nooit
van de hooge toppen der kunst zouden mogen afdalen, d.w.z. dat geen
hunner, ook al drong de nood nog zoo, ook maar de geringste concessie
daaraan mocht doen. Zoo zou bijv. de dichter Melchior er nooit in
hebben toegestemd zijn "lier" voor eenige oogenblikken aan de wilgen
te hangen, om een handelsprospectus of een politieke geloofsbelijdenis
te schrijven. Dat was goed voor den dichter Rodolphe, een deugniet,
die voor alles deugde, en die nooit een honderd-sous-stuk in zijn
nabijheid liet komen zonder er, het kwam er niet op aan waarmee, op te
schieten. Zoo zou ook de schilder Lazare, een trotsche armoedzaaier,
nooit zijn penseel hebben willen bezoedelen door het portret van een
kleermaker met een papegaai op zijn vinger te schilderen, zooals
onze vriend Marcel eens gedaan had in ruil voor den beruchten rok
Methusalem, waarop ieder van zijn maîtressen de kunst van oplappen
geleerd had. Zoolang Jacques met de Waterdrinkers in gemeenschap van
denkbeelden leefde, had hij zich aan die tyrannieke clubvoorschriften
onderworpen; maar toen hij Francine had leeren kennen, wilde hij het
arme, toen reeds zieke kind niet blootstellen aan de levenswijze, die
hij tijdens zijn "ongehuwden staat", geleid had. Jacques was vòòr alles
een oprechte, eerlijke natuur. Hij ging dus naar den president der
club, den starren Lazare, en deelde hem mede, dat hij in het vervolg
alle werkzaamheden, die hem wat zouden kunnen opbrengen, aannemen zou.
"Je liefdesverklaring," antwoordde Lazare hem, "was tevens je afscheid
aan de kunst. Wij zullen je vrienden blijven, als je dat wilt, maar je
medeleden kunnen we niet meer zijn. Oefen je vak uit zooals je wilt;
voor mij ben je geen beeldhouwer meer, maar een gipsmenger. Wel zal
jij nu in het vervolg wijn kunnen drinken, en zullen wij evenals
vroeger ons water drinken en ons kommiesbrood eten; maar wij blijven
kunstenaars!"
Wat Lazare echter ook zeggen mocht, Jacques bleef een kunstenaar. Maar
om Francine bij zich te kunnen houden nam hij ook, wanneer de
gelegenheid zich daartoe aanbood, werkzaamheden aan, die wat
opbrachten. Zoo werkte hij bijv. een tijd lang in het atelier van
den ornamentist Romagnési. Handig in de uitvoering en vindingrijk
in het ontwerpen, had Jacques, zonder daarom ernstige kunst geheel
vaarwel te moeten zeggen, een groote reputatie kunnen krijgen in
die genre-composities, welke een der voornaamste artikelen in den
luxe-handel geworden zijn. Maar Jacques was lui, zooals alle ware
kunstenaars, en verliefd als een dichter. De jeugd was in hem laat,
maar daardoor des te vuriger ontwaakt; en hij wilde, als had hij een
voorgevoel van zijn vroegen dood, die geheel en al uitleven in de armen
van Francine. Het gevolg daarvan was, dat de goede gelegenheden om
te werken dikwijls aan zijn deur kwamen kloppen, zonder dat Jacques
er antwoord op gaf; hij wilde zich niet laten storen: hij vond het
te heerlijk te droomen in den glans der oogen van zijn vriendinnetje.
Toen Francine gestorven was, ging de beeldhouwer zijn oude
vrienden, de Waterdrinkers, weer opzoeken. Maar in dezen kring
voerde de geest van Lazare de opperheerschappij: ieder lid leefde
als versteend in het egoïsme van de kunst. Jacques vond daar niet wat
hij zocht. Zijn wanhoop werd er niet begrepen; men trachtte zelfs die
door redeneeringen tot zwijgen te brengen. Toen Jacques die weinige
sympathie bemerkte, wilde hij liever met zijn smart alleen zijn dan
deze op zoo'n manier aan discussies blootgesteld te zien. Hij brak
dus volkomen met de Waterdrinkers en leefde alleen voor zichzelf.
Vijf of zes dagen na Francine's begrafenis ging Jacques naar een
marmerhandelaar van het kerkhof Mont-Parnasse en stelde hem de volgende
transactie voor: de handelaar zou voor het graf van Francine een hekje
leveren, dat Jacques zich voorbehield te teekenen, en bovendien den
kunstenaar een stuk wit marmer geven, waartegenover Jacques zich
verplichtte drie maanden lang als steenhouwer of beeldhouwer te
werken. De fabrikant had toen verscheidene belangrijke bestellingen;
hij ging naar het atelier van Jacques en kwam bij het zien der
vele begonnen werken tot de overtuiging, dat het toeval hem in den
persoon van Jacques een mooi fortuintje bracht. Acht dagen later had
Francine's graf een hekje, terwijl het houten kruisje vervangen was
door een groot steenen kruis, waarin Francine's naam gebeiteld was.
Gelukkig had Jacques met een fatsoenlijk iemand te doen, die inzag,
dat honderd kilogram gietijzer en drie vierkante voet marmer niet
voldoende waren om drie maanden arbeid van den jongen kunstenaar,
wiens talent hem verscheidene duizenden daalders had opgebracht,
te betalen. Hij bood Jacques dan ook aan hem tegen een aandeel in de
winst deelgenoot te maken van zijn zaak, maar de kunstenaar sloeg dat
aanbod af. De weinige verscheidenheid der te behandelen onderwerpen
kwam niet overeen met zijn vindingrijke natuur, en bovendien had hij
wat hij wilde: n.l. een groot stuk marmer, waaruit hij een kunstwerk,
dat hij voor Francine's graf bestemde, wilde te voorschijn roepen.
In het begin der lente werden trouwens de levensomstandigheden van
Jacques beter: zijn vriend de dokter bracht hem n.l. in kennis
met een voornamen en rijken edelman, die zich te Parijs wilde
vestigen en in een der voornaamste wijken een prachtig huis liet
bouwen. Verschillende beroemde kunstenaars waren reeds aangezocht om
mede te werken aan dit luxueuse paleis. Jacques kreeg de opdracht voor
een salonschoorsteen. Het is me alsof ik zijn cartons nog voor mij zie;
het was een bekoorlijk iets: het geheele sprookje van den winter was op
dit marmer verteld, dat als omlijsting voor het vuur moest dienen. Daar
Jacques' atelier te klein was, vroeg en verkreeg hij, om zijn werk
uit te voeren, een vertrek in het nog niet bewoonde huis, terwijl hem
bovendien een vrij groot voorschot op de voor het werk overeengekomen
som gegeven werd. Het eerste, wat Jacques daarvan deed, was zijn vriend
den dokter het geld, dat deze hem bij den dood van Francine geleend
had, terug te geven; daarna ging hij naar het kerkhof, om den grond,
waaronder zijn vriendinnetje rustte, onder bloemen te bedekken.
Maar de lente was Jacques voor geweest, en op het graf van het jonge
meisje bloeiden tusschen het groenende gras duizend bloemen. De
kunstenaar had den moed niet ze eruit te trekken, want hij dacht, dat
er iets van zijn vriendinnetje in deze bloemen overgegaan was. Toen
de tuinman hem vroeg wat hij met die rozen en viooltjes doen moest,
verzocht Jacques hem die te planten op een pas gedolven graf ernaast,
de armzalige laatste rustplaats van een armzalige, die geen ander
herkenningsteeken had dan een in de losse aarde gestoken stuk hout,
waarop een krans van verschoten papieren bloemen hing, een armzalige
liefdegave van een armzalige. Jacques verliet het kerkhof in een geheel
andere stemming dan hij er gekomen was. Opgewekt en nieuwsgierig keek
hij naar de mooie lentezon, diezelfde zon, die zoo dikwijls gouden
stralen getooverd had in Francine's haar, wanneer zij met hem door
de weiden liep en met haar blanke handen bloemen plukte. Een groote
zwerm heerlijke gedachten en herinneringen zoemde in zijn hart. Toen
hij voorbij een klein herbergje van den buitenboulevard kwam, viel het
hem in, dat hij op een dag, toen hij door een onweer verrast werd, met
Francine daar was binnengegaan en dat zij er samen gegeten hadden. Hij
ging er nu ook binnen en liet het diner aan hetzelfde tafeltje van
toen brengen. Het dessert werd op een beschilderd schaaltje opgediend;
hij herkende het schaaltje en herinnerde zich, dat Francine wel een
half uur lang bezig geweest was om de rebus, die er op geschilderd
was, op te lossen; ook kwam hem weer een liedje in de gedachte,
dat Francine voor hem gezongen had, toen de goedkoope landwijn, die
meer vroolijkheid dan druivensap bevat, haar in een montere stemming
gebracht had. Doch deze opwelling van zoete herinneringen deed thans
wel zijn liefde, maar niet zijn verdriet ontwaken. Bijgeloovig, zooals
alle dichterlijke en mijmerende naturen, verbeeldde Jacques zich, dat
Francine zelf, toen zij hem daareven vlak bij zich had hooren loopen,
hem uit haar graf deze wolk van blijde herinneringen had toegezonden,
die hij niet met tranen wilde bevlekken. En hij verliet met lichten
stap, opgeheven hoofd, schitterende oogen, kloppend hart en bijna een
glimlach op de lippen het herbergje en neuriede onder het loopen het
refrein van Francine's liedje:
L'amour rôde dans mon quartier,
Il faut tenir ma porte ouverte.
Dit refrein was in den mond van Jacques nog een herinnering, maar toch
was het ook reeds een lied, en misschien deed hij dien avond, zonder
het zelf te vermoeden, den eersten stap op den weg, die van droefheid
tot weemoed en van weemoed tot vergetelheid leidt. Ach, wat men ook
doet of laat, de eeuwige en rechtvaardige wet der veranderlijkheid
wil het zoo.
Evenals de bloemen, die, misschien uit Francine's lichaam
voortgesproten, op haar graf waren ontbloeid, zoo gistten de
jeugdsappen in Jacques' hart, waarin de herinneringen aan zijn
oude liefde onbestemde verlangens naar een nieuwe wekten. Bovendien
behoorde Jacques tot dat ras van kunstenaars en dichters, die van
hun hartstochten een werktuig voor hun kunst en poëzie maken en wier
geest eerst dan volkomen levend is, wanneer de drijfkracht van het
hart dien in beweging brengt. Bij Jacques was de kunst inderdaad
een kind van zijn gevoel; tot in de kleinste dingen, die hij maakte,
legde hij een stuk van zijn eigen ik. Hij kwam tot de ontdekking, dat
de herinneringen niet langer voldoende voor hem waren, en dat zijn
hart, evenals de molensteen, die bij gebrek aan koren afslijt, uit
gebrek aan emotie zijn kracht verloor. Het werken had geen bekoring
meer voor hem; de inspiratie, die anders koortsachtig en als uit
zichzelf voortkomend werkte, kwam nu slechts onder den druk van lang
en geduldig nadenken. Jacques was ontevreden en benijdde bijna de
levenswijze van zijn oude vrienden, de Waterdrinkers.
Hij trachtte afleiding te vinden, knoopte nieuwe vriendschapsbanden
aan. Zoo ging hij veel om met den dichter Rodolphe, dien hij in
een café had leeren kennen; beiden hadden een groote sympathie voor
elkaar opgevat. Jacques had hem zijn verdriet verteld en Rodolphe
had al heel gauw de oorzaak daarvan geraden.
"Ik ken dat, kerel," zeide hij. En terwijl hij Jacques op de
borst klopte, voegde hij eraan toe: "Gauw het vuur daarin weer
aansteken! Zorg onmiddellijk voor een nieuw hartstochtje, dan komen
de denkbeelden ook weer terug."
"Ach!" zeide Jacques; "ik heb te veel van Francine gehouden."
"Dat zal je niet beletten om haar altijd lief te hebben. Kus haar op
de lippen van een ander."
"O," zeide Jacques, "dat zal ik alleen maar kunnen, als ik een vrouw
vond, die op haar leek!"
En diep in gedachten verzonken ging hij heen.
Zes weken later had Jacques al zijn phantasie weer terug gevonden,
die weer ontvlamd was door de zachte blikken van een knap meisje,
dat Marie heette en wier ziekelijke schoonheid eenigszins aan de arme
Francine deed denken. Men kon zich inderdaad moeilijk iets aardigers
denken dan die kleine Marie met haar achttien jaar min zes weken,
wat zij nooit vergat op te merken. Hun liefdesbetrekkingen waren
begonnen in den maneschijn, in den tuin van een danslokaal, bij
den klank van een scherpe viool, van een teringachtige bas en een
klarinet, die schetterde als een merel. Jacques had haar opgemerkt,
toen hij met een ernstig gelaat om den voor de dansers gereserveerden
kring heen liep. De luidruchtige en knappe bezoeksters van het lokaal,
die den kunstenaar van gezicht kenden, fluisterden, wanneer zij hem in
zijn eeuwig zwarte, tot aan de hals dichtgeknoopte jas stijf voorbij
zagen komen, elkaar toe:
"Wat komt die doodbidder hier toch doen? Moet er iemand begraven
worden?"
Jacques liep steeds alleen: zijn hart bloedde onder de doornen van
een herinnering, die het orkest, dat op dit oogenblik een contradans
speelde, die den kunstenaar droef als een De Profundis in de ooren
klonk, nog levendiger maakte. Midden in zijn droomerijen zag hij Marie,
die van uit een hoekje naar hem keek en in een luiden lach uitbarstte,
toen zij zijn doodgraversgezicht zag. Jacques sloeg zijn oogen op en
hoorde op drie pas van hem dat gelach, dat van onder een rose hoedje
opklonk. Hij ging naar het jonge meisje toe en zeide enkele woorden
tot haar, waarop zij antwoordde; hij bood haar zijn arm aan, om een
wandeling door den tuin te maken; zij nam dien aan. Hij zeide haar,
dat zij mooi was als een engel, wat zij hem nog tweemaal zeggen liet;
hij plukte voor haar van de boomen groene appels, die zij met veel
smaak opat, terwijl zij daarbij telkens weer dien helderen lach liet
hooren, die het refrein van haar onverwoestbare vroolijkheid scheen
te zijn. Jacques dacht aan den Bijbel en bedacht, dat men nooit
tegenover een vrouw wanhopig moet zijn, vooral niet tegenover die,
welke veel van appels houden. Hij maakte dus met het rose hoedje nog
een wandeling door den tuin, waarvan weer het gevolg was, dat hij,
die alleen op het bal gekomen was, het niet alleen verliet.
Maar toch had hij Francine niet vergeten: hij kuste, zooals Rodolphe
het uitgedrukt had, haar dagelijks op de lippen van Marie en werkte in
het geheim aan het beeld, dat hij op het graf der doode plaatsen wilde.
Toen Jacques op een goeden dag geld gekregen had, kocht hij voor
Marie een zwarte japon. Het jonge meisje was er erg blij mede, ook al
vond zij, dat zwart voor den zomer geen bijzondere vroolijke kleur
was. Doch Jacques zeide haar, dat zwart zijn lievelingskleur was en
dat zij hem een groot pleizier zou doen, als zij die japon iederen
dag zou dragen. Marie deed hem dat pleizier.
Op een Zaterdagavond zeide Jacques tot het jonge meisje:
"Kom morgenochtend vroeg, dan gaan we naar buiten."
"Dat treft prachtig," antwoordde Marie; "ik heb een verrassing voor
je. Het zal wel mooi weer zijn!"
Marie werkte den geheelen nacht door aan een nieuwe japon, die zij
voor haar spaarduitjes gekocht had, een allerliefst, rose japonnetje,
waarmede zij 's Zondagsochtends, stralend van vreugde, in het atelier
van Jacques kwam.
De kunstenaar ontving haar koel, bijna grof.
"En ik dacht nogal, dat ik je een plezier zou doen, toen ik dat lichte
pakje kocht!" zeide Marie, die voor Jacques' koelheid geen verklaring
vinden kon.
"Wij gaan niet naar buiten," antwoordde hij; "ga maar terug, ik
moet werken."
Marie ging bedroefd naar huis. Onderweg kwam zij een jongen man
tegen, die de geschiedenis van Jacques kende en haar vroeger het hof
gemaakt had.
"Wat, mademoiselle Marie, bent u niet meer in den rouw?"
"In den rouw?" vroeg zij; "en voor wie?"
"Wat, weet u dat niet? Het is toch bekend genoeg die zwarte japon,
die Jacques u gegeven heeft ...."
"Nou?"
"Wel dat was een rouwjapon: Jacques liet u om Francine rouwen."
Na dien dag heeft Jacques Marie niet meer gezien.
Die breuk bracht hem ongeluk. De slechte dagen keerden terug: hij had
geen werk meer en verviel in zoo'n groote ellende, dat hij, daar hij
niet wist wat hij beginnen moest, zijn vriend den dokter vroeg hem
in een ziekenhuis te laten opnemen. De dokter zag bij den eersten
oogopslag, dat het niet veel moeite zou kosten daarvoor toestemming
te krijgen. Zonder dat Jacques eenig vermoeden van zijn toestand had,
was hij op weg, om weer spoedig bij Francine te zijn.
Hij werd opgenomen in het hospitaal Saint-Louis.
Daar hij nog werken en loopen kon, verzocht hij den directeur van
het ziekenhuis hem een klein kamertje te willen geven, dat toch niet
gebruikt werd, en liet daar een werkbank, beitels en leem brengen. De
eerste veertien dagen werkte hij daar aan het beeld, dat hij voor
Francine's graf bestemd had. Het was een engel met uitgestrekte
vleugels. Dit beeld, dat Francine's trekken had, werd niet voltooid,
want al heel gauw kon Jacques de trap niet meer op, en kort daarop
mocht hij zelfs het bed niet meer uit.
Toen Jacques op zekeren dag het cahier van den dokter in handen
kreeg en daaruit zag welke geneesmiddelen hij kreeg, begreep hij,
dat hij verloren was: hij schreef aan zijn familie en liet zuster
Sainte-Géneviève, die hem met groote toewijding verpleegde, roepen.
"Zuster," zeide hij tot haar, "in het kamertje boven, dat men mij
heeft afgestaan, staat een kleine gipsfiguur; het beeld, dat een engel
voorstelt, was bestemd voor een graf; maar ik heb geen tijd gehad
het in marmer uit te voeren. En toch heb ik thuis een prachtig stuk,
wit met rose aderen, liggen. Om kort te gaan .... zuster, ik geef u
het kleine beeld, om het in de kapel te zetten."
Enkele dagen later stierf Jacques. Daar de begrafenis gelijktijdig
met de opening van den salon plaats had, konden de Waterdrinkers er
niet bij tegenwoordig zijn. De kunst voor alles, had Lazare gezegd.
Jacques' familie was niet rijk en de kunstenaar had geen eigen graf.
Hij werd in een hoek van het kerkhof begraven.