DE MOF VAN FRANCINE.

I

Onder de echte bohémiens der echte bohème heb ik indertijd een

zekeren Jacques D.... gekend. Hij was beeldhouwer en beloofde

mettertijd een groot kunstenaar te zullen worden. Doch zijn ellendige

levensomstandigheden hebben hem niet den tijd gelaten die beloften

te houden. Hij stierf in Maart 1814, in het hospitaal Saint-Louis,

zaal Sainte-Victoire, bed 14, aan uitputting.

Ik leerde Jacques kennen in het hospitaal, waarin ik zelf langen tijd

ziek gelegen had. Zooals ik reeds gezegd heb, stak er in Jacques

een groot kunstenaar, doch hij liet er zich volstrekt niet op

voorstaan. Gedurende de twee maanden, waarin ik hem bijna dagelijks

opzocht en hij zich in de armen van den dood wiegen voelde, heb ik

hem geen enkele maal hooren klagen, noch dat gelamenteer aanheffen,

dat den onbegrepen kunstenaar zoo belachelijk gemaakt heeft. Hij is

gestorven zonder eenige pose, met den vreeselijken grijns van de met

den dood strijdenden op het gelaat. Zijn dood doet me zelfs denken aan

een der afschuwelijkste scènes, die ik in dezen caravansérail [39]

van menschelijk lijden heb medegemaakt. De vader, dien men met zijn

overlijden in kennis gesteld had, was het lijk komen opeischen en had

een tijd lang afgedongen op de door de administratie geëischte som van

zes-en-dertig francs. Ook voor den dienst in de kerk marchandeerde

hij zóó lang en zóó hardnekkig, dat men hem ten slotte zes francs

minder liet betalen. Toen men het lijk in de kist wilde leggen, nam

de ziekenoppasser het aan het hospitaal behoorende laken weg en vroeg

aan een der vrienden van den overledene om geld voor het lijkkleed. De

arme duivel, die geen sou bezat, ging dadelijk naar Jacques' vader,

die in een opwelling van drift en woede vroeg, of men hem nooit met

rust zou laten.

Toen wierp de zuster, die dit afschuwelijke tooneel meemaakte, een

blik op het lijk en sprak de aangrijpend naïeve woorden:

"Maar mijnheer, de arme jongen kan toch zoo niet begraven worden:

het is zoo koud; geef hem tenminste een hemd, opdat hij niet heelemaal

naakt voor onzen lieven Heer verschijnt."

Eindelijk gaf de vader den vriend vijf francs om een hemd te koopen,

doch drukte hem daarbij op het hart het te halen bij een uitdrager

in de rue Grange-aux-Belles, die tweedehandsche hemden had.

"Dat is niet zoo duur," voegde hij eraan toe.

Later kreeg ik opheldering omtrent die onmenschelijke hardheid van

Jacques' vader: hij was woedend, dat zijn zoon zich aan de kunst

gewijd had, en die woede was zelfs bij het zien van de lijkkist niet

tot bedaren gekomen.

Maar ik ben al heel ver afgedwaald van mademoiselle Francine en haar

mof. Doch ik kom er nu toe: mademoiselle Francine was het eerste en

eenige vriendinnetje van Jacques geweest, die toch niet oud gestorven

was, want hij was nauwelijks drie-en-twintig, toen zijn vader hem

heelemaal naakt onder den grond wilde laten stoppen. Jacques heeft

mij het verhaal van die amourette gedaan, toen hij nummer 14 en ik

nummer 16 was op de zaal Sainte-Victoire, een vreeselijke plaats om

te sterven.

Maar wacht nog even, lezer! Voor ik dit verhaal begin, dat zeer mooi

zou zijn, als ik het kon oververtellen zooals Jacques het mij verteld

heeft, moet ik nog eerst een pijp aansteken, die oude steenen pijp,

die Jacques mij gegeven heeft op den dag, dat de dokter hem het rooken

verboden had. Maar 's nachts, wanneer de broeder sliep, leende hij

zijn pijp van mij en vroeg me wat tabak: je verveelt je 's nachts

zoo in die groote zalen, wanneer je niet slapen kunt en pijn hebt.

"Een of twee trekjes maar!" zeide hij, en ik liet hem zijn gang

gaan en wanneer zuster Sainte-Géneviève de rondte deed, hield zij

zich alsof zij niet merkte, dat er gerookt werd. O, goede zuster,

wat waart ge goed en wat waart ge mooi, wanneer ge ons met wijwater

kwaamt besprenkelen! We zagen u reeds van verre aankomen, wanneer

ge zoo zacht liept onder de sombere gewelven in uw wijden witten

nonnesluier, welks mooie plooien Jacques zoo bewonderde. O, goede

zuster, gij waart de Beatrice [40] van dezen hel. Zoo zoet en zacht

klonken uw troostwoorden, dat we alleen klaagden, om door u getroost

te worden. Als mijn vriend Jacques niet gestorven was, zou hij voor

u een kleine Heilige Maagd gebeeldhouwd hebben, goede zuster Géneviève!

Eerste lezer: En waar blijft de mof nu? Ik zie er nog niets van.

Tweede lezer: En mademoiselle Francine dan?

Eerste lezer: Het is heelemaal geen vroolijk verhaal.

Tweede lezer: Je kunt niets zeggen, voor we het slot weten.

Ik vraag u wel vergiffenis, heeren, de pijp van mijn vriend is de

oorzaak van al deze afdwalingen. Overigens heb ik volstrekt niet

beloofd u te zullen laten lachen. Het gaat niet altijd vroolijk toe

in het bohème-leven.

Jacques en Francine hadden elkaar leeren kennen in een huis in de rue

de la Tour d'Auvergne, waarin zij in het begin van April gelijktijdig

waren komen wonen.

Eerst na acht dagen werden tusschen den kunstenaar en het jonge meisje

die buurpraatjes gewisseld, welke een noodzakelijk gevolg zijn van

het op dezelfde verdieping wonen; en toch kenden zij elkaar reeds, nog

voordat ze één woord gewisseld hadden. Francine wist, dat haar buurman

een arme tobberd van een kunstenaar was, en Jacques had gehoord, dat

zijn buurmeisje een naaistertje was, van huis weggeloopen, om zich

aan de slechte behandeling door haar stiefmoeder te onttrekken. Zij

deed wonderen van spaarzaamheid om er zich, zooals men dat noemt,

"door heen te slaan" en daar zij nooit genietingen had leeren kennen,

miste zij die niet en verlangde zij er niet naar.

De kennismaking had plaats op de volgende manier. Op een zekeren

Aprilavond kwam Jacques doodmoe, met een leege maag en in een heele

trieste stemming op zijn kamer. Het was een onbestemde triestheid,

die geen bepaalde reden heeft, die je overal en op ieder uur kan

overvallen--een soort apoplexie van het hart, waarvoor voornamelijk die

ongelukkigen, die alleen leven, vatbaar zijn. Jacques, die het in het

kleine kamertje benauwd kreeg, wierp het raam open, om versche lucht te

kunnen inademen. Het was een prachtige avond en de ondergaande zon spon

om de heuvels van Montmartre een droefgeestigen tooversluier. Jacques

bleef voor het raam zitten mijmeren en luisterde naar het koor der

gevederde lentezangers, die in de avondstilte zongen; en zijn trieste

stemming werd nog triester. Toen hij een raaf krassend voorbij zag

vliegen, dacht hij aan den tijd, waarin de raven brood brachten aan

Elia, den vromen kluizenaar, en maakte hij bij zichzelf de opmerking,

dat de raven thans niet zoo barmhartig meer zijn. Ten slotte kon hij

het niet langer uithouden, hij sloot zijn raam, trok het gordijn dicht

en stak, daar hij geen geld had, om olie te koopen, een harskaars aan,

die hij van een reis naar La Grande Chartreuse meegebracht had. En

in een steeds melancholieker stemming stopte hij zijn pijp.

"Gelukkig, dat ik nog zooveel tabak heb, dat ik het pistool door den

rook niet meer zal zien," mompelde hij en begon te rooken.

Mijn vriend Jacques moest dien avond wel heel droefgeestig zijn, dat

hij erover dacht "het pistool te omsluieren". Dat was zijn laatste

toevlucht in groote crisissen; en meestal lukte het hem wel. Het middel

bestond hierin: Jacques rookte tabak, waarop hij een paar druppels

laudanum gesprenkeld had, en hij rookte zoo lang, totdat de rookwolk,

die uit zijn pijp kwam, dik genoeg geworden was, om alle voorwerpen,

die in zijn kamertje waren, en met name een aan den muur hangend

pistool in een waas voor hem te hullen. Dat was een kwestie van een

pijp of tien. Wanneer het pistool geheel onzichtbaar geworden was,

sliep hij gewoonlijk door de gecombineerde werking van de tabak en

het laudanum in en meestal verliet zijn droefgeestigheid hem op den

drempel van zijn droomen.

Doch dien avond had Jacques al zijn tabak opgerookt en was het

pistool volkomen onzichtbaar geworden, en nog was hij steeds bitter

droefgeestig. Dien avond was daarentegen mademoiselle Francine

buitengewoon opgewekt, toen zij naar huis terugkeerde en evenmin

als Jacques' droefgeestigheid had Francine's opgewekte stemming

een bepaalde oorzaak: het was een vroolijkheid, die, om zoo te

zeggen, uit den hemel valt en die de goede God in goede harten doet

nederdalen. Kort en goed, mademoiselle Francine was dus vroolijk en

opgewekt en kwam zingend de trap op. Maar toen zij haar kamerdeur wilde

open maken, blies plotseling een rukwind, die door het openstaande

raam binnenkwam, haar kaars uit.

"Lieve Hemel, hoe vervelend!" riep het jonge meisje uit. "Nu moet ik

weer zes trappen op en af."

Toen zij echter in Jacques' kamer licht zag, gaf een instinct van

gemakzucht, geënt op een gevoel van nieuwsgierigheid, haar de gedachte

in den kunstenaar om licht te vragen. Dat zijn van die diensten,

die je elkaar onder verdiepingsgenooten dagelijks bewijst, dacht zij

bij zichzelf, en het is volstrekt niet compromitteerend. Dus klopte

zij tweemaal zacht op de deur van Jacques, die, een weinig verrast

over dit late bezoek, open ging doen. Doch nauwelijks had zij een

stap in de kamer gedaan, of de rook, die daarin hing, benam haar

den adem en zij viel, voordat zij nog een woord had kunnen zeggen,

bewusteloos op een stoel, waarbij zij haar sleutel en haar kaars

uit haar hand liet vallen. Het was middernacht, iedereen in huis

lag in diepe rust. Jacques vond het beter niet om hulp te roepen:

hij was bang daardoor zijn buurmeisje aan allerlei praatjes te zullen

blootstellen. Hij wierp dus slechts het raam open, om frissche lucht

binnen te laten; en toen hij het jonge meisje een paar druppels water

in het gezicht gesprenkeld had, zag hij, dat zij haar oogen opsloeg

en langzamerhand weer bijkwam. Toen zij na verloop van vijf minuten

weer geheel tot bewustzijn gekomen was, vertelde zij hem waarom zij

bij hem had aangeklopt en maakte zij hem haar excuses voor den last,

dien zij hem veroorzaakt had.

"Nu ik weer heelemaal beter ben," voegde zij eraan toe, "kan ik

weer naar mijn kamer". Hij had de deur geopend, toen zij bemerkte,

dat zij niet alleen vergat haar kaars aan te steken, maar ook dat

zij den sleutel van haar kamer niet had.

"Ik ben nog wat in den war," zeide zij, terwijl zij met haar blaker

naar de harskaars ging; "ik ben hier gekomen om licht te halen en nu

ga ik zonder weg."

Doch op hetzelfde oogenblik ging door de tocht, die ontstond door het

open gebleven zijn van de deur en van het raam, plotseling de kaars

uit en bevonden de twee jonge menschen zich in het donker.

"Je zoudt bijna gelooven, dat het expres gebeurt," zeide Francine. "Wat

vervelend, dat ik u zooveel overlast moet aandoen, maar zoudt u niet

zoo goed willen zijn om wat licht te maken, anders zal ik mijn sleutel

niet kunnen vinden."

"Zeker wel, mademoiselle," antwoordde Jacques en zocht tastend naar

lucifers.

Hij had ze al heel gauw gevonden. Plotseling echter kwam hij op een

eigenaardige gedachte; hij stak de lucifers in zijn zak en riep uit:

"Lieve hemel, al weer een nieuwe moeilijkheid, mademoiselle, ik heb

geen enkelen lucifer meer hier; ik heb den laatsten gebruikt, toen

ik thuis kwam."

"Een prachtig gevonden list," dacht hij bij zichzelf.

"Goede God!" riep Francine uit; "ik kan wel naar mijn kamer gaan--ik

zal daar niet in zeven slooten tegelijk loopen, maar om erin te komen,

moet ik mijn sleutel hebben. Ach mijnheer, help mij even zoeken,

hij moet op den grond liggen".

"Laten we maar even zoeken, mademoiselle," zeide Jacques.

En nu waren zij beiden in het donker naar het verloren schaap aan

het zoeken; maar alsof zij door hetzelfde instinct bestuurd werden,

ontmoetten hun handen, die op dezelfde plaats zochten, elkaar wel

tienmaal in de minuut. En daar zij beiden even onhandig waren, vonden

zij den sleutel niet.

"De maan is op het oogenblik door een wolk bedekt, maar schijnt

dadelijk vlak in mijn kamer," zeide Jacques. "Wacht u dus even. Straks

zal zij ons bij het zoeken helpen."

Om den tijd wat te bekorten, begonnen zij te praten. Een gesprek in

het donker, in een klein kamertje, in een lentenacht; een gesprek,

dat, in den beginne nietszeggend en onbeteekenend, langzamerhand

vertrouwelijker wordt ..... u weet, waarheen dat leidt. De zinnen

worden wat onsamenhangend en door veelzeggende pauzes onderbroken;

de stem wordt zachter; woorden wisselen af met zuchten. De handen,

die elkaar ontmoeten, vullen de gedachte aan, die uit het hart naar

de lippen stijgt, en .... Zoekt het slot maar in uw herinneringen,

jonge paartjes. Zoek het, jonge man, zoek het, jonge vrouw, zoekt

het gij, die vandaag arm in arm en hand in hand loopt en elkaar twee

dagen tevoren nog nooit gezien hadt.

Eindelijk kwam de maan achter de wolken te voorschijn en wierp haar

lichte stralen in het kamertje. Mademoiselle Francine werd wakker

als uit een droom en stiet een klein gilletje uit.

"Wat is er?" vroeg Jacques, die zijn armen om haar middel sloeg.

"Niets," mompelde Francine; "ik dacht, dat ik hoorde kloppen."

En zonder dat Jacques het merkte, schoof zij met haar voet den sleutel,

dien zij vlak bij zag liggen, onder een kast.

Zij wilde hem niet vinden.

Eerste Lezer: Ik zal dit verhaal mijn dochter zeker niet in handen

geven.

Tweede Lezer: Tot nog toe heb ik geen haar van Francine's mof gezien;

en wat het meisje zelf betreft, ik weet nog niet eens of zij bruin

of blond is.

Geduld lezers, geduld! Ik heb u een mof beloofd en ik zal u die ook

geven, zooals mijn vriend Jacques er een gegeven heeft aan zijn arm

vriendinnetje Francine, die, zooals ik hierboven door de puntjes heb

aangeduid, zijn maîtresse geworden was. Francine was blond, blond

en vroolijk, wat niet dikwijls voorkomt. Tot haar twintigste jaar

had zij de liefde niet gekend; maar een onbestemd voorgevoel van

haar naderend einde waarschuwde haar, dat zij zich moest haasten,

als zij die nog wilde leeren kennen.

Zij ontmoette Jacques en kreeg hem lief. Hun liaison duurde zes

maanden. In het voorjaar hadden zij elkaar gevonden; in het najaar

scheidden zij weer. Francine was een teringlijdster, zij wist het en

haar vriend Jacques wist het ook: veertien dagen nadat hij met Francine

was gaan samen wonen, had hij het gehoord van een van zijn vrienden,

die dokter was. Zij zou met het vallen der gele bladeren heengaan,

had hij gezegd.

Francine had die voorspelling gehoord en zag eveneens, hoe wanhopig

haar vriend daaronder was.

"Wat kunnen ons die gele bladeren schelen?" zeide zij met een

glimlach, waarin zij al haar liefde legde; "wat kan ons het najaar

schelen? Wij zijn in den zomer en de bladeren zijn groen: laten we

die niet ongebruikt voorbij laten gaan ..... En wanneer je ziet,

dat ik uit dit leven heengaan wil, neem me dan in je armen, kus me

en verbied me weg te gaan. Ik ben gehoorzaam, dat weet je; dus zal

ik bij je blijven!"

En zoo leefde dit bekoorlijke schepseltje vijf maanden lang met lachjes

en liedjes op haar lippen het moeilijke bohème-leven mede. Jacques

liet zich daardoor om den tuin leiden; zijn vriend zeide dikwijls tot

hem: "Francine gaat achteruit; zij moet goed verpleegd worden." Dan

liep Jacques heel Parijs af om geld te vinden voor de door den dokter

voorgeschreven geneesmiddelen, maar Francine wilde er niets van weten

en wierp ze het raam uit. Wanneer zij 's nachts een hoestaanval kreeg,

stond zij zachtjes op en ging naar de gang, uit vrees, dat Jacques

het anders hooren zou.

Toen zij op een goeden dag samen buiten waren, zag Jacques, dat er aan

de boomen gele bladeren begonnen te komen. Treurig keek hij Francine

aan, die langzaam en mijmerend naast hem liep.

Francine zag hem bleek worden en raadde de oorzaak ervan.

"Je lijkt wel niet goed wijs," zeide zij, terwijl zij hem een kus gaf;

"wij zijn pas in Juli; het is nog drie maanden voor October in het

land is: en wanneer wij, zooals wij dat doen, elkaar dag en nacht

liefhebben, dan verdubbelen we den tijd, dien we nog samen te leven

hebben. En wanneer ik mij met het vallen der gele bladeren erger voel

worden, dan gaan we in een dennenbosch wonen: daar zijn de bladeren

altijd groen."

In het begin van October moest Francine het bed blijven

houden. Jacques' vriend behandelde haar. Het kleine kamertje, waarin

zij woonden, lag op de bovenste verdieping van het huis en zag uit

op een binnenplaats, waarin een boom stond, welks bladerentooi met

den dag dunner werd. Jacques had een gordijn voor het raam gehangen,

om den boom voor het oog van de zieke te verbergen; maar Francine

stond erop, dat het weer weggenomen werd.

"Lieve jongen!" zeide zij tot Jacques; "ik zal je honderd maal meer

zoenen geven, dan de boom bladeren heeft .... En zij voegde eraan toe:

"Ik voel me trouwens veel beter .... Ik zal heel gauw weer uit kunnen

gaan, maar omdat het zoo koud is en ik geen winterhanden wil krijgen,

moet je een mof voor me koopen."

Gedurende den geheelen duur van haar ziekte was die mof haar eenige

wensch.

Den dag voor Allerheiligen was Jacques wanhopiger dan ooit. Francine

zag het en wilde hem wat moed geven, en om hem te bewijzen, dat het

werkelijk beter ging, stond zij op.

Juist op dat oogenblik kwam de dokter, die haar dwong onmiddellijk

weer naar bed te gaan.

"Jacques," fluisterde hij den artist in het oor; "wees sterk,

kerel! Het is afgeloopen .... Francine moet sterven."

Jacques smolt in tranen weg.

"Je kunt haar nu alles geven, wat zij vraagt; er is geen hoop meer."

Francine hoorde met haar oogen wat de dokter haar vriend toefluisterde.

"Geloof hem niet!" riep zij, terwijl zij haar armen naar Jacques

uitstrekte; "geloof hem niet, hij liegt. Morgen gaan we samen uit

.... dan is het Allerheiligen; het zal koud zijn, ga een mof voor me

koopen .... Ik heb zoo vreeselijk het land aan winterhanden."

Jacques wilde met zijn vriend weggaan; Francine echter vroeg den

dokter nog even te blijven.

"Ga jij de mof koopen, Jacques," zeide zij; "neem maar een goede,

dan duurt hij des te langer."

Toen zij met den dokter alleen was, zeide zij:

"O, dokter, ik ga sterven, ik weet het .... Maar geef mij, vòòr ik

heenga, nog een middel, dat mij voor één nacht mijn krachten teruggeeft

.... ik smeek u erom: maak mij nog één nacht mooi, dan wil ik gaarne

sterven, nu de goede God niet wil, dat ik nog langer leef."

Toen de dokter haar zoo goed mogelijk troostte, woei een windvlaag

door het openstaande raam een geel blad van den boom op de binnenplaats

op het bed der zieke.

Francine schoof het gordijn weg en zag, dat de boom heelemaal kaal was.

"Dat is het laatste," mompelde zij en legde het blad onder haar kussen.

"U zult morgen pas sterven," zeide de dokter tot haar; "u hebt nog

een nacht voor u."

"Wat een geluk!" zeide het jonge meisje. "Een winternacht .... die

duurt lang."

Jacques kwam met een mof terug.

"Wat een mooie!" zeide Francine; "als ik uitga, zal ik hem dragen."

Den nacht bracht zij in Jacques' armen door.

Den volgenden dag, Allerheiligen, trad met het kleppen van het

middag-angelus de doodstrijd in. Zij begon over haar geheele lichaam

te beven.

"Ik heb zulke koude handen," mompelde zij. "Geef me mijn mof."

En zij wikkelde haar magere handen in het bont ....

"Het is het einde," zeide de dokter tot Jacques; "geef haar een

afscheidskus."

Jacques drukte zijn lippen op die van zijn vriendinnetje. In het

laatste oogenblik wilden zij de mof wegnemen, maar krampachtig hield

zij die vast.

"Neen, neen!" zuchtte zij; "laat ik die houden; het is winter en zoo

koud ..... Mijn arme Jacques .... Mijn arme Jacques .... wat moet er

van je worden ... O, God!"

En den volgenden dag was Jacques alleen.

Eerste lezer: Ik heb wel gezegd, dat het geen vroolijk verhaal was!

Wat zal ik u zeggen, lezer? Men kan niet altijd lachen.

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 55 / 77 题