En dien avond hebt ge niet gegeten, Rodolphe; herinnert ge het u
nog? En ge zijt bij mij gekomen en hebt op mijn kamer een vuurwerk van
geestigheden afgestoken, die getuigden van de rust van uw ziel. Want ge
geloofdet, dat Lucile bij haar tante was, en indien ik u gezegd had,
dat zij bij mijnheer César of bij een comediant van den Montparnasse
was, dan zoudt ge me zeker naar de keel gevlogen hebben. In het vuur
ook dat andere briefje, dat geheel en al de laconische teederheid
van het eerste ademt:
"Ik ga laarzen bestellen; je moet beslist zorgen, dat je geld krijgt,
zoodat ik ze overmorgen kan gaan halen."
O, vriendlief, die laarzen hebben heel wat contredansen gedanst,
waarin gij haar vis-à-vis niet waart!
Aan het vuur die herinneringen, aan de winden haar asch prijsgeven!
Maar Rodolphe, grijp, uit liefde voor de menschheid en ter wille van
den roem van de Echarpe d'Iris en van den Castor, weer met vaste
hand de teugels van den goeden smaak, die ge in uw zelfzuchtige
smart slap hebt laten hangen; anders zouden de vreeselijkste dingen,
waarvoor gij verantwoordelijk zoudt zijn, kunnen gebeuren. Wij zouden
weer terugkeeren tot de pofmouwen en de klepbroeken en wij zouden op
een goeden dag misschien weer hoeden in de mode zien komen, die het
heelal beleedigen en den toorn des hemels op ons laden zouden.
En nu is dan het oogenblik gekomen, om de liefdesgeschiedenis van onzen
vriend Rodolphe en mademoiselle Lucile, meer bekend als mademoiselle
Mimi, te vertellen.
Midden in zijn vier-en-twintigste levensjaar werd Rodolphe plotseling
aangegrepen door dien hartstocht, welke zoo'n grooten invloed op
zijn leven had. In den tijd, dat hij Mimi voor het eerst ontmoette,
leidde Rodolphe dat bewogen en fantastische leven, dat wij in de
vorige tooneelen van deze serie hebben trachten te beschrijven. Hij
was ongetwijfeld een der vroolijkste armoedzaaiers, die ooit in het
land der bohémiens geleefd hebben. Wanneer hij een slecht middagmaal
gebruikt en een goede aardigheid getapt had, dan liep hij trotscher
op het plaveisel, dat hem dikwijls tot hoofdkussen diende, trotscher
in zijn versleten rok, die uit alle naden om genade smeekte, dan een
keizer in zijn purperen mantel. In den vriendenkring, waarin Rodolphe
verkeerde, deed men ten gevolge van een geblaseerdheid, die aan sommige
jonge mannen eigen is, net alsof men de liefde als een luxe-artikel,
als een voorwendsel voor platte grappen beschouwde. Gustave Colline,
die sedert lang intieme relaties onderhield met een vestenmaakster,
welke hij naar lichaam en geest mismaakt had door haar dag en nacht de
manuscripten van zijn wijsgeerige werken te laten copieeren, beweerde,
dat de liefde een soort purgeermiddel was, geschikt om ieder nieuw
jaargetijde in te nemen, ten einde de slechte lichaamsvochten te
verwijderen. Te midden van al die valsche sceptici was Rodolphe de
eenige, die met een zekeren eerbied over de liefde placht te spreken;
en wanneer men het ongeluk had om met hem over dat thema te beginnen,
dan was hij in staat om meer dan een uur lang elegieën te kirren over
het geluk bemind te worden, over het blauw van het vredige meer, het
suizen van den wind, het concert der sterren enz. enz. Schaunard had
hem naar aanleiding daarvan den bijnaam Harmonika gegeven, terwijl
Marcel een heel aardig woord verzonnen had, waarin hij een toespeling
maakte zoowel op de Germaansch-sentimenteele ontboezemingen als op
de vroegtijdige kaalheid van Rodolphe; hij noemde hem n.l. myosotis
calva, d.i. het kale vergeet-mij-nietje. De waarheid was echter,
dat toentertijd Rodolphe in allen ernst geloofde met alle dingen
van jeugd en liefde afgerekend te hebben; hij zong overmoedig het De
profundis over zijn hart, dat hij dood waande, terwijl het slechts
sliep en gereed was ieder oogenblik te ontwaken, toegankelijker dan
ooit voor vreugde en ontvankelijker dan ooit voor die zoete smarten,
waarop hij niet meer hoopte en die hem nu wanhopig maakten. Gij hebt
het gewild, Rodolphe, en wij zullen u niet beklagen, want de smart,
waaraan gij lijdt, behoort tot die, welke men het meest terugwenscht,
vooral wanneer men weet, dat men er voor goed van genezen is.
Rodolphe dan ontmoette de jonge Mimi, die hij trouwens vroeger, toen
zij nog de maîtresse van een zijner vrienden was, gekend had, en maakte
haar tot de zijne. In den beginne was het een luid gebrom van afkeuring
onder Rodolphe's vrienden, toen zij van zijn liaison hoorden, maar
daar mademoiselle Mimi een zeer innemend persoontje was, volstrekt
niet preutsch, en, zonder hoofdpijn te krijgen, hun tabaksrook en
litteraire gesprekken kon verdragen, raakte men al spoedig aan haar
gewend en behandelde haar als een kameraad. Mimi was een bekoorlijk en
mooi wezentje, dat de plastieke en poëtische sympathieën van Rodolphe
op bijzondere wijze bevredigde. Zij telde toen twee-en-twintig zomers,
was klein, tenger gebouwd en grappig-ondeugend. Haar gelaat had iets
aristocratisch, haar trekken echter, die buitengewoon fijn waren
en door den glans van haar vochtig-blauwe oogen als het ware met
een zacht licht overgoten werden, konden in sommige oogenblikken van
verveling of slecht humeur een uitdrukking van een bijna beestachtige
woestheid krijgen, waarin een physioloog misschien de aanwijzing
gezien zou hebben van een grenzenlooze zelfzucht of van een groote
ongevoeligheid. Maar meestal was het een charmant kopje met een jong,
frisch lachje en oogen, die nu eens smachtend, dan weer veroverend
coquet iemand aankeken. Het bloed der jeugd stroomde warm en snel door
haar aderen en kleurde haar doorzichtige, als camelia's zoo blanke huid
met rozenroode tinten. Die ziekelijke schoonheid bekoorde Rodolphe,
dikwijls kroonde hij 's nachts uren lang steeds weer met kussen het
bleeke voorhoofd van zijn geliefde, wier vochtige en moede oogen,
half geopend, schitterden onder den gordijn van haar prachtige,
bruine haren. Maar vooral haar handen, die zij niettegenstaande
de zorgen voor het huishouden, blanker wist te houden dan wanneer
zij de godin van het dolce far niente in eigen persoon geweest was,
maakten Rodolphe waanzinnig op haar verliefd. En toch zouden die zoo
teere en kleine handen, die voor de liefkoozingen van een lip zoo
zachte kinderhanden, waarin Rodolphe zijn opnieuw bloeiend hart had
nedergelegd, toch zouden die blanke handen van Mimi spoedig het hart
van den dichter met haar rose nageltjes verminken.
Na verloop van een maand begon Rodolphe te merken, dat hij een liaison
gesloten had met een stormwind en dat zijn maîtresse een groot gebrek
had. Zij ging n.l. gaarne op buurbezoek en bracht een groot gedeelte
van haar tijd door bij de maintenées uit de buurt, waarmede zij, God
weet hoe, kennis gemaakt had. En al heel spoedig werden de gevolgen
merkbaar, waarvoor Rodolphe gevreesd had, toen hij van de nieuwe
"kennissen" van zijn maîtresse hoorde. De onbestendige rijkdom van
sommige dier nieuwe vriendinnen had een geheel woud van begeerten
doen ontstaan in den geest van Mimi, die tot op dat oogenblik slechts
bescheiden eischen gehad had en met het noodzakelijke, dat Rodolphe
haar naar zijn beste krachten gaf, tevreden geweest was. Mimi begon te
droomen van zijde, fluweel en kant. En niettegenstaande Rodolphe het
haar verbood, bleef zij omgaan met die vrouwen, die haar éénstemmig
trachtten te overreden te breken met den bohémien, die haar zelfs
geen honderdvijftig francs kon geven voor een lakensche japon.
"Een zoo knap meisje als jij," zeiden haar raadgeefsters haar,
"kan makkelijk een betere "positie" vinden. Je behoeft maar te zoeken."
En mademoiselle Mimi begon te zoeken. Rodolphe, die deze menigvuldige
en onhandig gemotiveerde uitgangen met leede oogen aanzag, begon nu
den smartelijken weg van argwaan en vermoedens in te slaan. Maar
zoodra hij weer een nieuw bewijs van ontrouw op het spoor meende
te zijn, bond hij steeds weer stevig een doek voor zijn oogen, om
toch maar niets te zien, want niettegenstaande alles bleef hij Mimi
aanbidden. Hij koesterde voor haar een jaloersche, phantastische,
twistzieke liefde, die de jonge vrouw niet begreep, omdat zij toen
voor Rodolphe nog slechts die lauwe genegenheid voelde, welke uit het
dagelijksche samenzijn voortspruit. En bovendien was de eene helft
van haar hart reeds verbruikt ten tijde van haar eerste liefde en
was de andere helft nog vol herinnering aan haar eersten minnaar.
Zoo verliepen acht maanden van afwisselend goede en slechte
dagen. Gedurende dien tijd stond Rodolphe wel twintigmaal op het
punt met Mimi te breken, die hem met alle uitgezochte wreedheden,
waarover een vrouw zonder liefde beschikt, kwelde. Eerlijk gezegd
was dit bestaan voor beiden een hel geworden. Maar Rodolphe had zich
aan die dagelijksche twisten vrijwel gewend en vreesde niets zoozeer
als het einde van dien toestand, omdat hij begreep, dat daarmede
tevens voor goed een einde zou komen aan die opbruisingen van zijn
jeugdig bloed en aan al de gemoedsbewegingen, die hij in zoo langen
tijd niet meer gekend had. En dan waren er, om de waarheid niet te
kort te doen, ook uren, waarin mademoiselle Mimi allen argwaan uit
Rodolphe's door booze vermoedens verscheurd hart wist te verjagen. Er
waren oogenblikken, waarin deze dichter, die door haar zijn verloren
poëzie had teruggevonden, aan wien zij zijn jeugd teruggegeven had,
die dank zij haar weer onder den aequator der liefde was doorgegaan,
als een kind aan haar knieën nederknielde onder de betoovering van
haar blauwen blik. Twee of driemaal per maand staakten Rodolphe en
Mimi hun stormachtige twisten, om zich te verkwikken in de frissche
oase van een liefdesnacht en liefdesgesprekken. Dan nam Rodolphe het
glimlachende en opgewekte kopje van zijn vriendinnetje in zijn armen
en sprak tot haar uren lang die bewonderenswaardige en dwaze taal,
welke de hartstocht in uren van passie improviseert. In den beginne
luisterde Mimi kalm, meer verbaasd dan ontroerd, maar langzamerhand
sleepte de geestdriftige welsprekendheid, die beurtelings teeder,
vroolijk en melancholiek was, ook haar mede. Zij voelde bij het
contact van die liefde, het ijs der onverschilligheid, dat haar hart
deed verstijven, smelten; koortsachtige begeerten begonnen haar dan
te doortrillen, en zij sloeg haar armen om zijn hals en zeide hem in
kussen alles wat zij niet in woorden zou hebben kunnen uitdrukken. En
zoo verraste hen dan het morgenrood, oog in oog, hand in hand, borst
aan borst, terwijl hun vochtige, van hartstocht brandende lippen nog
steeds het onsterfelijke woord mompelden:
"Qui depuis cinq mille ans,
Se suspend chaque nuit aux lèvres des amants."
Doch den volgenden dag ontstond uit een nietige aanleiding weer een
twist en vluchtte de liefde, verschrikt, weer voor langen tijd.
Eindelijk en ten laatste merkte Rodolphe, dat, als hij niet oppaste,
de blanke handen van mademoiselle Mimi hem naar een afgrond zouden
voeren, waarin hij zijn toekomst en zijn jeugd zou zien verdwijnen. Een
oogenblik sprak de strenge logica in hem krachtiger dan de liefde,
en hij overtuigde zichzelf door prachtige, op bewijzen steunende
redeneeringen, dat zijn vriendinnetje hem niet lief had. Hij hield
zich zelfs voor, dat de uren van liefde, die zij hem toestond,
niets anders waren dan zinnelijke caprices, die getrouwde vrouwen
voor haar mannen voelen, wanneer zij een nieuwe sjaal of een nieuwe
japon willen hebben, of wanneer haar minnaar ver van haar weg is,
wat als het ware een pendant is van het spreekwoord: "Bij gebrek
aan brood eet men korstjes van pasteien." Om kort te gaan, Rodolphe
kon zijn vriendinnetje alles vergeven behalve dat zij hem niet lief
had. Hij nam dus een kloek besluit en zeide tegen mademoiselle Mimi,
dat zij naar een anderen minnaar moest uitzien. Mimi begon te lachen
en nam een uitdagende houding aan. Toen zij echter eindelijk inzag,
dat Rodolphe bij zijn besluit bleef en haar heel kalm ontving, toen
zij na een afwezigheid van vier-en-twintig uur weer terugkwam, begon
toch die vastberadenheid, waaraan zij niet gewend was, haar ongerust te
maken. Zij was nu twee of drie dagen lang de lieftalligheid zelve. Maar
Rodolphe bleef bij wat hij gezegd had en vergenoegde zich te vragen,
of zij al een ander gevonden had.
"Ik heb nog niet eens gezocht," was haar antwoord.
Zij had echter wel gezocht, en wel reeds voordat Rodolphe het haar
aangeraden had. In een tijdsverloop van veertien dagen had zij twee
pogingen gedaan. Een van haar vriendinnen had haar geholpen en haar
in kennis gebracht met een manlijken bakvisch, die voor Mimi's oogen
een horizont van Indische sjaals en palissandermeubelen had laten
schitteren. Maar volgens het oordeel van Mimi zelf was de jonge
student, die misschien heel sterk in algebra was, op het gebied der
liefde nog een leek; en daar Mimi absoluut geen opvoedkundige neigingen
had, liet zij haar verliefden novitius zitten met zijn sjaals, die nog
in de weiden van Tibet graasden, en met de palissanderhouten meubelen,
die in de Amerikaansche oerwouden nog in blad stonden.
De student werd al heel spoedig vervangen door een Bretonschen edelman,
waarop zij bliksemsnel verliefd raakte, en dien zij niet lang behoefde
te smeeken haar tot gravin te verheffen.
Niettegenstaande de protesten van zijn maîtresse had Rodolphe toch
lucht van de een of andere intrigue gekregen; hij wilde precies weten
waar hij aan toe was; en op een goeden morgen ging hij, na een nacht,
dat mademoiselle Mimi niet thuis gekomen was, naar een plaats, waar hij
vermoedde, dat zij zijn zou. Hier had hij volop gelegenheid zich een
van die bewijzen, waaraan men nolens volens gelooven moet, diep in het
hart te boren. Hij zag Mimi met door een aureool van wellust omkringde
oogen aan den arm van haar nieuwen heer en meester het huis verlaten,
waarin zij tot den adelstand verheven was. Haar nieuwe minnaar scheen
echter heel wat minder trotsch op zijn nieuwe verovering dan Paris,
de mooie Grieksche herder, na de schaking van de schoone Helena.
Mademoiselle Mimi scheen eenigszins verrast, toen zij Rodolphe zag
aankomen. Zij ging naar hem toe en zij spraken gedurende een minuut
of vijf heel kalm met elkaar. Dan namen zij afscheid, om ieder huns
weegs te gaan. De breuk was definitief.
Rodolphe keerde dadelijk naar huis terug en bracht den geheelen dag
door met het in pakjes bijeenpakken van alle dingen, die aan zijn
maîtresse toebehoorden.
In den loop van den dag na de "echtscheiding" kreeg Rodolphe bezoek
van verscheidene van zijn vrienden en vertelde hun wat er voorgevallen
was. Allen feliciteerden hem met die gebeurtenis als met een groot
geluk.
"Wij zullen u helpen, o dichter," zeide een van hen, die meermalen
getuige geweest was van de kwellingen welke mademoiselle Mimi Rodolphe
had laten verduren, "wij zullen u helpen om uw hart uit de handen van
dat ellendige schepsel te bevrijden. En binnen korten tijd zult gij
genezen zijn en weer verlangen met een andere Mimi te dwalen over de
groene paden van Aulnay en Fontenay-aux-Roses."
Rodolphe bezwoer, dat het nu voor goed uit was met zijn wroeging
en wanhoop. Hij liet zich zelfs overhalen mede te gaan naar het
bal Mabille, waar zijn veronachtzaamde kleeding al heel slecht de
Echarpe d'Iris vertegenwoordigde, die hem vrijen toegang tot dezen
tuin van galanterie en genot verschafte. Daar ontmoette Rodolphe weer
andere vrienden, met wie hij begon te drinken. Hij vertelde hun zijn
ongeluk met een ongehoorde overdaad van bizarre wendingen en woorden
en gedurende een uur sprak hij met een hartstocht en een vuur, die
de anderen stil maakten.
"Helaas, helaas!" zeide de schilder Marcel, toen hij den regen van
ironie hoorde, die van de lippen van zijn vriend stroomde, "Rodolphe
is te vroolijk."
"Hij is charmant!" antwoordde een jonge vrouw, aan wie Rodolphe een
ruikertje bloemen aangeboden had, "en hoewel zijn kleeding nu niet
bepaald schitterend is, zou ik mij graag compromitteeren door met
hem te dansen, als hij mij vragen zou."
Twee seconden later stond Rodolphe, die deze woorden gehoord had,
voor haar en noodigde haar ten dans, wat dankbaar werd aanvaard.
Rodolphe kende van de eerste grondbeginselen der dans evenveel als
van den regel van drieën. Doch bezield door een buitengewonen moed,
aarzelde hij niet zich in het dansgewoel te storten en improviseerde
een dans, die aan alle vroegere choreographieën onbekend geweest
was. Men noemt haar den pas des regrets et soupirs (dans der tranen
en zuchten) en haar originaliteit verschafte haar een ongelooflijk
succes. De drieduizend gasvlammen mochten vrij haar vurige tongen
naar hem uitsteken, als om hem te bespotten, Rodolphe bleef steeds
doordansen en wierp onophoudelijk zijn danseres handenvol nog
onuitgegeven galanterieën in het gelaat.
"Het is waarachtig bijna niet te gelooven," zeide Marcel, "Rodolphe
doet me denken aan een dronken man, die op gebroken glazen danst."
"Intusschen heeft hij een heele knappe vrouw aan den haak geslagen,"
zeide een andere, die Rodolphe met zijn danseres zag weggaan.
"Je neemt niet eens afscheid van ons!" riep Marcel tegen hem.
Rodolphe ging weer naar den artist terug en stak hem zijn hand toe;
die hand was koud en klam als vochtig marmer.
Rodolphe's danseres was een krachtige dochter van Normandië, een
opgewekte en levenslustige natuur, wier aangeboren onbeholpenheid te
midden van de elegance en de luxe van het Parijsche bestaan en een
lui leventje, al heel spoedig plaats gemaakt had voor aristocratische
vormen. Zij liet zich madame Séraphine of iets van dien aard noemen en
was op dat oogenblik de maîtresse van een door rheumatiek geplaagden
pair de France, die haar maandelijks vijftig louis gaf, welke zij
deelde met een elleridder, die haar niets dan slaag gaf. Rodolphe
was in haar smaak gevallen; zij hoopte, dat hij haar niets zou geven,
en nam hem mee naar huis.
"Lucile," zeide zij tot haar kamenier; "ik ben vanavond voor niemand
te spreken."
En na even in haar toiletkamer geweest te zijn, kwam zij na vijf
minuten in een speciaal kostuum terug. Zij vond Rodolphe onbeweeglijk
en zwijgend in de kamer staan, want sedert hij daar binnen was,
had hij zich verdiept in een duisternis vol stille snikken.
"U kijkt mij niet meer aan, je spreekt niet tegen me," zeide Séraphine
verwonderd.
"Kom," zeide Rodolphe tot zich zelf en keek op, "laat ik naar haar
kijken, maar alleen uit een oogpunt van kunst!"
Et quel spectacle, alors, vint s'offrir à ses yeux! zooals Raoul in
de Hugenooten zingt.
Séraphine was bewonderenswaardig mooi. Haar prachtige vormen, die
door de coupe van haar kleed zeer voordeelig uitkwamen, schemerden
uitdagend en verleidelijk door het half doorzichtige weefsel. In
Rodolphe's aderen begon het bloed van koortsachtig verlangen onstuimig
te kloppen. Een gloeiende nevel steeg hem naar het hoofd. Hij zag
Séraphine nu reeds met andere oogen dan die van een kunstkenner aan en
nam de handen van het mooie meisje in de zijne. Het waren sublieme
handen, als het ware gebeeldhouwd met den zuiversten beitel der
Grieksche sculptuur. Rodolphe voelde die bewonderenswaardige handen
in de zijne beven; en hoe langer hoe minder kunstcriticus wordend,
drukte hij Séraphine tegen zich aan, wier wangen zich kleurden met
den blos, dien men het morgenrood der wellust zou kunnen noemen.
"Dit schepsel is werkelijk een instrument der wellust, een
liefde-stradivarius, waarop ik gaarne een lied zou willen spelen,"
dacht Rodolphe, toen hij het hart der schoone zeer duidelijk een
stormaanval hoorde slaan.
Op dat oogenblik werd er hard aan de bel getrokken.
"Lucile, Lucile!" riep Séraphine tegen haar kamenier; "doe niet open,
zeg, dat ik nog niet thuis ben."
Bij den tweemaal uitgesproken naam Lucile stond Rodolphe op.
"Ik wil u op geen enkele wijze in ongelegenheid brengen, mevrouw,"
zeide hij. "Trouwens het wordt mijn tijd, het is al laat en ik woon
ver weg. Goeden nacht!"
"Wat, wilt u weg?" riep Séraphine uit, en liet haar oogen snelvuur
geven; "waarom gaat u weg, waarom? Ik ben vrij; u kunt blijven."
"Onmogelijk, mevrouw," antwoordde Rodolphe. "Ik verwacht vanavond
een van mijn familieleden uit Vuurland, en die zou me zeker onterven,
als hij mij niet thuis vond, om hem behoorlijk te ontvangen. Goeden
nacht, mevrouw!"
En hij snelde weg. De kamenier lichtte hem bij en Rodolphe keek haar
toevallig in het gezicht. Het was een jong tenger meisje met sleependen
gang; haar bleek gezichtje vormde een bekoorlijke tegenstelling met
het van nature golvende, zwarte haar; haar blauwe oogen geleken op
twee zwakke sterren.
"O, spookgestalte!" riep Rodolphe uit en week terug voor haar, die
den naam en het gezicht van zijn vriendinnetje had. "Terug! Wat wilt
ge van mij?"
En hij stormde de trap af.
"Maar mevrouw!" zeide de kamenier, toen zij weer bij haar meesteres
terugkwam, "bij dien jongen man is er één van de vijf op den loop!"
"Zeg liever, dat hij een groote stommeling is!" antwoordde Séraphine
woedend. "Enfin een goede leer voor een volgende keer! Als die stomme
Léon nu maar zoo verstandig was dadelijk te komen!"
Léon was de elleridder, die in zijn liefde-blazoen een zweep voerde.
Rodolphe liep zoo hard als zijn beenen hem dragen konden, naar
huis. Toen hij de trap opging, hoorde hij zijn rooden kater klagende
zuchten uitstooten. Twee nachten lang riep hij zoo reeds vergeefs naar
zijn ontrouwe schoone, een angora-Manon Lescaut, die op de daken in
de buurt op galante avonturen uit was.
"Arm dier," zeide Rodolphe; "ook jij bent bedrogen; jouw Mimi heeft
je al even leelijke poetsen gebakken als de mijne mij. Maar laten
we ons troosten. Het hart van vrouwen en van katten is een afgrond,
dien mannen en katers nooit zullen kunnen peilen."
Toen hij zijn kamer binnentrad, had hij, niettegenstaande de drukkende
hitte, een gevoel, alsof er een ijsmantel om zijn schouders gelegd
werd. Het was de koude der eenzaamheid, de vreeselijke eenzaamheid
van den nacht, die door niets gestoord werd. Hij stak zijn kaars aan
en zag bij het licht daarvan de kale kamer. Uit de kasten staken de
ledige laden, en van den zolder tot den grond vulde een eindelooze
triestheid deze kleine kamer, die aan Rodolphe grooter dan een woestijn
scheen. Al voortloopend stiet zijn voet tegen de pakjes, die Mimi's
eigendommen bevatten, en een gevoel van blijdschap doorstroomde hem,
toen hij zag, dat zij ze nog niet was komen halen, wat zij volgens
afspraak dien ochtend zou hebben gedaan. Rodolphe voelde, hoe hij
er zich ook tegen verzette, het uur der reactie naderen, en hij
voorzag heel goed, dat hij zijn uitgelatenheid van dien avond met een
afschuwelijken nacht zou moeten boeten. Toch had hij nog eenige hoop,
dat zijn door en door vermoeid lichaam zou slapen vòòr de smart,
die hij zoo lang in zijn binnenste had onderdrukt, ontwaken zou.
Toen hij echter het bed naderde en de gordijnen open sloeg, voelde hij
bij den aanblik van deze legerstede, die in twee dagen niet aangeraakt
was, en van de beide naast elkaar liggende kussens, onder een waarvan
nog het kanten borduursel van een nachtmutsje te voorschijn kwam,
zijn hart samenpersen in de onontkoombare schroef van die doffe smart,
welke zich niet uiten kan. Hij viel neer voor het bed, drukte zijn
voorhoofd in zijn handen, en riep, na een smartelijken blik in de
eenzame kamer geworpen te hebben, uit:
"Mimi, kleine Mimi, vreugde van mijn huis, ben je werkelijk heengegaan,
heb ik je werkelijk weggezonden, zal ik je nooit meer terugzien? O
God! O, gij lief, bruin kopje, dat zoo lang op deze plaats geslapen
hebt, zult gij niet meer terugkomen, om er weer te slapen? O, gij
grillige stem, wier liefdesgefluister me in verrukking bracht en
wier booze tonen als muziek klonken, zal ik je niet meer hooren? En
gij kleine, blanke, blauwdooraderde handjes, waarop ik zoo dikwijls
mijn heete lippen drukte, o, gij kleine, blanke handen, hebt gij mijn
laatsten kus ontvangen?"
En Rodolphe drukte als in koortswaanzin zijn hoofd in de kussens,
waaruit nog steeds de geur van het haar van zijn vriendinnetje
opsteeg. Van achter uit het alkoof meende hij de spookgestalte
van de heerlijke nachten, die hij met zijn jonge maîtresse daar had
doorgebracht, te zien opdoemen. Helder en duidelijk hoorde hij Mimi's
frisschen lach nog klinken door de nachtelijke stilte, en hij dacht
verlangend terug aan die betooverende, aanstekelijke vroolijkheid,
waarmede zij hem zoo dikwijls de zorgen en ellenden van hun aan
wisselvalligheden zoo rijk bestaan had doen vergeten.
Gedurende dien geheelen langen nacht liet hij de acht maanden de
revue passeeren, welke hij met de jonge vrouw doorleefd had, die hem
misschien nooit lief gehad had, maar wier gelogen teederheid toch
aan zijn hart zijn jeugd en manlijke kracht had teruggegeven.
Het grauwe ochtendlicht verraste hem, toen hij, door moeheid
overmeesterd, zijn oogen, rood door de in den nacht gestorte tranen,
gesloten had. Een smartelijke en vreeselijke nacht, zooals zelfs de
meest spottende sceptici onder ons meer dan eens doorwaakt hebben.
Toen 's ochtends zijn vrienden bij hem binnenkwamen, schrikten zij
bij het zien van Rodolphe, wiens gelaat nog de duidelijkste sporen
droeg van al de benauwdheden, die hem gedurende zijn nachtwake op
den Olijfberg der liefde gekweld hadden.
"Dat wist ik vooruit wel," zeide Marcel; "zijn vroolijkheid van
gisteravond is hem op het hart geslagen. Maar dat mag niet zoo
blijven voortgaan."
En in overleg met twee of drie vrienden begon hij over mademoiselle
Mimi een groot aantal indiscrete onthullingen te vertellen, waarvan
ieder woord als een doorn in Rodolphe's hart drong. Zijn vrienden
bewezen hem zonneklaar, dat zijn maîtresse hem steeds en overal,
binnen- en buitenshuis, bedrogen had alsof hij een sul was, en dat dit
als de engel der tering zoo bleeke schepsel slechts een juweelkistje
was van lage gevoelens en verdorven instincten.
De vrienden wisselden elkaar af in de taak, die zij op zich genomen
hadden en waarvan het doel was Rodolphe tot het punt te brengen, waarop
de liefde overgaat in verachting; doch dat doel werd slechts voor de
helft bereikt. De wanhoop van den dichter veranderde in toorn. Woedend
wierp hij zich op de pakjes, die hij den vorigen dag gereed gemaakt
had; en nadat hij alle voorwerpen, die reeds Mimi's eigendom waren
bij haar komst, op zijde gelegd had, hield hij alles wat hij haar
gedurende hun liaison gegeven had, achter, d.w.z. het grootste gedeelte
en voornamelijk de toiletartikelen, waaraan zij met alle vezels van
haar in den laatsten tijd onverzadigbaar geworden behaagzucht hing.
In den loop van den volgenden dag kwam Mimi haar "boeltje"
halen. Rodolphe was thuis en alleen. Hij moest op dat oogenblik al
zijn zelfrespect te hulp roepen, om zijn maîtresse niet om de hals
te vallen. Hij ontving haar met zwijgende, stille beleedigingen,
welke zij met dien kouden scherpen toon beantwoordde, die zelfs de
zwakste en meest bedeesde naturen buiten zich zelf doet geraken. Bij
de minachting, waarmede Mimi hem op hardnekkig-brutale wijze geeselde,
barstte Rodolphe's toorn woest en angstaanjagend los, zoodat Mimi,
bleek van vrees, zich een oogenblik afvroeg, of zij levend uit zijn
handen zou komen. Op haar angstkreten snelden eenige medebewoners
toe en trokken haar uit Rodolphe's kamer.
Twee dagen later kwam een vriendin van Mimi Rodolphe vragen of hij
Mimi's "boeltje" wilde teruggeven.
"Neen," antwoordde Rodolphe.
Dan wist hij de afgezante van zijn maîtresse aan het praten
te krijgen. Zij vertelde hem, dat Mimi zich in uiterst benarde
omstandigheden bevond en dat het niet lang meer zou duren, of zij
had geen dak meer boven haar hoofd.
"En haar geliefde, waar zij zoo dol op is?"
"Maar die jonge man heeft volstrekt geen plan haar tot maîtresse te
nemen," antwoordde Amélie. "Hij heeft er al lang een en hij schijnt
zich van Mimi, die nu zoo lang bij mij is en mij erg in verlegenheid
brengt, niets aan te trekken."
"Zij moet maar zien, hoe zij het klaar speelt," zeide Rodolphe;
"zij heeft het zelf zoo gewild; de zaak gaat mij niet langer aan."
En hij begon mademoiselle Amélie het hof te maken en verzekerde haar,
dat zij het mooiste meisje op aarde was.
Amélie vertelde Mimi van haar bezoek aan Rodolphe.
"Wat zegt hij? Wat doet hij?" vroeg Mimi. "Heeft hij over mij
gesproken?"
"Geen woord. Hij heeft je reeds heelemaal vergeten. Rodolphe heeft
al een nieuw liefje en hij heeft voor haar een prachtig toilet
gekocht, want hij heeft veel geld gekregen, en ziet er zelf uit als
een prins. Het is een heel aardig iemand en hij zelf heeft mij heel
vleiende complimentjes gemaakt."
"Ik zal er wel achter komen wat dat allemaal beteekent," dacht Mimi.
Dagelijks ging mademoiselle Amélie nu onder een of ander voorwendsel
naar Rodolphe, die, men kon het draaien hoe men wilde, steeds weer
over Mimi begon.
"Zij is erg vroolijk," antwoordde de vriendin, "en schijnt zich al
heel weinig van haar toestand aan te trekken. Overigens beweert zij,
dat zij weer bij je terug kan komen, wanneer zij maar wil, zonder
eenige tegemoetkoming van haar kant, en alleen maar om je vrienden
woedend te maken."
"Het is goed," zeide Rodolphe; "laat ze maar komen dan zullen we
verder zien."
En hij begon Amélie weer het hof te maken, die alles dadelijk aan
Mimi ging overbrieven en verzekerde, dat Rodolphe "smoor" op haar was.
"Hij heeft mijn handen en mijn pols gezoend," zeide zij; "kijk maar,
ze zijn er nog rood van. Hij wil me morgen meenemen naar het bal."
"Maar beste meid," zeide Mimi gepiqueerd, "ik begrijp heel goed,
waar je heen wilt. Je wilt me wijs maken, dat Rodolphe verliefd op
je is en niet meer aan mij denkt. Maar je verspilt je tijd, zoowel
bij hem als bij mij."
Inderdaad was Rodolphe alleen maar zoo vriendelijk tegen Amélie,
om haar dikwijls bij zich te lokken, waardoor hij de gelegenheid had
met haar over zijn maîtresse te spreken; doch met een macchiavellisme,
dat misschien een welbewust doel had, deed Amélie, die zeer goed inzag,
dat Rodolphe nog steeds van Mimi hield, en dat deze er volstrekt niet
ongeneigd toe was weer naar hem terug te gaan, al haar best om door
handig verzonnen berichten alles te vermijden, wat de twee geliefden
weer tot elkaar zou kunnen brengen.
Den dag, waarop zij naar het bal zou gaan, ging Amélie in den ochtend
aan Rodolphe vragen, of de afspraak zoo bleef.
"Zeker", antwoordde hij haar, "ik zou de gelegenheid, om de cavalier
van de mooiste vrouw van onzen tegenwoordigen tijd te zijn, niet
gaarne verzuimen."
Amélie zette hetzelfde coquette gezicht, dat zij den avond van haar
eenig debuut in een voorstadschouwburg in de rol van een soubrette
van den vierden rang getrokken had, en beloofde op het afgesproken
uur klaar te zijn.
"A propos," zeide Rodolphe, "zeg aan mademoiselle Mimi, dat ik haar
al haar zaakjes zal teruggeven, wanneer zij ter wille van mij haar
minnaar eens voor een nacht ontrouw wil worden."
Amélie bracht de boodschap over, doch gaf aan zijn woorden een geheel
andere beteekenis dan die, welke zij erin geraden had.
"Jouw Rodolphe is een ignobele kerel," zeide zij tegen Mimi; "zijn
voorstel is een schande. Hij wil je door dien stap vernederen tot
den rang der laagste deernen; en indien je naar hem toe gaat, zal
hij je niet alleen je boeltje teruggeven, maar je bovendien de risée
maken van al zijn vrienden; dat is een samenzwering, die ze onderling
gesmeed hebben."
"Ik ben niet van plan te gaan," zeide Mimi en vroeg, toen ze zag,
dat Amélie bezig was toilet te maken, of zij naar het bal ging.
"Ja", antwoordde de ander.
"Met Rodolphe?"
"Ja, hij zal me vanavond op twintig pas van het huis wachten."
"Veel pleizier," zeide Mimi, die, toen het uur van het rendez-vous
naderde, zoo gauw mogelijk naar den minnaar van mademoiselle Amélie
liep en hem mededeelde, dat deze op het punt stond hem met haar
(Mimi's) vroegeren minnaar te bedriegen.
De mijnheer, jaloersch als een tijger, vloog naar mademoiselle Amélie
en zeide tegen haar, dat hij het uitstekend vond, dat zij den avond
in zijn gezelschap doorbracht.
Om acht uur snelde Mimi naar de plek, waar Rodolphe op Amélie zou
wachten. Zij zag haar vroegeren minnaar daar heen en weer loopen in de
houding van iemand, die wacht; zij liep tweemaal langs hem heen, zonder
hem te durven aanspreken. Rodolphe was dien avond heel elegant gekleed,
en de heftige gemoedsbewegingen, waaraan hij in de laatste acht
dagen ten prooi geweest was, hadden aan zijn gelaatsuitdrukking iets
verhevens gegeven. Mimi voelde zich zeer onder den indruk. Eindelijk
vermande zij zich om hem aan te spreken. Rodolphe nam het kalm en
waardig op, informeerde naar haar gezondheidstoestand en vroeg ten
slotte naar de beweegreden, die haar tot hem voerde; en dit alles
op zachten, kalmen toon, waarin een accent van droefheid niet te
miskennen viel.
"Ik moet u een onaangename boodschap overbrengen: mademoiselle Amélie
kan niet met u medegaan naar het bal--zij heeft bezoek van haar man."
"Dan zal ik alleen naar het bal moeten gaan."
Mimi deed op dit oogenblik alsof zij struikelde en leunde op den
schouder van Rodolphe: hij gaf haar een arm en bood haar aan haar
naar huis te brengen.
"Dat zal niet gaan," zeide Mimi; "ik woon bij Amélie, en daar haar
man bij haar is, kan ik niet naar huis gaan, vòòr hij weg is."
"Luister eens," zeide nu de dichter tot haar; "ik heb je door
bemiddeling van mademoiselle Amélie een voorstel laten doen; heeft
ze dat overgebracht?"
"Ja", zeide Mimi, "maar in bewoordingen, waaraan ik, zelfs na alles,
wat er tusschen ons voorgevallen is, geen geloof schenken kan. Neen,
Rodolphe, niettegenstaande alles wat u me verwijten kunt, heb ik nooit
geloofd, dat gij in mij zoo weinig fijn gevoel veronderstelde, dat
gij ook maar een oogenblik hebt kunnen denken, dat ik zoo'n voorstel
zou aannemen."
"U hebt me niet begrepen of men heeft u mijn voorstel verkeerd
overgebracht. Maar wat ik gezegd heb, blijft van kracht," zeide
Rodolphe; "het is nu negen uur, u hebt nog drie uur tijd om na te
denken. Mijn sleutel steekt tot twaalf uur in het slot. Bonsoir,
adieu, of tot weerziens."
"Adieu dan!" zeide Mimi met bevende stem.
En zoo scheidden zij ..... Rodolphe ging naar zijn kamer terug en
wierp zich geheel gekleed op bed. Om half twaalf kwam Mimi binnen.
"Ik kom u gastvrijheid vragen," zeide zij; "de man van Amélie is
gebleven, en nu kan ik niet naar huis."
Tot drie uur in den ochtend praatten zij. De eene verklaring volgde
op de andere, waarin het familiare jij en jou afwisselde met het
officieele u.
Om vier uur ging de kaars uit. Rodolphe wilde een nieuwe aansteken.
"Ach neen," zeide Mimi, "het is de moeite niet waard. Het is tijd,
om naar bed te gaan."
En vijf minuten later had haar aardig bruin kopje zijn plaats op het
kussen weer ingenomen en riep zij met een vleiend stemmetje Rodolphe's
lippen weer op haar kleine, blanke, blauwdooraderde handen, waarvan
de paarlemoerkleur wedijverde met het wit der lakens. Rodolphe stak
geen nieuwe kaars aan.
Den volgenden ochtend stond Rodolphe het eerst op en zeide, terwijl
hij Mimi verschillende pakjes wees, heel zacht en teeder:
"Dat is uw eigendom, u kunt het medenemen .... ik houd woord."
"O," antwoordde Mimi; "ik ben erg moe en kan al die groote pakken
niet tegelijk dragen. Ik kom liever nog eens terug."
En nadat zij zich aangekleed had, nam zij alleen een kraagje en een
paar manchetten mede.
"De rest kom ik wel halen .... stuk voor stuk," voegde zij er
glimlachend aan toe.
"Neen," zeide Rodolphe; "neem alles mede of niets, er moet een eind
aan de zaak komen."
"Of een nieuw begin, maar dan om altijd te duren," zeide de jonge Mimi,
terwijl zij Rodolphe om de hals vloog.
Na samen ontbeten te hebben, gingen ze in de omstreken een uitstapje
maken. Toen zij door den Luxembourg liepen, kwamen zij een groot
dichter tegen, die Rodolphe steeds met de grootste welwillendheid
ontvangen had. Uit beleefdheid wilde Rodolphe doen, alsof hij hem
niet zag. Maar de dichter liet hem er den tijd niet voor, en knikte
hem in het voorbijgaan familiaar toe, terwijl hij zijn gezellin met
een vriendelijk glimlachje groette.
"Wie is dat?" vroeg Mimi.
Rodolphe noemde haar een naam, die haar een kleur van blijdschap en
trots deed krijgen.
"Ja," zeide Rodolphe, "die ontmoeting met den dichter, die zoo mooi de
liefde bezongen heeft, is een goed voorteeken en zal onze verzoening
geluk aanbrengen."
"Ik heb je lief," zeide Mimi innig en drukte haar vriend de hand,
hoewel zij midden in de drukte van het verkeer waren.
"Lieve hemel!" dacht Rodolphe; "wat is nu beter, of je altijd te
laten misleiden, omdat je geloofd hebt, of nooit te gelooven uit
vrees altijd misleid te worden?"