MADEMOISELLE MIMI.

O, vriend Rodolphe, wat is er toch gebeurd, dat ge zoo veranderd

zijt? Moet ik de geruchten gelooven, die in omloop zijn, en heeft dat

ongeluk zoozeer uw krachtige philosophie kunnen terneerslaan? Hoe zal

ik, ik, de geschiedschrijver van uw vrij kunstenaarsheldendicht,

zoo vol vroolijk gelach en jolijt, hoe zal ik op een voldoend

melancholischen toon het smartelijk avontuur kunnen vertellen, dat

een rouwfloers werpt over uw voortdurende levenslust en op die wijze

plotseling den vroolijken klank van uw paradoxen tot zwijgen brengt?

O, vriend Rodolphe, gaarne wil ik gelooven, dat uw smart groot is,

maar dat is toch werkelijk geen reden, om dadelijk in het water te

springen. Daarom raad ik je aan zoo gauw mogelijk een streep door

het verleden te halen. Ontvlucht vooral de eenzaamheid, die bevolkt

is met spookgestalten, welke uw bekommernissen tot het oneindige

verlengen. Ontvlucht de stilte, waarin de echo der herinneringen nog

weerklinkt van doorleefde vreugde en doorleefde smart. Werp moedig naar

alle windstreken der vergetelheid den naam, dien ge zoo lief gehad

hebt, en ook alles wat u nog overblijft van haar, die hem droeg. De

haarlokken, die uw van hartstocht vurige lippen hebben gekust; het

kristallen flaconnetje, waarin nog een rest van den parfum sluimert,

die op dit oogenblik voor u gevaarlijker is om in te ademen dan alle

vergiften der wereld; in het vuur de bloemen, de bloemen van gaas,

van zijde en van fluweel; de witte jasmijnen, de door het bloed van

Adonis gepurperde anemonen, de blauwe vergeet-mij-nietjes, en al die

bekoorlijke ruikers, welke zij in de verre dagen van uw kort geluk

samenbond. Toen hield ik ook van uw Mimi, en zag ik er geen gevaar in,

dat gij haar lief hadt. Maar volg mijn raad: in het vuur die linten,

die mooie roode, blauwe en gele linten, die haar hals en boezem

sierden, om uw blikken te trekken en te boeien; in het vuur de kanten

en mutsjes en sluiers, al die coquette prulletjes, waarmede ze zich

tooide, om te gaan liefkoozen met mijnheer César, mijnheer Jérôme,

mijnheer Charles of een anderen geliefde, dien de kalender aangaf,

terwijl gij aan uw venster op haar stondt te wachten, rillend onder

den guren wind en den rijp van den winter; in het vuur, Rodolphe,

alles wat haar heeft toebehoord en wat u aan haar herinneren kan;

in het vuur, meedoogenloos in het vuur, de liefdesbrieven. Zie, daar

is er juist een, waarover ge tranen hebt gestort als uit een fontein,

o, rampzalige vriend!

"Daar je niet thuis komt, ga ik naar mijn tante.

Het aanwezige geld neem ik mede, om een rijtuig te kunnen betalen.

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 38 / 77 题