"Mijne heeren," zeide Marcel, die zijn vrienden met den inhoud van
den brief in kennis stelde, "Colline heeft toch gelijk: Rodolphe
heeft werkelijk een maîtresse; bovendien vraagt hij ons te dineeren
en het postscriptum belooft zelfs tafelgerei. Ik wil u niet verhelen,
dat deze laatste paragraaf mij een lyrisch-poëtische overdrijving
toeschijnt; we zullen echter dienen af te wachten."
Op het aangegeven uur gingen den volgenden dag Marcel, Gustave Colline
en Alexander Schaunard, uitgehongerd alsof ze in geen dagen gegeten
hadden, naar Rodolphe, dien zij bezig vonden te spelen met een roode
kat, terwijl een jonge vrouw de tafel dekte.
"Heeren", zeide Rodolphe, terwijl hij zijn vrienden de hand drukte
en met een gebaar naar de jonge vrouw wees, "mag ik u de vrouw des
huizes voorstellen?"
"Dan ben jij dus de heer des huizes?" zeide Colline.
"Mimi," antwoordde Rodolphe, "ik stel je mijn beste vrienden voor,
en doe nu de soep op."
"O, mevrouw," zeide Alexandre Schaunard, terwijl hij naar Mimi toe
ging, "u zijt frisch als een woudbloem."
Na zich overtuigd te hebben, dat er in werkelijkheid assietten op tafel
stonden, informeerde Schaunard wat zij te eten zouden krijgen. Hij
dreef de nieuwsgierigheid zoo ver, dat hij de deksels van de pannen
nam, waarin het diner kookte. De aanwezigheid van een kreeft maakte
een diepen indruk op hem.
Colline had Rodolphe even apart genomen, om hem naar zijn philosophisch
artikel te vragen.
"Dat is op de drukkerij," zeide Rodolphe. "Le Castor verschijnt
a.s. Donderdag."
Wij zullen niet trachten de vreugde van den wijsgeer te schilderen.
"Heeren", zeide Rodolphe tot zijn vrienden; "jullie moeten het me niet
kwalijk nemen, dat ik jullie zoolang zonder eenig bericht gelaten heb,
maar ik was in mijn wittebroodsweken."
En hij vertelde hun de geschiedenis van zijn "huwlijk" met dit
bekoorlijke schepseltje, dat hem als bruidschat haar achttien jaar
en zes maanden, twee porceleinen kopjes en een roode poes, eveneens
Mimi genaamd, medegebracht had.
"En nu, heeren," ging Rodolphe voort, "zullen wij onze nieuwe woning
inwijden. Maar ik waarschuw je van te voren, dat het een eenvoudige
burgerpot is en de truffels door de grootste hartelijkheid vervangen
worden."
Inderdaad bleef die bekoorlijke godin dan ook heerschen onder de
gasten, die intusschen vonden, dat die "eenvoudige burgerpot" nog
al meeviel. Rodolphe was dan ook "uit zijn slof geschoten." Colline
maakte er op opmerkzaam, dat de borden verwisseld werden en verklaarde
op luiden toon, dat mademoiselle Mimi het blauwe lint waardig was,
waarmede de keizerinnen van het fornuis gedecoreerd worden, een zin,
die voor het jonge meisje zuiver Sanskriet was, en die Rodolphe voor
haar aldus vertaalde, "dat zij een uitstekende keukenmeid zou zijn."
Het optreden van de kreeft veroorzaakte een algemeene
bewondering. Onder voorwendsel dat hij in de natuurlijke historie
gestudeerd had, vroeg Schaunard het dier te mogen verdeelen; hij maakte
zelfs van de gelegenheid gebruik om een mes te breken en zichzelf de
grootste portie toe te eigenen, wat een algemeene verontwaardiging
deed ontstaan. Doch Schaunard was niet gevoelig, vooral niet op het
punt: kreeft; en toen er nog een portie overbleef, was hij brutaal
genoeg die apart te leggen onder voorwendsel, dat die hem als model
moest dienen voor een stilleven, dat hij juist onder handen had.
In hun toegeeflijke vriendschap deden de kameraden, alsof zij aan dezen
leugen, die de vrucht van een onmatige eetlust was, geloof schonken.
Colline daarentegen bewaarde al zijn sympathieën voor het dessert
en weigerde zelfs halsstarrig om zijn deel van de rhumkoek te ruilen
voor een toegangsbewijs voor de orangerie te Versailles, wat Schaunard
hem voorstelde.
Het discours werd langzamerhand geanimeerder.
Op de drie flesschen met roode capsules volgden er drie met groene,
in het midden waarvan ze weldra een flesch zagen te voorschijn
komen, welker met een zilveren helm bedekte hals dadelijk verried,
dat zij tot het regiment van Royal-Champenois behoorde. Het was
een imitatie-champagne, die in de wijnbergen van Saint-Ouen geoogst
was en te Parijs voor twee francs verkocht werd wegens liquidatie,
zooals de wijnhandelaar beweerde.
Maar niet het land maakt den wijn, en onze bohémiens aanvaardden
den drank, dien ze in speciaal daarvoor bestemde glazen kregen,
als echte Champagne en waren ondanks de weinige opgewektheid,
waarmede de kurk uit zijn gevangenis ontsnapte, in extase over
het voortreffelijke merk, toen zij de groote hoeveelheid schuim
zagen. Schaunard gebruikte daarbij de rest van zijn bezinning, om
zich in de glazen te vergissen en dat van Colline te ledigen, die op
zijn beurt met het ernstigste gezicht van de wereld zijn beschuit in
den mosterdpot doopte en mademoiselle Mimi het wijsgeerige artikel,
dat in le Castor moest verschijnen, trachtte uit te leggen. Terwijl
hij daarmede bezig was, werd hij plotseling bleek en vroeg permissie
of hij even aan het raam naar de ondergaande zon mocht gaan kijken,
hoewel het al tien uur was en de zon reeds lang onder de wol lag.
"Het is jammer, dat de champagne niet gefrappeerd is," zeide Schaunard,
die nogmaals trachtte zijn leeg glas te verwisselen voor een vol van
zijn tafelbuurman, welke poging echter ditmaal geen succes had.
"Mevrouw," zeide Colline, die genoeg versche lucht gehapt had, tegen
Mimi, "je koelt champagne met ijs, ijs wordt gevormd door condensatie
van water, aqua in het Latijn. Water bevriest bij twee graden, en er
zijn vier jaargetijden, zomer, herfst en winter. Dat is de oorzaak
geweest van den terugtocht uit Rusland; Rodolphe, geef mij nog een
hemistichium champagne!"
"Wat zegt je vriend toch?" vroeg Mimi, die er niets van begreep,
aan Rodolphe.
"O, hij vraagt, of ik hem nog een half glas Champagne wil geven,"
antwoordde deze.
Plotseling gaf Colline Rodolphe een harden klap op zijn schouder en
zeide stotterend, alsof de lettergrepen als taai-taai tusschen zijn
lippen bleven zitten:
"Het is morgen Donderdag, niet?"
"Neen, het is morgen Zondag."
"Neen, Donderdag."
"Neen, heusch niet, Zondag."
"O, Zondag," zeide Colline, terwijl hij zijn hoofd heen en weer wiegde,
"meestal is het morgen Don...der...dag..."
En terwijl hij zijn gezicht in de ijspudding, die nog op zijn bord lag,
drukte, sliep hij in.
"Wat wil hij toch eigenlijk met zijn Donderdag?" vroeg Mimi.
"O, nou ben ik er achter!" antwoordde Rodolphe, die de halsstarrigheid
van den door zijn idée fixe gekwelden wijsgeer begon te begrijpen;
"dat komt door zijn artikel in Le Castor ... Luister maar, hij droomt
er hardop van."
"Goed", zeide Schaunard, "dan krijgt hij ook geen koffie, niet waar
mevrouw?"
"Dat is waar ook, Mimi," zeide Rodolphe, "presenteer de koffie eens."
Zij wilde juist opstaan, toen Colline, die van de ijspudding zijn
koelbloedigheid eenigszins teruggekregen had, haar om haar middel
vatte en haar vertrouwelijk in het oor fluisterde:
"Mevrouw, de koffie is afkomstig uit Arabië, waar hij door een geit
ontdekt is. Van daar uit kwam de gewoonte om koffie te drinken naar
Europa. Voltaire dronk twee-en-zeventig koppen per dag. Ik drink ze
zonder suiker, maar graag heel warm."
"Lieve Hemel, wat een knappe vent!" dacht Mimi, terwijl zij de koffie
en de pijpen bracht.
Intusschen was het aardig laat geworden; het had al geruimen tijd
geleden middernacht geslagen en Rodolphe trachtte zijn vrienden aan
het verstand te brengen, dat het nu langzamerhand tijd werd om heen
te gaan. Marcel, die nog volkomen helder was, stond op, om afscheid
te nemen.
Schaunard echter ontdekte, dat er in een flesch nog wat brandewijn
was, en verklaarde, dat het nooit middernacht kon zijn, zoolang er
nog een druppel in het glas was. Colline zat schrijlings op zijn
stoel en bromde binnensmonds.
"Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag...."
"Maar lieve hemel," zeide Rodolphe wanhopig, "ik kan ze toch vannacht
hier niet houden. Vroeger ging dat goed, maar nu is dat wat anders,"
en hij keek daarbij naar Mimi, wier warme blik om eenzaamheid met
hun tweetjes scheen te smeeken.
"Wat moet ik beginnen? Geef mij toch eens raad, Marcel. Verzin toch
een middel, om ze hier vandaan te krijgen!"
"Neen, ik verzin er geen," zeide Marcel; "maar ik zal er een
navolgen. Ik herinner me een comedie, waarin een intelligente knecht
het middel vindt om drie als tempelieren zoo dronken schelmen uit
het huis van zijn meester te zetten."
"Ja, dat herinner ik me," antwoordde Rodolphe "dat komt in Kean [30]
voor. De toestand is inderdaad vrijwel dezelfde."
"Welnu, dan zullen we eens zien of het tooneel met de werkelijkheid
overeenkomt. Wacht even, we zullen met Schaunard beginnen. Hé,
Schaunard!" riep de schilder.
"Ja, wat is er?" antwoordde deze, die in de blauwe zee van een zoete
roes scheen te zwemmen.
"Er is hier niets meer te drinken en we hebben allemaal nog dorst."
"Ach ja," zeide Schaunard, "die flesschen zijn ook zoo klein!"
"Nou luister dan; Rodolphe heeft besloten, dat we vannacht hier zouden
blijven; maar er moet nog eerst wat gehaald worden, om te drinken,
vòòr de winkels gesloten worden."
"Mijn leverancier woont hier op den hoek van de straat," zeide
Rodolphe. "Schaunard, ga jij er even heen en vraag uit mijn naam twee
flesschen rhum."
"Zeker, zeker, zeker!" zeide Schaunard, die bij vergissing de
overjas van Colline aantrok, welke laatste met zijn mes ruiten op
het tafellaken teekende.
"Dat is nummer één!" zeide Marcel, toen Schaunard weg was. "Nou
komt Colline aan de beurt: dat zal een heele dobber worden. Wacht,
een idee. He, he, Colline!" schreeuwde hij, terwijl hij den wijsgeer
heen en weer schudde.
"Wat is er.... wat is er?"
"Schaunard is weggegaan en heeft bij vergissing jouw jas aangetrokken."
Colline keek om zich heen en zag inderdaad in plaats van zijn
notehoutkleurige jas de geruite van Schaunard hangen. Deze ontdekking
maakte hem zeer ongerust. Colline had n.l. ouder gewoonte in den loop
van den dag de boekenstalletjes bezocht en voor vijftien sous een
Finsche grammatica en een kleinen roman van Nisard: "De begrafenis
van de melkvrouw" gekocht. Bij deze nieuwe aanwinst kwamen nog zeven
of acht deelen hoogere philosophie, die hij altijd bij zich droeg, om
steeds een arsenaal te hebben, waaruit hij argumenten zou kunnen putten
voor het geval er wijsgeerige discussies ontstonden. De gedachte,
dat die bibliotheek in handen van Schaunard was, deed bij hem het
angstzweet uitbreken.
"De ongelukkige!" riep Colline uit; "wat heeft hem bezield mijn
overjas mee te nemen?"
"Het is een vergissing."
"Maar mijn boeken..... hij kan er een slecht gebruik van maken."
"Wees maar niet bezorgd: hij zal ze niet lezen," zeide Rodolphe.
"O, ik ken hem! Hij is in staat er zijn pijp mede aan te steken!"
"Als je daar bang voor bent, dan kan je hem nog best inhalen," zeide
Rodolphe; "hij is net weg; je zal hem nog wel aan de deur vinden."
"Zeker moet ik hem inhalen," antwoordde Colline, terwijl hij zijn hoed
opzette, waarvan de randen zoo breed waren, dat men er makkelijk voor
tien personen thee op zou kunnen ronddienen.
"Dat is nummer twee," zeide Marcel tot Rodolphe; "nu ben je vrij. Ik
ga ook weg en zal den portier op zijn hart drukken, dat hij niet open
moet doen, als er geklopt wordt."
"Slaap lekker," zeide Rodolphe, "en wel bedankt!"
Nadat hij zijn vriend uitgelaten had, hoorde Rodolphe op de trap een
langaangehouden gemiauw, waarop zijn roode kat teeder antwoordde,
terwijl hij behendig door de halfgeopende deur trachtte te ontsnappen.
"Arme Romeo!" zeide Rodolphe; "je Julia roept je. Vooruit, ga je
gang maar," en hij opende de deur voor het verliefde dier, dat met
één sprong de trap af was en in de armen van zijn geliefde lag.
Eindelijk met zijn maîtresse, die voor een spiegel in een bekoorlijke
en verleidelijke houding haar haar in de krul stond te zetten, alleen,
ging Rodolphe naar Mimi toe en drukte haar in zijn armen. Dan trok
hij, als een musicus, die, alvorens zijn stuk te beginnen, een reeks
accoorden aanslaat, om zich van de qualiteit van zijn instrument te
overtuigen, Mimi op zijn knieën en drukte op haar schouder een langen,
vurigen kus, die het frissche schepseltje van verlangen deed rillen.
Het instrument klonk prachtig.