DE INWIJDINGSFUIF.

Het gebeurde eenigen tijd, nadat de dichter Rodolphe met de jonge

mademoiselle Mimi een eigen huishoudentje had opgezet; sedert

ongeveer acht dagen heerschte er in den geheelen vriendenkring een

groote onrust naar aanleiding van de verdwijning van Rodolphe, die

plotseling als in een nevel scheen te zijn opgelost. Ze hadden hem

gezocht op alle plaatsen, waar hij gewoon was te komen, en overal

kregen ze hetzelfde antwoord:

"We hebben hem in geen acht dagen gezien."

Gustave Colline vooral was in duizend angsten en vreezen, en wel

om de volgende reden. Eenige dagen te voren had hij Rodolphe een

artikel van groote wijsgeerige waarde toevertrouwd, dat deze in de

rubriek "Varia" van le Castor, het bekende hoedenmakersblad, waarvan

hij hoofdredacteur was, zou opnemen. Was het philosophische artikel

reeds voor de oogen van het verbaasde Europa verschenen? Dat was de

vraag, die de ongelukkige Colline zich stelde; en men zal zich dien

angst kunnen begrijpen, wanneer men weet, dat de philosoof nog niet

het genoegen gehad had zich gedrukt te zien en dus van verlangen

brandde, om te zien welken indruk zijn in cicero [29] gedrukt proza

zou maken. Om zich die bevrediging van zijn eigenliefde te verschaffen,

had hij reeds zes francs uitgegeven voor verschillende leeszalen zonder

er le Castor te vinden. Daar hij dit niet langer volhouden kon, zwoer

Colline zich een duren eed, dat hij geen minuut rust zou nemen alvorens

de hand op den onvindbaren redacteur van dat blad gelegd te hebben.

Geholpen door verschillende toevallige omstandigheden--het zou te veel

tijd vorderen die alle te vertellen--gelukte het den wijsgeer zijn

eed te houden. Twee dagen later had hij Rodolphe's woning uitgevorscht

en ging hij hem 's morgens om zes uur opzoeken.

Rodolphe woonde toentertijd in een hôtel garni in een eenzame straat

van den faubourg Saint Germain, waar hij de vijfde verdieping betrokken

had, omdat er geen zesde was. Toen Colline bij de deur kwam, vond hij

den sleutel niet in het slot steken. Hij klopte een minuut of tien

zonder dat hij van binnen antwoord kreeg; op de aubade kwam zelfs de

concierge af, die Colline vroeg kalm te zijn.

"U ziet toch wel, dat mijnheer slaapt," zeide hij.

"Daarom wil ik hem wakker trommelen," antwoordde Colline en begon

opnieuw te kloppen.

"Dan wil hij u zeker niet antwoorden," meende de concierge, terwijl

hij voor de deur van Rodolphe een paar lakschoenen en een paar

dameslaarsjes, die hij juist gepoetst had, neerzette.

"Wacht eens even," zeide Colline, terwijl hij het mannelijke en

vrouwelijke paar laarzen bekeek; "een paar nieuwe lakschoenen. Ik

heb me zeker in de deur vergist; hier moet ik zeker niet zijn."

"Wien moet u eigenlijk hebben?" vroeg de concierge.

"Vrouwenlaarsjes!" ging Colline voort als in zichzelf sprekend en

denkend aan de strenge zeden van zijn vriend; "ja, ik heb me beslist

vergist. Dit kan de kamer van Rodolphe beslist niet zijn."

"Vraag excuus, mijnheer; dat is hier wel."

"Zoo. Dan vergis jij je, beste man!"

"Hoe bedoelt u dat?"

"Dat je je beslist vergist," zeide Colline, terwijl hij op de

lakschoenen wees. "Wat zijn dat?"

"Dat zijn de schoenen van mijnheer Rodolphe; wat is daar voor

verwonderlijks aan?"

"En die daar?" zeide Rodolphe en wees hem de dameslaarsjes; "zijn

die ook van mijnheer Rodolphe?"

"Die zijn van zijn dame," zeide de concierge.

"Van zijn dame?" riep Colline verbaasd uit. "Wat een

wellusteling! Daarom wil hij natuurlijk niet open doen!"

"Lieve Hemel!" zeide de concierge; "die jonge man is toch vrij om te

doen of te laten wat hij wil; als mijnheer mij zijn naam wil zeggen,

dan zal ik mijnheer Rodolphe zeggen, dat u hier geweest is."

"Neen", zeide Colline, "nu ik eenmaal weet waar ik hem vinden kan,

zal ik wel terugkomen." En hij ging heen, om zijn vrienden het groote

nieuws te gaan vertellen.

De lakschoenen van Rodolphe werden algemeen als fabels beschouwd, als

een vrucht van Colline's rijke fantasie, en éénstemmig werd verklaard,

dat zijn maîtresse een paradox was.

En toch was die paradox een waarheid; want nog dienzelfden avond kreeg

Marcel een collectieven brief voor alle vrienden van dezen inhoud:

"Mijnheer en Mevrouw Rodolphe, letterkundigen, hebben de eer u uit

te noodigen voor een diner, dat zij zich voorstellen morgenavond om

vijf uur precies te geven.

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 35 / 77 题