Phémie."

"Waarachtig, maar ik ben wel degelijk thuis!" riep hij uit; "daar heb

je het visitekaartje, dat Phémie met Nieuwjaar heeft achtergelaten:

het is dus wel mijn deur."

"Lieve God, mijnheer," zeide Rodolphe; "ik ben er werkelijk confuus

van."

"Wees overtuigd, mijnheer," voegde Colline eraan toe, "dat ik een

werkzaam aandeel neem in de confuusheid van mijn vriend."

De jonge man brak in een schaterlach uit.

"Als u even binnen wilt komen," antwoordde hij, "dan zal uw vriend,

zoodra hij de kamer gezien heeft, zijn dwaling wel erkennen."

"Gaarne."

De dichter en de wijsgeer namen ieder Schaunard bij een arm en brachten

hem in de kamer, of liever in het paleis van Marcel, dien de lezer

zeker reeds herkend heeft.

Schaunard keek eenigszins verward om zich heen en mompelde:

"Het is verwonderlijk, hoe veel mooier mijn kamer geworden is."

"Nou, ben je nu overtuigd?" vroeg Colline hem.

Maar Schaunard had zijn piano in het oog gekregen, ging er naar toe

en begon gamma's te spelen.

"He, luisteren jullie eens," zeide hij, terwijl hij verschillende

accoorden aansloeg; "Bravo, het dier heeft zijn baas herkend: si la

sol, fa mi ré! O, bliksemsche ré! Jij verandert ook nooit. Ik zie wel,

dat het mijn instrument is."

"Hij houdt vol," zeide Colline tot Rodolphe.

"Hij houdt vol," herhaalde Rodolphe tegen Marcel.

"En dat dan," ging Schaunard voort, terwijl hij op den met sterren

en loovertjes bezaaiden rok, die over een stoel geworpen was, wees,

"dat is ook zeker mijn ambtsgewaad niet?"

En hij keek Marcel uitdagend aan.

"En dat dan," vervolgde Schaunard en trok het deurwaardersexploot,

waarvan hierboven sprake was, van den muur.

En hij begon te lezen:

"Dientengevolge zal mijnheer Schaunard gehouden zijn genoemde woning

te ontruimen en haar in goeden en bewoonbaren staat terug te geven

den achtsten April vòòr twaalf uur des namiddags. Ten bewijze daarvan

heb ik hem deze acte ter hand gesteld, waarvan de kosten vijf francs

bedragen. Nou, ben ik nou mijnheer Schaunard niet, wien de kamer bij

deurwaardersexploot opgezegd wordt en wien men gezegelde stukken,

waarvan de kosten vijf francs bedragen, vereert? En dan dat nog,"

ging hij voort, toen hij zijn pantoffels aan de voeten van Marcel

zag; "zijn dat niet mijn muiltjes, geschenk van een mij dierbare

hand? Mijnheer," zoo wendde hij zich nu tot Marcel, "thans is het

aan u, om uw aanwezigheid in mijn laren en penaten te verklaren."

"Mijne heeren," antwoordde Marcel en hij richtte zich hierbij in

het bijzonder tot Colline en Rodolphe, "mijnheer," en hij wees op

Schaunard, "mijnheer is op zijn kamer, ik beken het eerlijk."

"Zoo," riep Schaunard uit, "dat is maar gelukkig ook."

"Maar," vervolgde Marcel, "ook ik ben op mijn kamer."

"Maar mijnheer," viel Rodolphe hem in de rede, "als onze vriend

toch ...."

"Ja," vervolgde Colline, "als onze vriend ...."

"En als u u van uw kant herinnert, dat ....", voegde Rodolphe eraan

toe, "hoe komt het dan ...."

"Ja," echode Colline, "hoe komt het dan ...."

"Neem plaats heeren," antwoordde Marcel, "dan zal ik u het mysterie

ophelderen."

"Wat zoudt u ervan zeggen, als we die opheldering eens

besproeiden?" waagde Colline op te merken.

"En daarbij familiaar een stukje aten?" voegde Rodolphe eraan toe.

De vier jonge mannen zetten zich aan tafel en openden een hevigen

aanval op een stuk koud kalfsvleesch, dat de wijnhandelaar hun

afgestaan had.

Marcel legde toen uit, wat er dien ochtend, toen hij was komen

verhuizen, tusschen hem en den huisbaas was voorgevallen.

"Derhalve," zeide Rodolphe, "heeft mijnheer volkomen gelijk, wij zijn

zijn gasten."

"Pardon, u bent hier thuis," antwoordde Marcel beleefd.

Het kostte echter ontzaglijke moeite, om Schaunard aan zijn verstand

te brengen wat er gebeurd was. Een komisch incident maakte de zaak nog

ingewikkelder. Schaunard, die in een kast naar God weet wat zocht,

ontdekte daarin het kleingeld, dat Marcel dien ochtend van zijn

vijfhonderd francs teruggekregen had.

"Ha," riep hij uit, "ik wist wel, dat mijn vriend, het toeval, mij

niet in den steek zou laten. Ik herinner me nu, dat ik van morgen

uitgegaan ben, om hem te zoeken ..... Voor die huurtermijnen, dat is

waar ook; hij is zeker in mijn afwezigheid hier geweest. Wij hebben

elkaar misgeloopen, dat is alles. Het is toch maar heel verstandig

van me geweest den sleutel op de kast te laten."

"Zoete dwaasheid!" mompelde Rodolphe, toen hij zag hoe Schaunard de

geldstukken in even hooge hoopen opstapelde.

"Droom en bedrog, dat is het leven," voegde de wijsgeer eraan toe.

Marcel lachte.

Een uur later lagen zij alle vier in een diepen slaap.

Den volgenden middag om twaalf uur werden zij wakker; in den beginne

waren zij niet weinig verwonderd elkaar daar te vinden: Schaunard,

Colline en Rodolphe schenen elkaar zelfs niet te herkennen en noemden

elkaar mijnheer. Marcel moest er hen aan herinneren, dat zij den

vorigen avond met elkaar bij hem gekomen waren.

Op dat oogenblik kwam Durand in de kamer.

"Mijnheer," zeide hij tot Marcel, "het is vandaag de negende

April achttien honderd en veertig ... het is modderig op straat,

en Z. M. Louis-Philippe is nog steeds koning van Frankrijk en

Navarre. Lieve Hemel," riep vader Durand uit, toen hij zijn ouden

huurder zag, "daar heb je mijnheer Schaunard. Hoe bent u hier gekomen?"

"Per telegraaf," antwoordde Schaunard.

"Hoor hem eens aan," zeide de concierge, "u bent nog de oude

grappenmaker!"

"Durand," zeide Marcel, "ik houd er niet van, dat de livrei zich in

mijn gesprekken mengt; je gaat naar het dichtstbijzijnde restaurant

en laat een dejeuner voor vier personen boven brengen. Hier heb je de

spijskaart," voegde hij eraan toe, terwijl hij hem een stukje papier

met het menu erop gaf. "En een beetje vlug."

"Heeren," ging Marcel voort, "u hebt mij gisteren avond een souper

aangeboden, laat mij u nu hedenmorgen een dejeuner aanbieden, niet

bij mij, maar bij u," voegde hij eraan toe, terwijl hij Schaunard

zijn hand toestak.

Na afloop van het dejeuner vroeg Rodolphe het woord.

"Heeren," zeide hij, "staat mij toe, dat ik u verlaat ...."

"O neen," zeide Schaunard op sentimenteelen toon, "laten we elkaar

niet meer verlaten."

"Dat is zoo," merkte Colline op; "je bent hier erg op je gemak."

"U een oogenblik verlaat," ging Rodolphe voort, "morgen verschijnt de

Echarpe d'Iris [5], een mode-tijdschrift, waarvan ik hoofdredacteur

ben, en ik moet de drukproeven nog corrigeeren. Binnen een uur ben

ik terug."

"Alle duivels," zeide Colline; "dat brengt mij op de gedachte, dat ik

les moet geven aan een Indischen prins, die naar Parijs gekomen is,

om Arabisch te leeren."

"Geef die les morgen," zeide Marcel.

"Neen, dat gaat niet," antwoordde de wijsgeer: "de prins zou mij

vandaag betalen. En bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat deze

schoone dag voor mij bedorven zou zijn, indien ik niet even langs de

boekenstalletjes loop."

"Maar je komt toch terug?" vroeg Schaunard.

"Met de snelheid van een met zekere hand afgeschoten pijl," antwoordde

de wijsgeer, die van excentrieke beeldspraak hield.

En hij ging met Rodolphe weg.

"Maar," zeide Schaunard, toen hij met Marcel alleen gebleven was,

"indien ik, in plaats van me hier te koesteren op het kussen van het

dolce far niente, wat goud ging zoeken om de begeerigheid van mijnheer

Bernard te stillen?"

"Maar," zeide Marcel ongerust; "wil je dan nog steeds verhuizen?"

"Lieve God, ik moet wel," antwoordde Schaunard, "ik heb immers een

exploot, waarvan de kosten vijf francs zijn, gekregen."

"Maar," vervolgde Marcel, "als je verhuist, dan neem je zeker je

meubels mee?"

"Ja, dat is mijn bedoeling, ik laat hier geen haar achter, zooals

mijnheer Bernard zegt."

"Duivels, dat zal me leelijk in verlegenheid brengen, want ik heb je

kamers gemeubileerd gehuurd."

"Waarachtig, dat is waar ook," zeide Schaunard. "Maar," voegde hij er

melancholiek aan toe, "er is geen enkele aanwijzing, dat ik vandaag

of morgen of wanneer ook mijn vijf-en-zeventig francs zal vinden."

"Maar wacht even," riep Marcel uit, "ik heb een idee."

"Laat hooren," zeide Schaunard.

"De zaak staat zoo: wettelijk behoort de woning aan mij, omdat ik

een maand vooruit betaald heb."

"De woning, ja; maar als ik betaal, neem ik de meubelen wettelijk mede;

en als het mogelijk was, zou ik ze zelfs onwettelijk medenemen."

"Zoodat," zeide Marcel, "jij de meubels en geen woning, en ik een

woning en geen meubels heb."

"Dat klopt," zeide Schaunard.

"Maar mij bevalt de woning uitstekend."

"En mij," merkte Schaunard op, "mij beviel ze nooit meer."

"Wat zeg je?"

"Nooit .... meer. Ik weet heel goed, wat ik zeg."

"Welnu, dan kunnen we het op een accoordje gooien," meende Marcel;

"blijf bij me, ik lever de woning en jij levert de meubelen."

"En de huur?" vroeg Schaunard.

"Daar ik nu geld heb, betaal ik ditmaal; den volgenden keer is het

jouw beurt. Denk er eens over na."

"Ik denk nooit na, vooral niet om een voorstel aan te nemen, dat

in mijn geest valt; ik neem het zonder bedenken aan. Bovendien zijn

schilder- en dichtkunst zusters."

"Schoonzusters," vond Marcel.

Op dat oogenblik kwamen Colline en Rodolphe, die elkaar op straat

ontmoet hadden, terug.

Marcel en Schaunard stelden hen van hun vennootschap in kennis.

"Heeren," riep Rodolphe uit, terwijl hij het in zijn broekzak liet

rinkelen, "ik offreer het gezelschap een diner."

"Dat was juist mijn plan ook," zeide Colline, terwijl hij uit

zijn zak een goudstuk haalde, dat hij als een monocle naar

zijn oog bracht. "Mijn prins heeft mij dat gegeven voor een

Hindostansch-Arabische grammatica, die ik zooeven voor zes stuivers

gekocht heb."

"En ik," zeide Rodolphe, "heb mij door den kassier van de Echarpe

d'Iris een voorschot laten geven van dertig francs, onder voorgeven,

dat ik mij moest laten inenten."

"Het is vandaag dus Heiligendag," zeide Schaunard; "ik alleen heb

niets gekregen, dat is toch vernederend."

"Intusschen," viel Rodolphe hem in de rede, "handhaaf ik mijn

uitnoodiging voor een diner."

"En ik ook," zeide Colline.

"Nou," zeide Rodolphe, "dan zullen we opgooien, wie betalen zal."

"Neen," riep Schaunard uit, "ik weet wat beters, om jullie uit die

moeilijkheid te helpen, heel wat beters."

"En dat is?"

"Rodolphe betaalt het diner, en Colline geeft een souper."

"Een Salomo-oordeel," riep de wijsgeer uit.

"Dan zal het vandaag nog erger toegaan dan op de bruiloft van Camacho,"

[6] meende Marcel.

Het diner had plaats in een provençaalsch restaurant in de rue

Dauphine, dat bekend was door zijn litteraire kellners en zijn

ayoli-gerechten. Daar zij nog een plaatsje over moesten houden voor

het souper, dronken en aten zij matig. De den vorigen avond tusschen

Colline en Schaunard, en later met Marcel aangeknoopte kennismaking

werd nu intiemer; de vier jonge mannen heschen de vlag van hun

kunstinzichten, en alle vier erkenden, dat zij met denzelfden moed en

dezelfde verwachtingen bezield waren. Al pratende en debatteerende,

bemerkten zij, dat zij gemeenschappelijke sympathieën hadden,

dat zij allen dien zin voor en die behendigheid hadden in geestige

schermutselingen, welke opvroolijken, zonder te kwetsen; dat alle mooie

deugden der jeugd leefden in hun harten, die door het zien of hooren

van iets moois makkelijk in geestdrift waren te brengen. Alle vier,

van hetzelfde punt uitgegaan, om hetzelfde doel te bereiken, waren

van oordeel, dat iets anders dan het banale spel van het toeval hen

had samengebracht, en dat misschien de Voorzienigheid, de natuurlijke

beschermster der verlatenen, hen zoo samenvoerde en hun heel zacht

het woord van het Evangelie influisterde, dat eigenlijk de eenige

wet voor de geheele menschheid moest zijn: "Helpt elkander en hebt

elkander lief!"

Tegen het einde van het diner, dat een eenigszins ernstig karakter

had aangenomen, stond Rodolphe op, om een toast uit te brengen op

de toekomst; Colline antwoordde met een kleine toespraak, die aan

geen enkel boek ontleend en vrij van alle oratorische wendingen was,

maar heel eenvoudig de simpele taal der natuur sprak, die zoo goed

doet begrijpen wat zoo slecht gezegd wordt.

"De philosoof lijkt wel niet wijs!" mompelde Schaunard, over zijn

glas gebogen; "nu dwingt hij me water in mijn wijn te doen."

Na het diner gingen ze een pousse-café drinken in Momus, waar zij den

vorigen dag den avond ook reeds hadden doorgebracht. Van dien dag af

was het daar voor de overige gasten niet meer uit te houden.

Na de koffie en de daarbij behoorenden likeuren ging de nu voor

goed opgerichte bohème-clan terug naar de kamer van Marcel, die

voortaan den naam Elysée Schaunard droeg. Terwijl Colline het door

hem beloofde souper ging bestellen, haalden de anderen voetzoekers,

vuurpijlen en andere stukken vuurwerk; en voor zij aan tafel gingen,

staken zij uit een der vensters een prachtig vuurwerk af, dat het

heele huis op stelten zette en gedurende hetwelk de vier vrienden

uit volle borst zongen:

"Célébrons, célébrons, célébrons ce beau jour!"

Den volgenden ochtend vonden zij elkaar weer terug, doch ditmaal

zonder zich erover te verwonderen. Voor zij ieder weer tot hun werk

terugkeerden, gingen ze gezamenlijk eenvoudig dejeuneeren in Momus,

waar ze afspraken des avonds weer te zullen bijeenkomen en waar men

hen gedurende langen tijd dagelijks weer zag verschijnen.

Dit zijn de hoofdpersonen, die men zal ontmoeten in de kleine verhalen,

waaruit dit boek bestaat, dat volstrekt geen roman is en geen andere

pretentie heeft dan die door zijn titel aangegeven; want de tooneelen

uit het Parijsche kunstenaars-leven zijn inderdaad niets anders dan

zedenstudiën, waarvan de helden behooren tot een tot dusver verkeerd

beoordeelde klasse, wier grootste gebrek een beetje losbandigheid is,

en die nog als excuus kunnen aanvoeren, dat die losbandigheid een

noodzakelijkheid is, welke het leven hun oplegt.

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 7 / 77 题