Toen mijnheer Bernard dezen brief, welken de artist in het bureau van
een zijner vrienden, die ambtenaar aan het ministerie van Oorlog was,
had geschreven, ten einde gelezen had, frommelde hij hem verontwaardigd
in elkaar; en toen zijn blik op vader Durand viel, die op de beloofde
fooi stond te wachten, vroeg hij hem ruw wat hij daar deed.
"Ik wacht, mijnheer!"
"Waarop?"
"Wel, op het fooitje, dat mijnheer .... van wegens de goede
tijding!" stamelde de concierge.
"Eruit! Kerel, blijf je met je pet op je kop in de kamer staan?"
"Maar, mijnheer ...."
"Vooruit, geen maren, eruit, of neen, wacht even. Wij zullen naar
de kamer van dien smeerlap-artist gaan, die verhuist zonder me te
betalen."
"Wat?" riep de portier uit, "mijnheer Schaunard?"
"Ja," antwoordde de huisheer, die hoe langer hoe meer op een razenden
Roland begon te gelijken. "En als hij ook maar het geringste heeft
meegenomen, dan jaag ik je weg, versta je, jaaààg ik je weg."
"Maar dat bestaat niet!" mompelde de arme concierge, "mijnheer
Schaunard is niet vertrokken; hij is uitgegaan, om klein geld te
halen, om mijnheer te betalen, en om een verhuiswagen voor zijn
meubels te bestellen."
"Zijn meubels weghalen!" riep mijnheer Bernard uit; "gauw wat;
ik ben er zeker van, dat hij daarmede bezig is; hij heeft je een
loer gedraaid om je uit je loge te lokken en zijn slag te slaan,
stommeling, die je bent!"
"Lieve Hemel, stommeling, die ik ben!" riep vader Durand uit, bevend
voor de Olympische toorn van zijn heer, die hem op de trap meesleepte.
Toen zij op de binnenplaats kwamen, werd de concierge aangesproken
door den jongen man met den witten hoed.
"Hé daar, conciërge!" riep hij, "wanneer word ik nu eindelijk in
het bezit van mijn appartementen gesteld? Is het vandaag de 8ste of
niet? Heb ik hier gehuurd of niet? Heb ik je je Godspenning gegeven
of niet?"
"Een oogenblik, mijnheer, een oogenblik!" zeide de huisheer, "dan ben
ik tot uw dienst. Durand," voegde hij eraan toe, zich tot den concierge
wendende, "ik zal mijnheer zelf wel te woord staan. Vlieg jij naar
boven, die smeerlap van een Schaunard is natuurlijk teruggekomen,
om zijn boeltje te pakken; sluit hem op, als je hem snapt, en kom
dan naar beneden, om de politie te halen."
Vader Durand verdween de trap op.
"Pardon, mijnheer," zeide hij, terwijl hij een buiging maakte, tot
den jongen man, met wien hij alleen gebleven was; "met wien heb ik
de eer te spreken?"
"Mijnheer, ik ben uw nieuwe huurder; ik heb in dit huis een kamer op
de zesde verdieping gehuurd; en het begint me te vervelen, dat die
kamer nu nog niet leeg is."
"Het spijt mij ook zeer, mijnheer," antwoordde mijnheer Bernard,
"maar er is een moeilijkheid ontstaan tusschen mij en den huurder,
voor wien u in de plaats komt."
"Mijnheer, mijnheer!" gilde uit een raam van de hoogste verdieping
vader Durand; "mijnheer Schaunard is er niet....maar de kamer
is er.... Stommeling, die ik ben, ik bedoel, dat hij niets heeft
medegenomen, geen haar, mijnheer."
"Dan is het goed. Kom naar beneden," antwoordde mijnheer Bernard. "Een
oogenblikje geduld, als het u blieft," ging hij voort, zich tot den
jongen man richtend. "Mijn concierge zal de voorwerpen, die de kamer
van mijn insolvabelen huurder versieren, naar den kelder brengen,
en binnen een half uur zult u de appartementen kunnen betrekken;
trouwens uw meubels zijn er ook nog niet."
"Pardon, mijnheer," antwoordde de jonge man kalm.
Mijnheer Bernard keek om zich heen, doch zag slechts de groote
kamerschutten, waarover de concierge ook al zijn hoofd geschud had.
"Wat, pardon .... wat ...." mompelde hij, "maar ik zie niets."
"Daar," antwoordde de jonge man, terwijl hij de bladen der lijsten
losmaakte en den verbaasden eigenaar een prachtig paleis-intérieur met
colonnes van jaspis, bas-reliefs en schilderijen van groote meesters
liet zien.
"Maar uw meubels?" vroeg mijnheer Bernard.
"Daar zijn ze," antwoordde de jonge man, terwijl hij op het luxueuze
meubilair wees, dat geschilderd was in het paleis, hetwelk hij
pas gekocht had in het hôtel Bullion [1] op een verkooping van een
salon-tooneel.
"Mijnheer," antwoordde de huisheer, "ik wil liever aannemen, dat u
ernstiger meubelen hebt dan deze ...."
"Wat, dit zijn echte Boule-meubelen." [2]
"U begrijpt, dat ik garantie voor mijn huur moet hebben."
"Voor den duivel, maar is een paleis dan geen voldoende garantie voor
de huur van een dakkamertje?"
"Neen, mijnheer, ik wil meubels, echte meubels van mahoniehout!"
"Helaas, mijnheer, goud noch mahoniehout maken ons gelukkig, heeft een
oud wijsgeer gezegd. En bovendien ik kan dat soort hout niet uitstaan;
het is zoo ordinair; iedereen heeft het."
"Dat is allemaal tot uw dienst, mijnheer, maar u heeft dan toch zeker
wel andere meubels?"
"Neen, dat neemt te veel plaats in in de kamer; wanneer je stoelen
hebt, weet je niet meer waar je moet gaan zitten."
"Maar u hebt toch zeker een bed! Waar slaapt u op?"
"Ik rust op de Voorzienigheid, mijnheer!"
"Pardon, nog een vraag," zeide mijnheer Bernard, "wat is uw beroep?"
Juist op dat oogenblik kwam de witkiel van den jongen man, van zijn
tweeden tocht terug, de binnenplaats op. Onder de voorwerpen, die
hij aan zijn draagzeel droeg, zag Durand een schildersezel.
"O, mijnheer!" riep hij verschrikt uit, terwijl hij den huisheer op
den ezel wees. "Het is een schilder!"
"Een artist, als ik het niet dacht!" gilde op zijn beurt mijnheer
Bernard, en de haren van zijn pruik rezen van schrik ten berge;
"een schilder!!! Maar heb je dan geen informaties genomen naar
mijnheer?" bulderde hij den concierge toe. "Wist je dan niet, wat
hij deed?"
"Lieve Hemel," antwoordde de arme kerel, "hij had mij vijf francs
als goospenning gegeven; dus kon ik niet vermoeden...."
"Wanneer u eindelijk klaar bent," vroeg op zijn beurt de jonge man.
"Mijnheer," viel mijnheer Bernard hem in de rede, terwijl hij zijn
bril recht op zijn neus zette; "als u geen meubels hebt, kunt gij uw
kamer niet betrekken. De wet staat toe een huurder, die geen garantie
meebrengt, te weigeren."
"En mijn woord dan?" vroeg de artist in zijn volle waardigheid.
"Dat is niet zooveel waard als meubels ... u kunt ergens anders een
kamer zoeken. Durand zal u uw Godspenning teruggeven."
"Wat?" zeide de concierge verschrikt, "die heb ik al naar de spaarbank
gebracht."
"Maar mijnheer," viel de jonge man hem in de rede, "ik kan maar niet
zoo direkt een andere kamer vinden. Geef me tenminste gastvrijheid
voor één dag."
"Ga in een hotel logeeren," antwoordde mijnheer Bernard. "Maar tusschen
twee haakjes," voegde hij er vlug aan toe, terwijl hem plotseling iets
in de gedachte viel; "als u dat wilt, dan zou ik u de kamer gemeubeld
met de meubels van mijn insolventen huurder kunnen geven. Maar zooals
u weet, moet in zoo'n geval de huur vooruit betaald worden."
"Het is maar de vraag, hoeveel u voor dat krot moet hebben," zeide
de artist.
"Maar het is heusch een zeer geschikte kamer; in verband met de
omstandigheden is de huur vijf-en-twintig francs per maand. Maar
vooruit betalen."
"Dat hebt u al gezegd; en die zin verdient de eer van een bis niet,"
antwoordde de jonge man, terwijl hij in zijn zakken zocht. "Hebt u
terug van vijfhonderd francs?"
"Wat?" vroeg de huisheer stom-verbaasd. "U zegt?"
"Nou, de helft van duizend dan. Hebt jullie soms zoo iets nooit
gezien?" voegde de artist eraan toe, terwijl hij het papier heen
en weer bewoog voor de oogen van den huisheer en van den concierge,
die op het gezicht daarvan hun evenwicht schenen te verliezen.
"Ik zal het voor u laten wisselen," antwoordde mijnheer Bernard vol
eerbied; "er behoeft maar twintig francs af, want Durand zal u de
Godspenning teruggeven."
"Die mag hij houden," zeide de artist, "op voorwaarde, dat hij mij
iederen ochtend komt zeggen welke dag en datum het is, den stand van
de maan, welk weer het is en onder welken regeeringsvorm wij leven."
"Zeker, zeker mijnheer!" riep vader Durand uit, terwijl hij een
buiging van negentig graden maakte.
"Al goed, kerel, je moet voor mij als almanak spelen. Intusschen moet
je mijn witkiel even helpen de boel boven te brengen."
"Mijnheer," zeide de huisheer, "ik zal u de quitantie boven laten
brengen."
Dien avond nog was de nieuwe huurder van mijnheer Bernard, de schilder
Marcel, geïnstalleerd in de tot een paleis gemetamorphoseerde kamers
van den voortvluchtigen Schaunard.
Intusschen was gezegde Schaunard bezig te trachten overal in Parijs
geld los te krijgen.
Schaunard had het leenen tot de hoogte van een kunst verheven. Het
geval voorziende, waarin hij de vreemdelingen zou moeten aanspreken,
had hij de manier, om vijf francs te leenen, in alle talen der
wereld geleerd. Hij had het repertoire der listen, die het edele
metaal gebruikt om aan hen, die het najagen, te ontsnappen, tot in
den grond bestudeerd; en beter dan een loods de uren der getijden,
kende hij de tijdstippen, waarop het bij anderen hoog of laag water
was, d. w. z. de dagen, waarop zijn vrienden en kennissen gewoonlijk
geld kregen. Er waren dan ook verschillende huizen, waarin men, als
hij 's ochtends op bezoek kwam, niet tegen elkaar zeide: "Daar heb je
mijnheer Schaunard"; maar "Daar heb je den eersten of vijftienden der
maand." Om dit soort belasting, die hij, wanneer de noodzakelijkheid
hem ertoe dwong, van de menschen, die de middelen hadden om hem die te
betalen, ging heffen, wat makkelijker en minder ingewikkeld te maken,
had Schaunard arrondissementsgewijze een alphabetisch tableau gemaakt,
waarop de namen van al zijn vrienden en kennissen stonden. Naast
iederen naam waren genoteerd het maximum der som, die hij in verband
met hun fortuin kon leenen, de tijdstippen, waarop het bij hen hoog
water was, benevens het uur der maaltijden met het gewone menu van het
huis. Behalve dat tableau hield hij er nog een boekhoudinkje op na,
waarin hij keurig boek hield van de sommen, die hem geleend waren,
tot de kleinste bedragen toe, want hij wilde zich niet verder bezwaren
dan tot een zeker cijfer, dat een Normandische oom, van wien hij
moest erven, nog in de pen had. Zoodra hij aan een persoon twintig
francs schuldig was, leende hij niet langer en betaalde de som in
eens terug, ook al moest hij voor die aflossing van hen, aan wie
hij minder schuldig was, meer leenen. Op die manier had hij altijd
een zeker crediet, dat hij zijn vlottende schuld noemde; en daar men
wist, dat hij de gewoonte had het geleende terug te geven, zoodra zijn
middelen het hem veroorloofden, hielp men hem, als men dat kon, gaarne.
Nu had hij, sedert hij 's ochtends elf uur uitgegaan was om te trachten
de vijf-en-zeventig francs, die hij noodig had, bijeen te krijgen,
nog niet meer bij elkaar dan een daalder, dien hij te danken had aan
de medewerking der letters M., V. en R. van zijn beroemde lijst:
van de rest van het alphabet, dat evenals hij een termijn huur te
betalen had, kreeg hij nul op het request.
Om zes uur luidde een hevige honger in zijn maag de etensbel;
hij was toen juist bij de barrière du Maine, waar de letter
U. woonde. Schaunard liep binnen bij de letter U., waar hij zijn
servetring had, als er servetten waren.
"Naar wien wilt u toe?" vroeg de concierge hem in het voorbijgaan.
"Naar mijnheer U ...." antwoordde de artist.
"Die is niet thuis."
"En Mevrouw?"
"Ook niet: zij hebben me gevraagd aan een van hun vrienden, die van
avond bij hen zou komen, te zeggen, dat zij in de stad zijn gaan
eten: mocht u de bewuste persoon zijn, dan hebt u hier het adres,"
en hij overhandigde Schaunard een stukje papier, waarop zijn vriend
U .... geschreven had:
"Wij zijn bij Schaunard, rue .... No...., gaan eten; kom ons daar
halen."
"Prachtig!" zeide hij, weggaande; "wanneer het toeval zich er mede
bemoeit, krijg je dikwijls aardige vaudevilles."
Schaunard herinnerde zich toen, dat er vlak bij een klein herbergje
was, waar hij een paar maal voor weinig geld goed gegeten had,
en richtte zijn schreden naar dat etablissement, in de chaussée
du Maine gelegen en in de Bohème-wereld bekend onder den naam van
la Mère Cadet. Het was een etenshuis, waarvan de gewone clientèle
bestond uit de vrachtrijders naar Orleans, zangeressen uit den
Montparnasse en jonge rollen van het Bobino-theater. [3] Tijdens het
mooie seizoen komen schilders uit de vele ateliers in de nabijheid van
den Luxembourg, schrijvers van onuitgegeven boeken en journalisten van
obscure blaadjes gezamenlijk dineeren bij la Mère Cadet, die bekend
is voor haar konijnenragouts, haar echte zuurkool en een wit wijntje,
dat naar vuursteen smaakt.
Schaunard ging onder de bosquets (boschjes) zitten: zoo noemde men
bij la Mère Cadet het dunne loof van een paar kromgegroeide boomen,
waarvan het ziekelijke groen onder tegen de zoldering was aangebracht.
"Lieve Hemel, het kan me niet schelen ook," zeide Schaunard tot
zichzelf, "ik zal me eens lekker te goed doen en een feestmaal
bestellen."
En zonder er gras over te laten groeien, bestelde hij een soep,
een halve portie zuurkool en twee halve konijnenragouts: hij had
n.l. opgemerkt, dat je, wanneer je halve porties bestelde, minstens
een kwart op het geheel won.
Deze bestelling trok de aandacht van een jonge, in het wit gekleede
vrouw met oranjebloesem in het haar en balschoenen aan; een imitatie
van een imitatie-kanten sluier golfde over haar schouders, die beter
hun incognito hadden kunnen bewaren. Het was een zangeres van het
théâtre Montparnasse, waarvan de coulissen om zoo te zeggen uitkwamen
in la Mère Cadet. Gedurende een entre-acte van de Lucia di Lammermoor
was zij even komen eten; zij besproeide nu met een kleintje koffie een
maaltijd, die uitsluitend uit een artisjok in olie en azijn bestond.
"Twee konijnenragouts, drommels!" zeide zij zacht tot het meisje,
dat als kellner dienst deed; "dat is ook een jonge man, die van goed
eten houdt. Hoeveel krijg je van me, Adèle?"
"Vier sous voor de artisjok, vier voor een kleintje koffie en één
voor brood. Dat is negen sous."
"Hier," zeide de zangeres, en zij ging weg onder het neuriën van:
Cet amour que Dieu me donne!
"Zij haalt de hooge A," zeide toen een mysterieus persoon, die,
achter een wal van oude boeken verborgen, aan dezelfde tafel als
Schaunard zat.
"Haalt zij hem?" zeide Schaunard; "ik zou eerder zeggen, dat ze hem
thuis gelaten heeft. Het is dan ook belachelijk," voegde hij eraan
toe, terwijl hij met zijn vinger op den schotel wees, waaruit Lucia
di Lammermoor haar artisjok genuttigd had, "om je fausset in azijn
in te leggen."
"Het is inderdaad een scherp zuur," begon weer de persoon, die reeds
gesproken had. "De stad Orleans produceert een soort, die terecht
een goede reputatie heeft."
Schaunard nam den onbekende, die blijkbaar een gesprek wilde uitlokken,
aandachtig op. De starre blik uit zijn groote blauwe oogen, die
steeds iets schenen te zoeken, gaf aan zijn gelaatsuitdrukking het
karakter van vrome zielerust, die men zoo dikwijls bij seminaristen
ziet. Zijn gelaat had de kleur van oud, vergeeld ivoor, behalve
zijn wangen, die met een roodkleurige laag ingesmeerd schenen te
zijn. Zijn mond leek geteekend te zijn door een eerste-klas leerling,
dien men tijdens zijn werk tegen zijn elleboog gestooten had. De
negerachtig opgetrokken lippen lieten tanden zien, die een jachthond
geen oneer zouden hebben aangedaan, en de twee plooien van zijn kin
rustten op een witte das, waarvan de eene punt de sterren bedreigde,
terwijl de andere zich in den grond scheen te willen boren. Uit
een kalen vilten hoed met wonderlijk breede randen, stroomden zijn
haren in blonde watervallen. Hij had een notenkleurige pèlerine-jas,
die tot op de draad afgesleten en zoo ruw als een rasp was. Uit de
wijdopenstaande zakken van die jas kwamen bundels papier en brochures
te voorschijn. Zonder zich te bekommeren om de opmerkzaamheid, waarmede
hij opgenomen werd, nuttigde hij een portie zuurkool met worst, waarbij
hij telkens een tevreden geknor liet hooren. Onder het eten door las
hij een boek, dat open voor hem lag, en waarop hij nu en dan met een
potlood, dat hij achter zijn oor had zitten, aanteekeningen maakte.
"Nou?" riep plotseling Schaunard uit en sloeg daarbij met zijn mes
tegen zijn glas; "waar blijft mijn konijnenragout?"
"Mijnheer," antwoordde het meisje, dat met een schotel in haar hand
naar hem toe kwam, "die zijn er niet meer, dit is de laatste, en die
is al door mijnheer besteld," voegde zij eraan toe, terwijl zij den
schotel voor den man met de boeken neerzette.
"Verduiveld!" riep Schaunard uit.
Er klonk zooveel melancholieke teleurstelling door in dat
"Verduiveld!", dat de man met de boeken er door getroffen werd. Hij
schoof den wal van boeken, die zich tusschen hem en Schaunard verhief,
op zij en zeide, terwijl hij den schotel tusschen hen in zette,
op den zachtsten toon, dien hij in zijn stem leggen kon:
"Zou ik het genoegen mogen hebben dit gerecht met u te deelen?"
"Mijnheer," antwoordde Schaunard, "ik zou er u niet gaarne van
berooven."
"U zult mij dus van het genoegen willen berooven, u een dienst te
bewijzen."
"Als u het zoo opvat, mijnheer...." En Schaunard schoof zijn bord bij.
"Veroorloof mij u den kop niet aan te bieden," zeide de vreemdeling.
"Daar kan ik niet in komen, mijnheer," riep Schaunard uit.
Maar toen hij zijn bord weer naar zich toe trok, zag hij, dat de
vreemdeling hem juist dat gedeelte gegeven had, dat hij zeide voor
zichzelf te willen houden.
"Wat?" bromde Schaunard in zichzelf, "wil hij me met zijn beleefdheid
er tusschen nemen?"
"Al moge," zeide de vreemdeling, "het hoofd het edelste deel van den
mensch zijn, van het konijn is het juist het tegenovergestelde. Vandaar
dan ook, dat er vele menschen zijn, die het niet kunnen uitstaan. Bij
mij is het juist andersom. Ik aanbid het, om zoo te zeggen."
"Dan spijt het mij dubbel," zeide Schaunard, "dat gij u voor mij
daarvan beroofd hebt."
"Wat? ... pardon," zeide de boekenman, "ik heb den kop voor mijzelf
gehouden. Ik heb zelfs de eer gehad u te doen opmerken, dat...."
"Neem me niet kwalijk!" viel Schaunard hem in de rede, terwijl hij
hem zijn bord onder de neus hield; "maar wat is dat dan voor een stuk?"
"Lieve Hemel! Wat zie ik, o goden? Nog een kop! Het is een bicephaal
[4] konijn!" riep de vreemdeling uit.
"Bice...." stotterde Schaunard.
".....phaal. Dat komt van het Grieksch. Inderdaad noemt mijnheer
de Buffon, die altijd manchetten droeg, voorbeelden van die
eigenaardigheid. Maar werkelijk, ik vind het inderdaad zeer aangenaam,
zoo'n natuurwonder gegeten te hebben."
Tengevolge van dat incident was het gesprek voor goed aan den
gang. Schaunard, die in beleefdheid niet achter wilde blijven, bestelde
een nieuwe flesch. De boekenman liet een tweede aanrukken. Schaunard
offreerde salade, de man met de boeken toespijzen. Om acht uur stonden
er zes ledige flesschen op tafel. Al pratende had de openhartigheid,
die door de plengoffers van den rooden wijn besproeid was, hen ertoe
gebracht elkaar hun levensloop te vertellen; zij kenden elkander reeds,
alsof zij samen opgegroeid waren. Na de vertrouwelijke mededeelingen
van Schaunard aangehoord te hebben, had de boekenman hem verteld,
dat hij Gustave Colline heette; hij was wijsgeer van beroep en leefde
van de lessen, die hij gaf in mathematica, scholastica, botanica en
andere wetenschappen op ica.
Het weinige geld, dat hij met lesgeven verdiende, besteedde Colline
voor het aankoopen van oude boeken. Zijn notenkleurige pèlerine was een
goede bekende aan alle boekenstalletjes van den pont de la Concorde tot
den pont Saint-Michel. Wat hij met al die boeken, waarvan het aantal
zòò groot was, dat men ze in een menschenleeftijd niet had kunnen
uitlezen, deed, wist niemand en hij zelf nog het allerminst. Maar die
manie was bij hem een hartstocht geworden; en wanneer hij 's avonds
zonder een nieuw oud boek thuis kwam, paste hij het woord van Titus
op zichzelf toe en zeide: "Ik heb een dag verloren laten gaan!" Zijn
innemende manieren en zijn wijze van uitdrukken, die een bloemlezing
van alle stijlen vormde, en de vreeselijke woordspelingen, waarmede
hij zijn gesprek kruidde, hadden haar uitwerking op Schaunard niet
gemist, die op staanden voet Colline permissie vroeg zijn naam te mogen
inlasschen op de beroemde lijst, waarover wij reeds gesproken hebben.
Tamelijk aangeschoten en met den gang van menschen, die pas een
vertrouwlijk gesprek met wijnflesschen gevoerd hebben, verlieten zij
tegen negen uur la mère Cadet.
Colline noodigde Schaunard uit met hem een kop koffie te gaan drinken,
wat deze aannam op voorwaarde dat de pousse-café voor zijn rekening
was. Zij gingen een café binnen in de rue Saint-Germain-l'Auxerrois,
dat op zijn uithangbord Momus, den god der Spelen en van het Lachen,
had.
Toen zij binnenkwamen, was er juist een hevige discussie begonnen
tusschen twee stamgasten. Een van hen was een jonge man, wiens
gelaat zoo goed als geheel verloren ging in een zware, veelkleurige
baard. Als een tegenstelling tot dien overvloed van kinhaar was zijn
voorhoofd zoo kaal als een biljartbal; een klein groepje haren, die
zoo weinig talrijk waren, dat men ze zeer makkelijk zou kunnen tellen,
trachtte vergeefs die kaalheid te verbergen. Hij droeg een zwarte,
aan de ellebogen glad geschaafde jas, die, wanneer hij zijn armen te
hoog oplichtte, een paar onder de schouders aangebrachte luchtgaatjes
liet zien. Zijn broek kon desnoods nog voor zwart doorgaan, maar zijn
schoenen, die nooit nieuw geweest waren, schenen reeds meermalen aan de
voeten van den Wandelenden Jood de reis om de wereld gemaakt te hebben.
Schaunard had opgemerkt, dat zijn vriend Colline en de jonge man met
de groote baard elkaar gegroet hadden.
"Ken je dien mijnheer?" vroeg hij aan den wijsgeer.
"Kennen bepaald niet," antwoordde deze, "maar ik zie hem wel eens in
de Bibliotheek. Ik geloof, dat het een schrijver is."
"Zijn kleeding wijst er tenminste wel op," antwoordde Schaunard.
De persoon, met wien de jonge man het aan den stok had, was iemand
van een jaar of veertig, die, zooals uit zijn groot hoofd, dat zonder
overgang van den hals tusschen zijn beide schouders zat, op te maken
was, ongetwijfeld aan een beroerte sterven zou. De onnoozelheid was
in groote letters op zijn laag, met een klein zwart kalotje bedekt
voorhoofd te lezen. Hij heette mijnheer Mouton en was ambtenaar op de
mairie van het vierde arrondissement, waar hij de overlijdensregisters
bijhield.
"Mijnheer Rodolphe!" riep hij met een eunuch-orgaan uit, terwijl
hij den jongen man, dien hij aan een knoop van zijn jas vasthield,
heen en weer schudde, "wil ik u mijn meening eens zeggen? Nou, al die
couranten dienen tot niets. Kijk eens, laten we eens veronderstellen:
ik ben een huisvader, niet waar? .... goed ... Ik kom hier in het
café een partij domino spelen. Volg nu goed mijn redeneering."
"Verder, verder!" zeide Rodolphe.
"Welnu," ging vader Mouton voort, terwijl hij iederen zin scandeerde
met een vuistslag, die de flesschen en glazen op het tafeltje deed
rinkelen; "welnu, ik kijk de couranten eens in, goed .... Wat zie
ik? De een zegt wit, de ander zegt zwart, enzoovoort, enzoovoort. Wat
heb ik daaraan? Ik ben een goed huisvader, die hier komt om ...."
"Zijn partijtje domino te spelen," zeide Rodolphe.
"Iederen avond," ging mijnheer Mouton voort. "Nou, laten we eens
veronderstellen: Je begrijpt ...."
"Heel goed!" zeide Rodolphe.
"Ik lees een artikel, waar ik het niet mee eens ben. Dat maakt
me woedend, en ik verbijt me, ziet u, mijnheer Rodolphe, al die
couranten is leugenpak. Ja, leugenpak!" krijschte hij in de hoogste
tonen van zijn faussetstem, "en de journalisten zijn bandieten en
prutsschrijvers."
"Maar toch, mijnheer Mouton ...."
"Ja, bandieten," ging deze voort. "Zij zijn de oorzaak van alle
ongelukken in de wereld; zij hebben de revolutie en de assignaten
gemaakt; bewijs: Murat."
"Pardon," viel Rodolphe hem in de rede; "u bedoelt Marat."
"Waarachtig niet, waarachtig niet," ging Mouton voort; "Murat; ik
heb hem zien begraven, toen ik nog een kleine jongen was ...."
"Maar ik verzeker u ...."
"Ze hebben nog een stuk over hem in het Cirque gegeven ...."
"Ja juist, precies," zeide Rodolphe: "dat is Murat."
"Maar dat zeg ik al een uur lang," riep de stijfkoppige Mouton
uit. "Murat, die in een kelder werkte, wat? Welnu, laten we eens
veronderstellen. Hebben de Bourbons geen gelijk gehad om hem te
guillotineeren, omdat hij hen verraden had?"
"Wien? Geguillotineerd! Verraden! Wat?" riep Rodolphe uit, die nu op
zijn beurt mijnheer Mouton bij den knoop van zijn jas pakte.
"Wel Marat!"
"O God, neen, neen, mijnheer Mouton, Murat. Laten we elkaar voor den
donder eindelijk begrijpen!"
"Ja zeker. Murat, een hondsvot. Hij heeft den keizer in 1815
verraden. Daarom beweerde ik, dat alle couranten één pot nat zijn,"
ging mijnheer Mouton voort, daarbij op het voornaamste punt van zijn
rede, die hij een verklaring placht te noemen, terugkomend. "Weet u wat
ik zou willen, mijnheer Rodolphe? Welnu, laten we eens veronderstellen
.... Ik zou een goede courant willen ... O, niet groot ... goed,
en een die geen phrases maakt ... Zoo!"
"U bent veeleischend," viel Rodolphe hem in de rede. "Een courant
zonder phrasen!"
"Ja, zeker. Let nu goed op!"
"Dat probeer ik!"
"Een courant, die alleen berichten geeft over den gezondheidstoestand
van den koning en de goederen der aarde. Want wat heb je ten slotte
aan al die couranten, wanneer je er niets van begrijpt? Laten we
eens veronderstellen: Ik ben op het stadhuis, niet waar? Ik houd
mijn registers bij, prachtig! Welnu, het is net als wanneer ze tegen
me zouden zeggen: "Mijnheer Mouton, u schrijft de sterfgevallen in,
welnu, doe nu dit eens, doe nu dat eens. Welnu, wat moet dat, wat
moet dat? Welnu, met de couranten is het precies zoo," eindigde hij
zijn redeneering.
"Zeer juist!" merkte iemand, die naast hem zat en de uiteenzetting
begrepen had, op.
En mijnheer Mouton ging, nadat hij de gelukwenschen van eenige
stamgasten, die het met hem eens waren, in ontvangst genomen had,
verder met zijn partijtje domino.
"Ik heb hem eens flink op zijn plaats gezet," zeide hij, terwijl hij
op Rodolphe wees, die aan het tafeltje van Schaunard en Colline was
gaan zitten.
"Wat een stommeling!" zeide deze tot de twee jonge lui, terwijl hij
naar den ambtenaar wees.
"Hij heeft dan ook een prachtigen kop met zijn wenkbrauwen als
rijtuigkappen en zijn kalfsoogen," merkte Schaunard op, terwijl hij
een prachtig doorgerookten neuswarmer uit zijn zak haalde.
"Bliksems, mijnheer," zeide Rodolphe, "wat een mooie pijp hebt u daar!"
"O, ik heb nog een heel wat mooiere, als ik uit ga," zeide Schaunard
onverschillig. "Geef me even wat tabak, Colline."
"Lieve Hemel," riep de wijsgeer uit, "mijn tabak is op."
"Sta mij toe u wat aan te bieden," zeide Rodolphe, terwijl hij een
pakje tabak uit zijn zak haalde en op tafel zette.
Colline meende die beleefdheid met het offreeren van een rondje te
moeten beantwoorden.
Rodolphe meende niet te kunnen weigeren. Het gesprek kwam op de
litteratuur. Rodolphe, naar zijn door zijn kleeding reeds verraden
beroep gevraagd, erkende zijn betrekkingen tot de Muzen en bestelde
een tweede rondje. Toen de kellner de flesch wilde medenemen,
vroeg Schaunard hem die maar te laten staan. Hij had in een van
Colline's zakken het zilveren duo van twee vijffrancstukken hooren
weerklinken. Rodolphe had weldra het niveau van openhartigheid bereikt,
waarop de beide vrienden zich reeds bevonden, en deed hun op zijn
beurt vertrouwelijke mededeelingen.
Zij zouden zeker den nacht in het café hebben doorgebracht, indien
men hun niet was komen vragen heen te gaan. Zij waren nog geen tien
pas verder, waarover zij tusschen twee haakjes een kwartier gedaan
hadden, toen zij door een stortbui overvallen werden. Colline en
Rodolphe woonden aan de twee tegenovergestelde uiteinden van Parijs,
de eene in Ile-Saint-Louis, de andere in Montmartre.
Schaunard, die totaal vergeten was, dat hij geen onderdak meer had,
stelde hun voor naar zijn kamer te gaan.
"Ga met mij mede," zeide hij, "ik woon hier vlak bij; wij zullen den
nacht doorbrengen met praten over litteratuur en schoone kunsten."
"En dan maak jij muziek en moet Rodolphe ons zijn gedichten
voordragen," zeide Colline.
"Waarachtig, zeker," voegde Schaunard eraan toe, "we moeten lachen
en vroolijk zijn, we leven maar eens."
Voor zijn huis gekomen, dat Schaunard slechts met moeite herkende,
ging hij op een paaltje zitten wachten op Rodolphe en Colline, die bij
een nog open zijnden wijnhandelaar de eerste elementen van een souper
waren gaan halen. Toen zij terug waren, klopte Schaunard meermalen
hard op de deur, want hij herinnerde zich vaag, dat de concierge de
gewoonte had hem te laten wachten. Eindelijk ging de deur open en vader
Durand, die in de heerlijkheden van den eersten slaap verzonken was
en zich niet herinnerde, dat Schaunard zijn huurder niet meer was,
maakte volstrekt geen tegenwerpingen, toen deze zijn naam door het
schuifraampje geroepen had.
Toen zij alle drie boven op de trap waren (een even lange als moeilijke
klimpartij), uitte Schaunard, die voorop liep, een kreet van verbazing,
toen hij den sleutel in het slot van zijn kamerdeur zag steken.
"Wat is er?" vroeg Rodolphe.
"Ik begrijp er niets van," mompelde hij, "ik vind in het slot den
sleutel, dien ik vanmorgen medegenomen heb. Enfin, we zullen zien. Ik
had hem in mijn zak gestoken. Wel, alle duivels, daar heb je hem nog,"
riep hij uit, terwijl hij den sleutel liet zien.
"Dat is tooverij!"
"Phantasmagorie," zeide Colline.
"Phantasie," voegde Rodolphe eraan toe.
"Maar," ging Schaunard voort, en in zijn stem beefde angst, "hooren
jullie dat?"
"Wat?"
"Wat?"
"Mijn piano, die uit zichzelf speelt, ut, la mi ré do, la si sol,
ré. Vervloekte ré, die zal altijd valsch blijven!"
"Maar dan is dat zeker jouw kamer niet," zeide Rodolphe, die Colline,
op wien hij zwaar leunde, in het oor fluisterde:
"Hij is dronken!"
"Dat geloof ik ook. In de eerste plaats is dat geen piano, maar
een fluit."
"Maar jij bent ook dronken, mijn waarde," antwoordde de dichter den
wijsgeer, die op den steenen vloer was gaan zitten. "Het is een viool."
"Een vio ... Ha, ha! Luister eens, Schaunard," stamelde Colline,
terwijl hij zijn vriend aan zijn beenen trok, "die is goed! Mijnheer
daar beweert, dat het een vio ...."
"Alle duivels!" riep Schaunard, thans zeer angstig, uit; "mijn piano
speelt nog altijd, dat is tooverij!"
"Phantasma .... gorie," huilde Colline, terwijl hij een der flesschen,
die hij in zijn hand had, liet vallen.
"Phantasie," krijschte op zijn beurt Rodolphe.
Midden onder dat lawaai ging plotseling de deur open en zagen zij
op den drempel iemand verschijnen met een drie-armigen kandelaar,
waarin rose kaarsen brandden.
"Wat is er van uw dienst, heeren?" vroeg hij, terwijl hij beleefd de
drie vrienden groette.
"Lieve Hemel, wat heb ik gedaan? Ik heb mij vergist, dit is mijn
kamer niet," zeide Schaunard.
"Mijnheer," voegden Colline en Rodolphe gezamenlijk eraan toe:
"wees zoo goed onzen vriend te excuseeren; hij is zoo dronken als
een ladder."
Plotseling schoot een lichtstraal door het benevelde brein van
Schaunard; hij had op zijn deur deze met krijt geschreven woorden
gelezen:
"Ik ben driemaal hier geweest, om mijn Nieuwjaarsgeschenken
te halen.