KOELIE-ORDONNANTIE.

Vastgesteld bij Besluit van Z. E. den Gouverneur-Generaal dato 13 Juli

1889 (Stbl. No. 138) en herzien bij Besluit van 11 Maart 1898 (Stbl.

No. 78).

Artikel 1.

Werklieden, afkomstig van buiten den Nederlandsch-Indischen Archipel,

worden ten behoeve van eenige onderneming van land- of mijnbouw in de

residentie Oostkust van Sumatra door den eigenaar of den administrateur

der onderneming slechts in dienst genomen krachtens eene schriftelijke

overeenkomst.

Dergelijke overeenkomsten kunnen ook gesloten worden met werklieden,

afkomstig uit andere deelen van den Nederlandsch-Indischen Archipel dan

de residentie Oostkust van Sumatra. [52]

Art. 2.

De werkcontracten vermelden:

1e. den naam of de namen, den ouderdom (naar gissing), de

nationaliteit, de geboorteplaats en, zoo mogelijk, den stam van

den werkman;

2e. den naam van den werkgever en van de onderneming of de

maatschappij, waarvoor de werkman is gehuurd, zoomede van het

landschap, waarin de onderneming ligt;

3e. de soort van arbeid, waarvoor de werkman is aangenomen, en het

aantal werkuren, hetwelk niet meer zal mogen bedragen dan tien

uren per etmaal;

Onder dit aantal werkuren moet mede worden geteld de tijd,

gedurende welken de arbeider voor extra-werkzaamheden wordt

gebezigd, als transporten, wachtdiensten, enz.

Bij nadere, mede op den voet van artikel 3 te registreeren

overeenkomst tusschen werkgever en werkman, kan de arbeid op

andere wijze worden geregeld, mits het getal van tien werkuren

per etmaal niet worde overschreden;

4e. de wijze, waarop de loonen worden berekend en betaald;

5e. het bedrag en de verrekening der genoten voorschotten;

6e. den duur der overeenkomst, welke den tijd van drie jaren niet

mag te boven gaan;

8e. de verplichting van den werkgever om op zijn kosten te voorzien

in de huisvesting en geneeskundige behandeling van den werkman en

diens gezin;

9e. het beding, dat de werkman niet tegen zijn wil van zijn gezin

zal worden gescheiden;

10e. het tijdstip, waarop de arbeider zich op de onderneming

behoort te bevinden en bij den beheerder behoort aan te melden.

De werkcontracten worden opgemaakt volgens een door den

Gouverneur-Generaal vast te stellen model.

De tijd, gedurende welken de werkman wegens verlof of ziekte van meer

dan één maand, dan wel wegens desertie of het ondergaan van straf, niet

heeft gewerkt, wordt bij de berekening van den duur der verrichte

diensten of van de overeenkomst niet medegerekend.

Art. 3.

Met uitzondering van hetgeen overeengekomen is ingevolge No. 10 van het

vorige artikel, zijn de werkcontracten en de daarin met inachtneming

van de voorschriften dezer ordonnantie gebrachte wijzigingen eerst van

kracht, na registratie door het hoofd van plaatselijk bestuur.

De werkgever is verplicht binnen acht dagen nadat de werkman op de

onderneming is aangekomen, of, indien hij zich daar reeds bevond, na

het aangaan der overeenkomst, of der daarin gebrachte wijziging, de

akte der overeenkomst in duplo ter registratie aan te bieden aan het

hoofd van plaatselijk bestuur, binnen welks ressort de onderneming

gelegen is.

Indien de overeenkomst is gesloten op eene plaats in het buitenland,

waar, volgens de uitdrukkelijke en openlijke verklaring der Regeering,

voldoende contrôle op de landverhuizing wordt uitgeoefend, weigert het

hoofd van plaatselijk bestuur alleen dan de registratie, als de

overeenkomst niet voldoet aan de vereischten, gesteld bij artikel 2

dezer verordening.

Indien de overeenkomst elders is gesloten, gaat het hoofd van

plaatselijk bestuur tot de registratie niet over, alvorens zich door

ondervraging te hebben overtuigd, dat de werkman vrijwillig tot de

overeenkomst is toegetreden en met hare voorwaarden behoorlijk bekend

is.

Hij weigert de registratie, zoodra er gegrond vermoeden bij hem bestaat

dat de werkman niet vrijwillig tot de overeenkomst is toegetreden of

wel de overeenkomst niet voldoet aan de bij artikel 2 dezer verordening

voorgeschreven vereischten.

Als de registratie wordt geweigerd, kan de werkgever de beslissing

inroepen van het hoofd van gewestelijk bestuur, wanneer de weigering

niet van dezen als plaatselijk bestuurder is uitgegaan.

Bij weigering van de registratie van het werkcontract (dus niet van de

daarin gebrachte wijziging), wordt de werkman, tenzij hij verlangt te

blijven en ten genoegen van het plaatselijk bestuur aantoont,

genoegzame middelen van bestaan te bezitten of door werkzaamheid te

kunnen verkrijgen, met de eerstmogelijke gelegenheid voor rekening van

den werkgever door het plaatselijk bestuur naar de plaats van

aanwerving teruggezonden, wanneer dit althans niet door den werkgever

zelven wordt gedaan.

De werkgever blijft aansprakelijk voor het onderhoud van den werkman

tot het oogenblik, waarop deze wordt teruggezonden.

De in dit artikel bedoelde contracten zijn vrij van zegel en worden

ingeschreven in een register, ingericht volgens een door den

Gouverneur-Generaal vast te stellen model.

Van de registratie wordt door het betrokken Hoofd van Plaatselijk

Bestuur op beide exemplaren aanteekening gehouden, met vermelding van

den datum, op welken zij heeft plaats gehad.

Een exemplaar wordt daarna teruggezonden aan den werkgever, terwijl het

andere blijft berusten bij den ambtenaar, die het heeft geregistreerd.

Bij de registratie moet voor rekening van den werkgever één gulden

betaald worden voor elken werkman, die zich bij het te registreeren

contract heeft verbonden. Deze gelden worden maandelijks door de

betrokken ambtenaren in ’s lands kas gestort.

Art. 4.

De werkman mag zich van de onderneming, waar hij werkzaam is, niet

verwijderen zonder schriftelijke vergunning, afgegeven door den

ondernemer, diens administrateur, of iemand door of van wege den

ondernemer daartoe aangesteld, behalve op vrije dagen, en wanneer hij

wegens slechte behandeling klachten tegen den werkgever of diens

personeel gaat uitbrengen.

Hij is verplicht geregeld zijn arbeid te verrichten, de hem door den

werkgever of diens personeel gegeven bevelen getrouw na te komen, en in

alles zich overeenkomstig zijn contract te gedragen.

Art. 5.

De werkgever is verplicht zijne werklieden goed te behandelen, hun

geregeld de bedongen loonen te betalen, hun kosteloos eene voegzame

huisvesting en behoorlijke geneeskundige verpleging met inbegrip der

noodige medicamenten te verschaffen, ook in geval van verwondingen niet

in zijn dienst ontstaan, en zorg te dragen voor goed bad- en

drinkwater.

Hij is tevens verplicht zijne werklieden te voorzien van een kaart,

waarvan het model door het Hoofd van Gewestelijk Bestuur wordt

vastgesteld en waarop de naam of de namen, de landaard of stam, de

werkelijke of gegiste ouderdom, de lichaamslengte in centimeters, de

kenbare teekenen, de datum van indiensttreding en de duur der

overeenkomst van den betrokken werkman moeten worden aangerekend,

benevens de naam van de onderneming waartoe hij behoort, en de dagen,

waarop hij vrij is.

De werklieden zijn verplicht die kaart steeds bij zich te dragen als

zij zich van de onderneming verwijderen en dezelve op aanvraag van het

bestuur te vertoonen.

Op het overeengekomen loon van den arbeider mag geen andere inhouding

plaats vinden dan die, welke bij de overeenkomst bepaald is, en die

wegens betalingen, waartoe de arbeider bij rechterlijke uitspraak

veroordeeld is zoomede het opvatloon bij desertie.

Desverlangd is de ondernemer verplicht aan de besturende ambtenaren

inzage te geven van het boek, dat de rekening courant der arbeiders

bevat.

Art. 6.

Geschillen over de uitlegging van het contract worden zooveel mogelijk

bij minnelijke schikking, zonder vorm van proces, door het hoofd van

plaatselijk bestuur vereffend.

Waar zulks niet mogelijk is, verwijst hij partijen, zoo noodig, naar

den burgerlijken of den strafrechter.

Art. 7.

De werkgever is verplicht den werkman bij het einde van het contract

een ontslagbriefje te geven.

Het model van dat ontslagbriefje wordt vastgesteld door het Hoofd van

Gewestelijk Bestuur.

De werkgever is verplicht op het ontslagbriefje te vermelden den naam

of de namen, den landaard of stam, den werkelijken of gegisten

ouderdom, de lichaamslengte in centimeters en de kenbare teekenen van

den werkman, ten wiens behoeve het is afgegeven.

Binnen acht dagen na het ontslag geeft de werkgever daarvan

schriftelijk kennis aan het hoofd van plaatselijk bestuur, dat van het

ontslag aanteekening houdt in het register.

Art. 8.

Bij behoorlijk geconstateerde voortdurende ongeschiktheid tot den

arbeid, waarvoor de werkman zich verbonden heeft, kan de werkgever, met

voorkennis van het hoofd van plaatselijk bestuur, het aangegaan

contract als ontbonden beschouwen.

Werklieden, die wegens het eindigen van hun werkcontract zijn

ontslagen, of wier werkcontract door den werkgever niet is nagekomen,

dan wel tengevolge van behoorlijk geconstateerde voortdurende

ongeschiktheid tot den arbeid, waarvoor zij zich verbonden hebben, als

ontbonden wordt beschouwd, worden—tenzij zij verlangen te blijven en

ten genoegen van het plaatselijk bestuur aantoonen genoegzame middelen

van bestaan te bezitten of door werkzaamheid te kunnen verkrijgen—met

de eerstmogelijke gelegenheid door het plaatselijk bestuur voor

rekening van den werkgever naar de plaats hunner aanwerving

teruggezonden, wanneer dit althans door den werkgever zelven niet wordt

gedaan. Deze blijft voor het onderhoud van den werkman aansprakelijk

tot het oogenblik van terugzending.

Art. 9.

Elke willekeurige inbreuk op het werkcontract wordt gestraft: aan den

kant van den werkgever met een geldboete van ten hoogste f 100 (één

honderd gulden), zullende bij herhaling het hoofd van gewestelijk

bestuur bevoegd zijn het contract ontbonden te verklaren;

aan den kant van den arbeider met een geldboete van ten hoogste f 50

(vijftig gulden), of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den

kost zonder loon van ten hoogste één maand.

De arbeider, die reeds éénmaal wegens willekeurige inbreuk op het

werkcontract is veroordeeld, wordt bij herhaling van het feit gestraft

met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon

van ten hoogste drie maanden, zullende het hoofd van gewestelijk

bestuur ook in dit geval bevoegd zijn het contract ontbonden te

verklaren, indien de werkgever zulks verlangt.

De feiten, waardoor de werkman geacht wordt op zijn werkcontract

willekeurig inbreuk te maken, zijn:

a. niet voldoening aan de verplichting, omschreven in No. 10 van

artikel 2;

b. desertie;

c. voortgezette weigering om te werken.

Art. 10.

Verzet, beleediging of bedreiging tegen de werkgevers of hun personeel,

rustverstoring, verregaande luiheid, dienstweigering, opruiing tot

desertie of tot dienstweigering, vechterij, dronkenschap en dergelijke

vergrijpen tegen de goede orde, worden, indien het feit niet als

misdrijf is aan te merken, gestraft met eene geldboete van ten hoogst f

25 (vijf en twintig gulden), of met tenarbeidstelling aan de publieke

werken voor den kost zonder loon van ten hoogste twaalf dagen.

Art. 11.

Het aanmoedigen tot nietnaleving van werkcontracten, of het begunstigen

daarvan door het verleenen van huisvestiging aan- of het indienstnemen

van een werkman, die niet door een behoorlijk ingevuld ontslagbriefje

of door een van wege het Bestuur aan hem uitgereikt schriftuur heeft

bewezen geheel vrij te zijn van dienstverplichtingen tegenover anderen,

wordt, elke overtreding op zich zelve, gestraft, voor zooveel

Europeanen of met dezen gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van

ten hoogste f 100 (één honderd gulden) of gevangenisstraf van ten

hoogste acht dagen, en voor zooveel Inlanders of met dezen

gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste f 50

(vijftig gulden) of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den

kost zonder loon van ten hoogste één maand.

Art. 12.

Willekeurige inbreuk op het contract, door den werkman gepleegd, wordt

alleen vervolgd op aanklacht van den eigenaar of administrateur der

onderneming, waartoe de werkman behoort.

De werkman, die voor de eerste maal ter zake van desertie terecht

staat, kan de straf voorkomen, indien hij met goedvinden van den

aanklager, vóór de oplegging vrijwillig naar zijn meester terugkeert.

Art. 13.

Overtredingen van de voorschriften dezer ordonnantie, waartegen geen

bepaalde straffen zijn bedreigd, worden gestraft voor zooveel

Europeanen en met dezen gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van

ten hoogste ƒ 100 (een honderd gulden); voor zooveel Inlanders en

daarmede gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste ƒ

25 (vijf en twintig gulden) of tenarbeidstelling aan de publieke werken

voor den kost zonder loon van ten hoogste twaalf dagen.

Art. 13a.

Arbeiders, die tijdens den duur der overeenkomst buiten de onderneming

terechtgestaan of eene vrijheidsstraf ondergaan hebben, dan wel zij,

die na eene afwezigheid wegens verlof, ziekte of anderszins, niet

derwaarts binnen den toegestanen of door het plaatselijk bestuur

voldoende geachten tijd terug keeren, kunnen op kosten van den

werkgever door de politie, of namens deze door personeel van den

werkgever naar de onderneming teruggevoerd worden. Deze bepaling geldt

mede ten aanzien van werklieden bij den bouw van den Staatsspoorweg ter

Sumatra’s Westkust en bij spoor- en tramwegondernemingen voor publiek

verkeer in de Residentie Oostkust van Sumatra, die op den voet der

ordonnantiën van 18 Augustus 1889 (Staatsblad No. 182) en 24 December

1891 (Staatsblad No. 264) krachtens eene schriftelijke overeenkomst in

dienst zijn genomen.

Art. 14.

Deze ordonnantie treedt in werking den 1en October 1889.

De millioenen uit Deli · 第 26 / 27 题