DE GESCHIEDENIS VAN GOH TJAU HIN. [42]

Het doorhakken, of dreigen met doorhakken van kwesties, waarmeê men

geen raad weet, heeft reeds sedert over-oude tijden als een teeken van

groote knapheid gegolden.

Men denke slechts aan Alexander den Grooten met zijn gordiaanschen

knoop en aan Salomo in het kinderproces. Om het echter met succes te

doen, moet men, en wel niet uitsluitend in eigen verbeelding, onbeperkt

autocraat zijn en tevens bezitter van salomonische wijsheid of

alexandrinisch talent. Is dit niet het geval en is men, bijvoorbeeld,

modern controleur B. B. in plaats van antiek despoot, dan wil het wel

eens gebeuren bij het toepassen der doorhakmethode, dat men zich in de

vingers hakt, wat niet zoo heel erg is, of in de rechtsbedeeling, wat

wel erg is. Zoo’n controleur heet dan bij sommigen net zoo lang „een

flink magistraat, die er van houdt, spoedig te decideeren”, [43] totdat

die sommigen zelve eens een salomonisch-onrechtmatige veeg uit de pan

krijgen.

Onlangs had een Chinees, Goh Tjau Hin, groot rijsthandelaar te Bindjey,

een geschil met de bijvrouw van zijn overleden vader. Zij verlangde de

uitlevering van een paar gouden armbanden, haar door haren man

geschonken en, naar haar zeggen, voor zijn dood hem door haar weder in

bewaring gegeven. Hij beweerde die niet in zijn bezit te hebben. Goed,

dan maar samen naar den kapitein-Chinees en hem de zaak voorgedragen.

Deze dignitaris legde Goh Tjau Hin een eed op, waarin deze moest

verklaren, dat hij de armbanden niet had.

Goh Tjau Hin zeide echter, dat die armbanden niet door hem in den

boedel waren aangetroffen, dat ze ook niet aan hem in bewaring gegeven

waren, dat hij ze in elk geval niet had en er vriendelijk voor

bedankte, om in deze zaak een eed af te leggen.

Een beetje later werd hij geroepen bij den controleur van Bindjey, die

onmiddellijk in de volheid zijner macht aan het knoopen doorhakken

ging. Goh moest òf den eed zweren, die dus nu door den controleur werd

opgelegd, òf de armbanden aan de vrouw geven, òf.... hij ging den pot

in. Hij had ze niet en wilde niet zweren? Nu, dan maar in den kerker!

En Goh werd afgevoerd naar de gevangenis. Nadat hij hierin een paar

uren had doorgebracht, om na te denken over de dwalingen zijns weegs en

over het ongepaste, dat er in stak een machtigen mandarijn van het

zilveren passement niet onmiddellijk zijn zin te geven, werd hij in

vrijheid gesteld, daar een aantal andere Chineesche handelaren voor hem

instonden. Invrijheidstelling onder borgtocht is, geloof ik, iets

nieuws in onze wetgeving. Maar voor welke doortastendheden staat een

Alexander?

De controleur gaf hem vier en twintig uur tijd, om tot inkeer te komen.

Als hij dan nog niet zoo ver was, zou hij weder in de doos gestopt

worden.

De geplaagde Goh spoedde zich naar Medan en vroeg raad aan Mr. Van den

Brand [44], wien hij zijne zaak voorlegde. Het liefst wilde hij maar,

om van de zaak af te zijn, de waarde der armbanden, die hij inderdaad

niet had, betalen, want hij vreesde voor de bedreiging van den

controleur, voor benadeeling in zijne zaken, voor zijne vrijheid, ja

zelfs voor zijn leven.

Voor zijn leven?

Och, volgens een dwaas gerucht zou het eens zijn voorgekomen, dat in de

gevangenis te Bindjey een gevangene door andere gevangenen geworgd is.

En zoo’n domme Chinees maakt daaruit natuurlijk de dolste

gevolgtrekkingen.

Onder den invloed van al die angsten en vreezen betaalde dan ook onze

Goh den volgenden dag, na nogmaals voor de omineuze keus gesteld te

zijn, in handen van den controleur van Bindjey 530 dollars, de waarde

der armbanden, af te geven of in de gevangenis te worden geworpen. De

dingen zelf had hij dus blijkbaar werkelijk niet.

En hiermede was de zaak uit? Niet naar de meening van Mr. Van den

Brand, die van oordeel was, dat men, ook ten opzichte van een Chinees,

niet maar roughshod over de rechtsbedeeling mocht heenrijden en iemand

door onwettige bedreigingen intimideeren; dat de zaak eene zuiver

burgerlijke was, loopende over een bedrag hooger dan ƒ 250.— en dus

niet behoorende tot de competentie van den controleur, die niets anders

had mogen doen, dan voor de eischeres een introductief rekest aan den

landraad opmaken en zeer zeker niet mir nichts dir nichts den Chinees

in de gevangenis had mogen stoppen; dat de controleur eene jammerlijke

begripsverwarring getoond had omtrent burgerlijke en strafrechterlijke

zaken, daar, wanneer hier aanleiding ware geweest tot een

strafrechterlijke vervolging, het ongehoord onzinnig was den verdachte,

onder bedreiging nog wel, een eed op te leggen en dat de controleur in

dat geval de zaak had moeten instrueeren, voor den landraad brengen en

anders niets; zoodat hij met zijne zonderlinge „berechting” in elk

geval buiten zijne bevoegdheid was gegaan en misbruik had gemaakt van

zijn gezag.

Om deze redenen vestigde Mr. Van den Brand de aandacht van den

resident, als hulpofficier van justitie, op de zaak en verzocht hem,

tegen den controleur van Bindjey eene strafrechterlijke vervolging in

te stellen.

Goede hemel, welke minutieuze onderscheidingen! Wie lette nu in de

dagen van Salomo of Alexander op zulke kleinigheden? Het moest

eenvoudig verboden zijn om „een flink magistraat, die er van houdt om

spoedig te decideeren”, zoo op de vingers te kijken.

De millioenen uit Deli · 第 21 / 27 题