Het doorhakken, of dreigen met doorhakken van kwesties, waarmeê men
geen raad weet, heeft reeds sedert over-oude tijden als een teeken van
groote knapheid gegolden.
Men denke slechts aan Alexander den Grooten met zijn gordiaanschen
knoop en aan Salomo in het kinderproces. Om het echter met succes te
doen, moet men, en wel niet uitsluitend in eigen verbeelding, onbeperkt
autocraat zijn en tevens bezitter van salomonische wijsheid of
alexandrinisch talent. Is dit niet het geval en is men, bijvoorbeeld,
modern controleur B. B. in plaats van antiek despoot, dan wil het wel
eens gebeuren bij het toepassen der doorhakmethode, dat men zich in de
vingers hakt, wat niet zoo heel erg is, of in de rechtsbedeeling, wat
wel erg is. Zoo’n controleur heet dan bij sommigen net zoo lang „een
flink magistraat, die er van houdt, spoedig te decideeren”, [43] totdat
die sommigen zelve eens een salomonisch-onrechtmatige veeg uit de pan
krijgen.
Onlangs had een Chinees, Goh Tjau Hin, groot rijsthandelaar te Bindjey,
een geschil met de bijvrouw van zijn overleden vader. Zij verlangde de
uitlevering van een paar gouden armbanden, haar door haren man
geschonken en, naar haar zeggen, voor zijn dood hem door haar weder in
bewaring gegeven. Hij beweerde die niet in zijn bezit te hebben. Goed,
dan maar samen naar den kapitein-Chinees en hem de zaak voorgedragen.
Deze dignitaris legde Goh Tjau Hin een eed op, waarin deze moest
verklaren, dat hij de armbanden niet had.
Goh Tjau Hin zeide echter, dat die armbanden niet door hem in den
boedel waren aangetroffen, dat ze ook niet aan hem in bewaring gegeven
waren, dat hij ze in elk geval niet had en er vriendelijk voor
bedankte, om in deze zaak een eed af te leggen.
Een beetje later werd hij geroepen bij den controleur van Bindjey, die
onmiddellijk in de volheid zijner macht aan het knoopen doorhakken
ging. Goh moest òf den eed zweren, die dus nu door den controleur werd
opgelegd, òf de armbanden aan de vrouw geven, òf.... hij ging den pot
in. Hij had ze niet en wilde niet zweren? Nu, dan maar in den kerker!
En Goh werd afgevoerd naar de gevangenis. Nadat hij hierin een paar
uren had doorgebracht, om na te denken over de dwalingen zijns weegs en
over het ongepaste, dat er in stak een machtigen mandarijn van het
zilveren passement niet onmiddellijk zijn zin te geven, werd hij in
vrijheid gesteld, daar een aantal andere Chineesche handelaren voor hem
instonden. Invrijheidstelling onder borgtocht is, geloof ik, iets
nieuws in onze wetgeving. Maar voor welke doortastendheden staat een
Alexander?
De controleur gaf hem vier en twintig uur tijd, om tot inkeer te komen.
Als hij dan nog niet zoo ver was, zou hij weder in de doos gestopt
worden.
De geplaagde Goh spoedde zich naar Medan en vroeg raad aan Mr. Van den
Brand [44], wien hij zijne zaak voorlegde. Het liefst wilde hij maar,
om van de zaak af te zijn, de waarde der armbanden, die hij inderdaad
niet had, betalen, want hij vreesde voor de bedreiging van den
controleur, voor benadeeling in zijne zaken, voor zijne vrijheid, ja
zelfs voor zijn leven.
Voor zijn leven?
Och, volgens een dwaas gerucht zou het eens zijn voorgekomen, dat in de
gevangenis te Bindjey een gevangene door andere gevangenen geworgd is.
En zoo’n domme Chinees maakt daaruit natuurlijk de dolste
gevolgtrekkingen.
Onder den invloed van al die angsten en vreezen betaalde dan ook onze
Goh den volgenden dag, na nogmaals voor de omineuze keus gesteld te
zijn, in handen van den controleur van Bindjey 530 dollars, de waarde
der armbanden, af te geven of in de gevangenis te worden geworpen. De
dingen zelf had hij dus blijkbaar werkelijk niet.
En hiermede was de zaak uit? Niet naar de meening van Mr. Van den
Brand, die van oordeel was, dat men, ook ten opzichte van een Chinees,
niet maar roughshod over de rechtsbedeeling mocht heenrijden en iemand
door onwettige bedreigingen intimideeren; dat de zaak eene zuiver
burgerlijke was, loopende over een bedrag hooger dan ƒ 250.— en dus
niet behoorende tot de competentie van den controleur, die niets anders
had mogen doen, dan voor de eischeres een introductief rekest aan den
landraad opmaken en zeer zeker niet mir nichts dir nichts den Chinees
in de gevangenis had mogen stoppen; dat de controleur eene jammerlijke
begripsverwarring getoond had omtrent burgerlijke en strafrechterlijke
zaken, daar, wanneer hier aanleiding ware geweest tot een
strafrechterlijke vervolging, het ongehoord onzinnig was den verdachte,
onder bedreiging nog wel, een eed op te leggen en dat de controleur in
dat geval de zaak had moeten instrueeren, voor den landraad brengen en
anders niets; zoodat hij met zijne zonderlinge „berechting” in elk
geval buiten zijne bevoegdheid was gegaan en misbruik had gemaakt van
zijn gezag.
Om deze redenen vestigde Mr. Van den Brand de aandacht van den
resident, als hulpofficier van justitie, op de zaak en verzocht hem,
tegen den controleur van Bindjey eene strafrechterlijke vervolging in
te stellen.
Goede hemel, welke minutieuze onderscheidingen! Wie lette nu in de
dagen van Salomo of Alexander op zulke kleinigheden? Het moest
eenvoudig verboden zijn om „een flink magistraat, die er van houdt om
spoedig te decideeren”, zoo op de vingers te kijken.