Veroordeeld werden op 5–8 Aug. 1902:
tot 3 maanden krakal: [38]
De Chineezen Kim Fau Seng, Oh A Wang, Lim A Heng, wegens diefstal
als overtreding gepleegd; de Javanen Soeswan, Amat en Radjio,
wegens rondzwerven; Kariodikromo, Ardjopawiro en Tingal, wegens
herhaalde desertie.
tot 2 maanden krakal:
De Javaan Salam, wegens gauwdieverij.
tot 1 maand krakal:
De Javanen Sampan, Ketodrono, Projowikromo, Marsiman, Sarjan,
Sarimowedji, Trowidjojo, Martoredjo, Mentowikromo, Mertomengolo,
Midjan, Lasier, Diran, Sodikromo, Soerowikromo, Jasatirta,
Toengging Kariositiko en Radoen, wegens voortgezette weigering om
te werken; Najosomito, de Chinees Ho A Boe, wegens diefstal als
overtreding gepleegd; en de Javaansche vrouw Ponikam, wegens
medeplichtigheid aan diefstal.
Waarom liepen Kariodikromo, Ardjapawiro en Tingal herhaaldelijk weg?
Waarom de voortgezette weigering van zooveel Javanen?
Weet gij, Lezer, wat op deze vragen het onveranderlijke antwoord is van
den planter?
„Omdat de stinkers [39] het te goed hebben in de gevangenis.”
Zou het niet zijn, omdat zij het in de gevangenis beter hebben, dan op
de onderneming en zou de klacht der planters over de weekhartigheid van
het Gouvernement niet een aanklacht zijn tegen eigen hardvochtigheid?
Nog eene andere vraag stelt men zich terstond: wordt bij de
overtredingen van de koelie-ordonnantie wel de hand gehouden aan het
voorgeschrevene omtrent het bewijs, zooals Mr. Der Kinderen zoo
uitdrukkelijk aanbeval?
En dan—in het algemeen sprekend—moet het antwoord ook hier weder
ontkennend luiden. Het schijnt mij trouwens practisch een
onmogelijkheid toe. Hoe zal men b. v. luiheid wettig en overtuigend
bewijzen, wanneer de beklaagde ontkent?
De praktijk is dan ook, dat de beschuldiging—per brief of mondeling en
steeds buiten eede—van den administrateur, assistent, mandoer of tandil
[40] voor waar wordt aangenomen en de koelie gestraft.
Gewoonlijk evenwel erkennen de beschuldigden, omdat zij verlangen naar
de gevangenis, die hun verademing zal schenken van het lijden op de
kebon. [41]
Dat deze wijze van rechtspleging aanleiding moet geven tot misbruik,
zoowel bij den werkgever als bij den magistraat, ligt voor de hand. Ik
wees er reeds op bij het hoofdstuk toetoepstelsel.
En hoeveel te sterker is de verleiding voor den rechtsprekenden
ambtenaar, maar vonnis te vellen naar bloote overtuiging en vertrouwen
in den aanklager, waar van deze vonnissen noch is hooger beroep, noch
cassatie.
Wel luidt het voorschrift, dat de vonnissen, door den magistraat
gewezen, iedere maand aan den President van den Landraad moeten worden
gezonden, die ze van zijne opmerkingen zal voorzien.
Dit geschiedt evenwel nooit.
Wat voor ambtenaren deze autocratische macht op den duur kweekt, leert
ons